Octaafdag van Kerstmis
Heilige Maria, moeder van God
                                                    (Nachtmis)


Eerste lezing: Numeri 6,22-27 [B 28]; antwoordpsalm: Psalm 67,2-3.5.6.8 [B 28];
Tweede lezing: Galaten 4,4-7 [B 29]; vers voor het evangelie: Hebreeën 1,1-2 [B 30]
Evangelie: Lucas 2,16-21 [B 30]

De lezingen zijn gemeenschappelijk in de cycli van de jaren A,B en C


Inleiding  

'Gegroet, heilige moeder, die de Koning baart, de Koning die hemel en aarde heeft geschapen en regeert in eeuwigheid.'
In het midden van de aandacht staat nu niet het Kind, maar zijn moeder. Leven gevend, in een omgeving, in een cultuur, die genoemd wordt: de cultuur van de dood. Een moeder die leven geeft. Niet het aardse leven alleen, dat ook, maar meer nog het echte leven, het goddelijke leven. Leven dat door de dood heen stand houdt, ja, zelfs in de schoot van de dood tot nieuwe uitbloei komt. Dat wordt hier in ons midden gezet.
Laten wij deze eucharistieviering beginnen met in onszelf te keren, naar waar wij het leven schade hebben toegebracht, niet alleen het aardse leven en ons eigen leven, maar ook het goddelijke leven. Zonde heeft altijd iets met dood te maken, het zet een stap op de weg die naar de dood voert en wel naar de eeuwige dood. Dat wij ons daarover béschuldigen en niet veróntschuldigen, om door het levenwekkende berouw zijn levenwekkende barmhartigheid over ons te laten neerkomen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd haastten de herders zich
naar Bethlehem en vonden Maria en Jozef
en het pas geboren Kind dat in de kribbe lag.
Toen zij dit gezien hadden,
maakten zij bekend wat hun over dit Kind gezegd was.
Allen die het hoorden stonden verwonderd
over hetgeen de herders hun verhaalden.
Maria bewaarde al deze woorden in haar hart
en overwoog ze bij zichzelf.
De herders keerden terug,
terwijl zij God verheerlijkten
en loofden om alles wat zij
gehoord en gezien hadden.
Het was juist zoals hun gezegd was.
Toen de acht dagen voorbij waren
en men het Kind moest besnijden,
ontving Het de naam Jezus,
zoals Het door de engel was genoemd
voordat Het in de moederschoot werd ontvangen.

Homilie  

Het geboorteverhaal is een verhaal van horen en zien. "Kom, laten we naar Bethlehem gaan om te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons heeft bekend gemaakt” (Lc 2,15). Het hangt van horen en zien aan elkaar. Morgenochtend komt het horen, vannacht zal het door ons worden gezien. “Zij haastten zich erheen en vonden Maria en Jozef en het pasgeboren Kind, dat in een kribbe lag. Toen zij dit gezien hadden maakten zij bekend wat hun over dit Kind gezegd was.” Weer zien en horen. “De herders keerden terug, terwijl zij God verheerlijkten en loofden om alles wat zij gehoord en gezien hadden."

Dit 'zien' bepaalt de structuren van het menselijk leven en samenleven. Wat we zien en hoe we zien, maakt onze wereld, ons leven. Het zien en de manier van zien is levensbeslissend. Anders te kunnen zien maakt een andere wereld. Is niet de eerste trap van nederigheid je een andere wijze van zien aan te wennen? Jezelf zien in het licht van God en in het licht ook van het oordeel van jezelf, van je medemensen, van de hele wereld. En is het niet de grootste straf wanneer je niet gezien wordt, je niet in aanzien bent, ze geen aandacht voor je hebben? Niet gezien worden dat is het ergste wat een mens kan overkomen. 'De grootste vernedering', zegt Theresia, 'is niet dat je geminacht wordt, misprezen wordt, maar dat ze je helemaal niet zien', dat ze je overslaan, je vergeten. Vergeten dat je er bent, gewoonweg vergeten dat je bestaat.

Zo'n gevoel krijgen mensen wanneer ze nooit echt door iemand zijn gezien, zijn aangezien. Dat is eigenlijk niet om te overleven. Het zou wel eens kunnen zijn dat het lawaai dat de mensen vannacht maken en de lichteffecten die ze produceren, te maken hebben met te moeten leven in een wereld waarin er niemand is die je ziet, niemand die je aanspreekt, met zachte stem je naam noemt. Dodelijk als dat is, moeten ze dat als het ware overspelen, overschreeuwen, door veel lawaai en lichteffecten.

