Maandag in de derde week van Pasen
                   Heilige Johannes Baptista de la Salle


Eerste lezing: Handelingen 6,8-15 [I 186];
Evangelie: Johannes 6,22-29 [I 187]  


Inleiding  

'Christus is verrezen, ja, waarlijk verrezen!' De tekst en de melodie wekken de indruk alsof het net gebeurd is, alsof Jezus zojuist is verrezen. Je kunt dit eigenlijk ook alleen maar zingen als dat voor jou zo is, als Jezus zojuist voor jou verrezen is. Het zou moeten zijn alsof jij het zelf hebt meegemaakt: Jezus, aan het kruis geslagen, "en wij leefden in de hoop dat Hij Degene zou zijn die Israël ging verlossen" (Lc 24,21). Jezus, op wie zij hun hoop gesteld hadden, van wie zij gedacht hadden dat Hij de Redder zou zijn, is aan het kruis gestorven. Wij kunnen ons deze ervaring alleen eigen maken wanneer wij ons ervan bewust worden dat wij Hem inderdaad aan het kruis hebben geslagen, dat Hij ook voor onze zonden aan het kruis gestorven is.
Dat is nu wat wij ons altijd bewust maken aan het begin van de eucharistieviering: onze zonden, de reden waarom Hij voor ons is gestorven.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Het volk dat aan de ene kant van het meer was gebleven,
na de wonderbare broodvermenigvuldiging,
had gezien dat er maar één bootje gelegen had,
dat Jezus niet met zijn leerlingen was scheep gegaan,
maar dat zijn leerlingen alleen waren vertrokken.
De volgende dag echter
kwamen er bootjes uit Tiberias
dicht bij de plaats waar men het brood had gegeten
na het dankgebed van de Heer.
Toen de mensen bemerkten dat noch Jezus
noch zijn leerlingen daar waren,
gingen zij in de boten
en voeren in de richting van Kafarnaüm op zoek naar Jezus.
Ze vonden Hem aan de overkant van het meer.
Ze zeiden: “Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?”
Jezus nam het woord en zei:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
niet omdat gij tekenen gezien hebt
zoekt ge Mij,
maar omdat gij van de broden hebt gegeten
tot uw honger was gestild.
Werk niet voor het voedsel dat vergaat,
maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwige leven
en dat de Mensenzoon u zal geven.
Op Hem immers heeft de Vader, God zelf,
zijn zegel gedrukt.”
Daarop zeiden ze tot Hem:
“Welke werken moeten wij voor God verrichten?”
Jezus gaf hun ten antwoord:
“Dit is het werk dat God van u vraagt:
te geloven in Degene die Hij gezonden heeft.”

Homilie      

“Ze voeren in de richting van Kafarnaüm op zoek naar Jezus."
Op zoek naar Jezus! Daar zijn we voor hier, om Jezus te zoeken. Maar is dat werkelijk waar? Zoeken we echt Hem? Is het ons echt om Hem begonnen? Zit dat erachter wanneer we naar de kerk komen? Zit dat erachter, elke keer wanneer we ons in het gebed begeven? Zit dat erachter als we bidden voor en na tafel? Zit dat erachter als we werken? Zoeken we echt Hem? Wie of wat zou je hier anders moeten zoeken? En toch kan zo gemakkelijk bij alles wat je voor Hem doet iets van jezelf binnensluipen en de plaats innemen van Hem. Dat we niet zomaar voetstoots aannemen dat we echt Jezus zoeken, wordt ons niet ingegeven door een hang naar wantrouwen die overal het verkeerde achter zoekt, maar door Jezus zelf: "Niet omdat gij tekenen gezien hebt zoekt gij Mij, maar omdat gij van de broden hebt gegeten tot uw honger was gestild."

Ze hebben de wonderdaad van de broodvermenigvuldiging niet gezien als teken dat naar God verwijst, maar ze hebben zich gefixeerd op het teken. Het is de grote bekoring, ook voor ons, om in plaats van degene naar wie die tekenen verwijzen, te blijven stilstaan bij de tekenen zelf, bij plichten, bij werk, bij eer, bij contacten, bij geborgenheid. Al die dingen die je gegeven worden als een verwijzing naar Hem, kunnen zo gemakkelijk worden gebruikt als een verwijzing naar jezelf, als een voldoening van de eigenliefde.

Ik heb eens een priester over een communiteit horen zeggen: 'Zij zoeken God echt.' 'Ja', zei ik, 'wat zouden die zusters anders doen dan God zoeken?' Toch was hem dat opgevallen. En wat zouden die mensen die, zoals er in de eerste lezing staat, met Stefanus begonnen te redetwisten, eigenlijk anders gedaan hebben dan God zoeken? Ze komen op voor God. Ze hebben Stefanus lastertaal horen spreken tegen Mozes en God. Ze komen op voor de eer van God en voor de heilige plaats. "Die man houdt niet op te spreken tegen de heilige plaats en tegen de wet." Dat is de wet van God. Zo gemakkelijk kun je iets in de plaats van God stellen, tot een afgod maken, iets dat eigenlijk bedoeld is als een weg naar God, zoals een heilige plaats, de wet, de liturgie, de vieringen, het werk, het contact.

En hoe kom je er nu toe om zelveloos God te zoeken? "Hoe zoudt gij ook kunnen geloven als gij van elkaar eer tracht te verwerven, terwijl gij de eer die van de enige God komt niet zoekt" (Joh 5,44). Als je dus geëerd wilt worden, zoals die tegenstanders van Stefanus, als je de macht wilt houden, zoals de tegenstanders van Jezus - zij allen waren uit op macht - of als je in het middelpunt van de aandacht wilt staan, je eigen eer zoekt, dan zul je aan Jezus niet veel vinden, want wij moeten bij Jezus iets van God zoeken. We staan voor de keuze: in Jezus - die Gods woord is - God laten spreken, God de eer laten. Dat is dan ook de reden waarom Jezus de speelbal heeft willen zijn van de bespotting van de mensen, om zo alle eer naar de Vader te laten gaan. Hij is niet voor zijn eigen eer gekomen. Daarom: "Die uit zichzelf spreekt zoekt eigen eer, zegt Jezus. Die daarentegen de eer zoekt van degene die Hem zond, Hij is geloofwaardig en is er geen bedrog in Hem" (Joh 7,18). Door zo met Jezus om te gaan, zo in verbondenheid met Hem te leven, onttrek je je vanzelf aan de eer van de mensen. En door je aan de eer van de mensen te onttrekken, komt er vanzelf een aantrekking naar de eer die komt van de enige God.