Maandag 24 december 2007
Eerste lezing: 2 Samuel 7,1-5.8b-12.14a.16 [I 49]
Evangelie: Lucas 1,67-79 [I 50]


Inleiding  

'Vandaag zult ge weten dat de Heer komt, en dat de Heer ons zal redden.' Dat zei Mozes tot het volk toen zij achterna gezeten door de Egyptenaren in de val waren gelopen. De Rode Zee voor hen was ontoegankelijk en met de Egyptische militie achter hen zaten zij als ratten in de val. Toen kwam er redding van de andere kant. Zo ook voor ons. Maar de Heer is toch al gekomen, tweeduizend jaar geleden? Jawel, maar Hij komt steeds opnieuw, want God 'is'. Hij heeft geschapen, Hij schept en Hij gaat door met scheppen; Hij redt, Hij heeft gered en Hij gaat door met redden. Want wij zijn nog niet gered, wij moeten nog gered worden van onze zelfredzaamheid. Dat reddeloos verloren zijn, dat is eigen aan mensen die in zo'n situatie verkeren dat er een redder aan te pas moet komen. Dat weet een drenkeling die zijn hand uitsteekt naar zijn redder. Maar weten wij wel dat wij in een soortgelijke situatie verkeren? Zonder onze Redder zijn wij reddeloos verloren.
Laten wij het bewustzijn van onze zonden verdiepen, en belijden wij onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die dagen werd Zacharias, de vader van Johannes,
vervuld met de heilige Geest en sprak in profetische woorden:
“Geprezen zij de Heer, Israëls God:
want genadig zag Hij neer en verloste zijn volk.
Hij heeft ons een reddende kracht verwekt
in het huis van David, zijn dienaar,
zoals Hij van oudsher voorzegd heeft
bij monde van zijn heilige profeten;
tot redding uit de macht onzer vijanden
en uit de hand van al die ons haten.
Zo was Hij aan onze vaderen barmhartig
en indachtig zijn heilig verbond:
de eed die Hij onze vader Abraham zwoer:
ons te geven, Hem zonder vrees te dienen
bevrijd uit de macht van de vijand,
rechtvaardig en heilig voor zijn aanschijn, al onze dagen.
En gij, kind,
profeet van de Allerhoogste zult ge worden genoemd,
want voorafgaan zult gij aan de Heer
en gij zult zijn wegen bereiden
en zijn volk de redding doen kennen:
de vergiffenis van hun zonden
dank zij de milde erbarming van onze God,
waarmee Hij op ons neerzag,
gelijk de opgaande zon aan de hemel,
en waarmee Hij verscheen aan hen die in het duister
en de schaduw des doods zijn gezeten,
om onze voeten te richten op de weg van de vrede.”

Homilie  

“Hij heeft ons een reddende kracht verwekt tot redding uit de macht van onze vijanden."
Het gaat hier over een volk dat weggetrokken is uit een land waar het door een ander volk werd onderdrukt, als slaaf behandeld. Weggetrokken om vrij te zijn, niet om voor zichzelf te leven, maar om, bevrijd uit de macht van de vijand, rechtvaardig en heilig te leven voor Gods aanschijn en om God vrij te kunnen dienen. Hij heeft ons een reddende kracht verwekt, om zijn volk de redding te doen kennen.

Is het u wel eens overkomen dat u op het nippertje aan een dodelijk gevaar bent ontsnapt, bijvoorbeeld aan een auto-ongeluk, een vliegtuigongeluk, een ramp, verdrinkingsdood? Of aan een overweldiging, een terreuractie, zoals mensen dat tegenwoordig kan overkomen. Of in een oorlog, met overal doodsgevaar. Mensen die dat overleefd hebben, die de dood achter zich hebben gelaten, hebben een heel nieuw levensgevoel. Het leven is meer leven, het leven is verrijkt met een pluskwaliteit.

Maar al die gevaren, die dodelijke bedreigingen die mensen op onze planeet kunnen overkomen, zijn eigenlijk nog maar kinderspel vergeleken bij de dodelijke dreiging die de mensheid overkomt door de zonde. Dat is de bron van alle rampen, de oorsprong. Waar dat tenslotte toe leidt, is allemaal nog veel erger dan wat de mensen nu erg vinden. Dat is wat de Schrift uitdrukt met: "het duister en de schaduw van de dood. Daaruit heeft Hij ons verlost, door “de vergiffenis van de zonde."

Hebben wij dan wel het gevoel van bevrijding? Heeft voor ons het leven dat ons hier gegeven wordt, het leven dat wij als christenen mogen ontvangen, zoveel pluskwaliteit? Is dat leven voor ons, christenen, meer leven dan het leven zonder of buiten de Kerk? En waardoor laten wij dat leven bedreigen, wat laten wij allemaal toe, zodat we soms weer terug bij 'af' dreigen te geraken? Leiden wij een heilig leven, aan God en aan God alleen toegewijd? Of sluiten wij compromissen en laten we ons verscheuren tussen de oude erfvijand en onze nieuwe God?
    
Dat is wat de Joden in het Tweede Boek Samuël hebben meegemaakt, toen zij na de tijd van de rechters, een tijd van onzekerheid, van onveiligheid beleefden. Ingeklemd tussen de andere volkeren, telkens weer genoodzaakt om ten strijde te trekken, een rechter aan te stellen, een bevrijdingsstrijd te beginnen en dan tenslotte het koningschap dat in staat was met een leger de vijanden voorgoed van zich af te schudden. Koning David heeft dat voltooid, hij heeft de pacificatie ten einde gebracht. Toen kwam er een tijd om aan andere dingen te denken, aan de bouw, niet alleen van een paleis voor zichzelf uit cederhout, luxe, maar aan de bouw van een huis voor God.

Waar woonde God dan? In een tent, zoals Hij met hen meetrok door de woestijn. En toen ze aankwamen in het Beloofde Land hadden ze hun handen vol met de eerste grondslagen te leggen van een volk en de vijanden van zich af te schudden. Toen hadden ze geen tijd om zoiets als een tempel te bouwen. Dat wilde David nu gaan ondernemen. Maar dan krijgt hij te horen: Ik hoef geen tempel zoals de andere volken voor hun god bouwen. Mijn plannen gaan veel verder. Ik wil in het koningshuis zelf een nakomeling verwekken in wie Ikzelf, hoogstpersoonlijk, Koning zal zijn. Dan zal God niet zomaar ergens in de hoogte, maar ook hier op aarde metterdaad zijn koningschap uitoefenen. Wij zijn niet alleen maar bevrijd om te leven in een land tussen de andere volkeren, maar wij hebben tussen de andere volkeren een eigen plek op aarde, waar Koning Jezus hoogstpersoonlijk, in levende lijve, onder ons woont.

De geboorte van die Koning is wat ons staat te gebeuren. Zien wij ernaar uit, zoals mensen die in de onderdrukking of in dodelijk gevaar moeten leven uitzien naar hun bevrijding, naar hun verlosser? Tussen de vele grotere en kleinere bezigheden van de dag voor het feest dreigt dat verwachtingsgevoel gemakkelijk ondergesneeuwd te raken. Proberen wij ons hart waakzaam te houden, zodat Koning Jezus ook in ons hart kan binnentrekken.