Paulus zegt, u heeft het in de tweede lezing kunnen horen, werp nu eens een andere blijk op jezelf, bekijk jezelf nu eens niet als een slaaf, maar als een zoon. En dan niet op de manier van de verloren zoon die bij zijn terugkeer tot zijn vader zei: "Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als een van uw dagloners" (Lc 15,18.19). Maar kijk naar het antwoord van de vader. Deze onthaalde hem niet met woorden maar met gebaren, hij wilde hem feestelijk aankleden als een zoon en niet als een dagloner. Je bent mijn kind, mijn bloedeigen kind. "Je bent dus niet langer slaaf, zegt Paulus, maar zoon; en als zoon ook erfgenaam, en wel door toedoen van God."
Ga jezelf anders zien, want God ziet je anders. Door de zonde zie je jezelf automatisch als schuldig, als afgewezen. Je leeft door de zonde onder een oordelende en veroordelende blik. Maar de Blijde Boodschap is nu juist dat God níet veroordeelt. God heeft medelijden! "Zijn vader zag (weer dat zien) hem al in de verte aankomen, en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk" (Lc 15,20).

Dit is de nieuwe wijze van zien door God na de zondeval. Vóór de zondeval heeft God de mens en heel de schepping ook gezien, aanschouwd, gecontempleerd; daarmee voltooide God zijn scheppingswerk. "God bekeek alles wat Hij gemaakt had en Hij zag dat het heel goed was" (Gen 1,31). God is zelf de eerste die de wereld met liefde heeft beschouwd en daardoor de wereld goed heeft gemaakt, beminnenswaardig, vanwege de liefde waarmee Hij het scheppingswerk aanzag. Dat was de glans die op het aangezicht van de Heer ligt. "Moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn!" (Num 6,25). Dat was de vreugde van de mens in het paradijs. Zijn grote geluk was door God met liefde te worden aangezien. En dat geluk verdween op slag toen hij zich na de zondeval voor God verborg, de aanblik van God niet meer kon verdragen. Dat was het moment dat hij de wereld en ook zichzelf anders zag. "Zij waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze voelden geen schaamte voor elkaar” (Gen 2,25), maar nadat zij, Eva, een vrucht van de verboden boom geplukt had, ervan at, en ook aan haar man die bij haar stond, te eten gaf, “gingen hun beiden de ogen open en ze ontdekten dat ze naakt waren" (Gen 3,7). Een ander gezicht, een andere wereld. Ze schaamden zich voor elkaar.

Na de zondeval, in de verlossing, leert God de mensen dat zij zich wel moeten schamen voor hun daden, maar er tevens op moeten vertrouwen dat God Zich niet schaamt voor hén. Hij schaamde Zich niet hun God, hun broeder genoemd te worden. Zó mogen wij onszelf zien, zoals de herders dat Kind zagen, heel klein, heel weerloos, maar in het licht van Gods barmhartige liefde, met naast dat Kind een liefdevolle, zorgzame, moeder.
Aan het eind van zijn leven zien we zo'n zelfde tafereel: een Mens hangend aan het kruis, doodbloedend uit liefde voor ons. Zie naar Hem die ze hebben doorboord. "Een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans en terstond kwam er bloed en water uit. Die het gezien heeft (weer dat zien, het is een getuigenis, het is een feit, geen gedachte, geen gevoel) getuigt hiervan; zijn getuigenis is waar en hij weet dat hij de waarheid zegt, opdat ook gij zoudt geloven, geloven met het hart in de barmhartige liefde van God. Dit is gebeurd opdat de Schrift zou worden vervuld: Ze zullen opzien naar Hem die ze hebben doorstoken" (Joh 19,34-38; vgl. Zach 12,10).

"Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte bleef in leven" (Nu 21,9). Wat is er dan te zien? En waardoor wordt onze wereld anders? Door welke manier van zien? Je ziet een klein, weerloos Kind, een onschuldig veroordeelde Man, terechtgesteld aan het kruis, maar als je daar doorheen kijkt zie je ook: wat een gelatenheid, wat een geduld, wat een eindeloos geduld, wat een eindeloos geduldige liefde. Met die barmhartige liefde wordt er naar ons gekeken. Zoals je gezien wordt, zo zie je zelf ook anderen.

Laat je door God bezien zoals Hij zijn Zoon zag: beladen met de zonden van de mensen, beladen met jouw zonden, hoe Hij geduldig je fouten, je zonden, draagt en verdraagt, hoe zacht en eindeloos geduldig, steeds opnieuw. Als je je zo door God laat bezien, zul je ook op een andere manier naar de fouten en gebreken van je medemensen kijken. Dan ontstaat er een nieuwe wereld. De oude wereld wordt nieuw door een nieuwe wijze van zien, door een nieuwe wijze van dragen. 'Gij zult het aanschijn der aarde vernieuwen', klinkt het in het gebed tot de heilige Geest. "Zo is dan die in Christus is een nieuwe schepping: het oude - de oude wijze van zien en van bekeken worden - is voorbij, het nieuwe is al gekomen. En dit alles komt van God. Hij heeft ons door Christus met Zich verzoend" (2 Kor 5,17.18).

Zo mogen wij er zeker van zijn dat wij inderdaad een nieuw jaar beleven, dat heel het jaar nieuw zal zijn door deze nieuwe, barmhartige wijze van zien en gezien worden.