Hoogfeest van de
Openbaring van de Heer
                                  Zondag 6 Januari 2008



Eerste lezing: Jesaja 60,1-6 [A34]; antwoordpsalm: Psalm 72,.7-8.10-11.12-13 [A 34];
Tweede lezing: Efeziërs 3,2-3a.5-6 [A 35]; vers voor het evangelie: Matteüs 2,2 [A 36];
Evangelie: Matteüs 2,1-12 [A 36]

De lezingen zijn gemeenschappelijk in de cycli A, B en C  


Inleiding      

Vandaag vieren we het feest dat in de volksmond 'Driekoningen' genoemd wordt. Maar in feite vieren we het feest van de Openbaring van de Heer, in het Grieks genaamd: 'Epifanie'. Het is de naam die de oosterse Kerk aan dit feest gegeven heeft, en de Kerk in het westen heeft die naam voor dit feest overgenomen. De 'Openbaring van de Heer', de 'Doop van de Heer' en de 'Bruiloft van Kana' zijn samen de drie Epifanie-gebeurtenissen waarin God zijn plechtige intocht houdt bij de mensen op aarde. 'Epifanie' of 'theofanie' waren gebeurtenissen bij de Grieken of de Romeinen waarin een godheid op aarde verscheen, of waarin een als godheid vereerde koning zich na zijn troonsbestijging liet inhuldigen in de diverse steden van zijn grote rijk. Het is de naam voor een plechtige inhuldiging van een nieuwe vorst. En dat is nu precies wat wij met Kerstmis willen doen: God niet alleen maar eer brengen in zijn vernedering, maar Hem ook eer brengen in zijn grootheid.
Wat gebeurt er als mensen bijvoorbeeld op een receptie komen om iemand Gelukkig Nieuwjaar te wensen, of te huldigen vanwege een succes, een overwinning, of naar een verjaardag komen, of naar een promotie? Dan kan het niet anders of iets van de eer van de geëerde straalt ook af op degenen die hem eer brengen. De mensen die in de rij staan voor de receptie, staan zelf even in het zonnetje van de geëerde jubilaris. Zo is het ook met mensen die hier aanbidding komen houden, die staan ook zelf ergens in het middelpunt, delen ook ergens in de eer van de geëerde Koning. Het ís ook een eer om hier aanbidding te mogen houden namens de hele gemeenschap, namens heel de Kerk. Maar de geëerde Heer is zelf een eerloze, een onteerde, een vernederde, door de mensen. Daarom beginnen we de eucharistie ook altijd met een acte van vernedering, dat wij zo hoogmoedig zijn, dat wij zelf in het middelpunt willen staan, eer willen ontvangen, nota bene als volgelingen van een Koning die alleen maar eer krijgt van God en oneer vanwege de mensen.
Belijden wij dan onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
                         
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Toen dan Jezus te Bethlehem in Juda geboren was
ten tijde van koning Herodes,
kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het Oosten en vroegen:
“Waar is de pasgeboren Koning der Joden?
Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien
en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen.”
Toen koning Herodes dit hoorde,
werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem.
Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen
en legde hun de vraag voor,
waar de Christus moest geboren worden.
Zij antwoordden hem: “Te Bethlehem in Juda.
Zo immers staat er geschreven bij de profeet:
En gij, Bethlehem, landstreek van Juda,
gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda,
want uit u zal een leidsman te voorschijn treden,
die herder zal zijn over mijn volk Israël.”
Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen
en vroeg hun nauwkeurig naar de tijd
waarop de ster verschenen was.
Daarop zond hij hen naar Bethlehem met de opdracht:
“Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar dat Kind,
en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan,
opdat ook ik het hulde kan gaan brengen.”
Na de koning aanhoord te hebben, vertrokken zij.
En zie, de ster die zij in het Oosten gezien hadden,
ging voor hen uit
totdat ze boven de plaats waar het Kind zich bevond,
stil bleef staan.
Op het zien van de ster werden zij vervuld
van overgrote vreugde.
Zij gingen het huis binnen,
zagen er het Kind met zijn moeder Maria
en op hun knieën neervallend betuigden zij Het hun hulde.
Zij haalden hun schatten te voorschijn
en boden Het geschenken aan: goud, wierook en mirre.
En in een droom van Godswege gewaarschuwd
niet meer naar Herodes terug te keren,
vertrokken zij langs een andere weg naar hun land.

Homilie      
                 
“Er kwamen Wijzen uit het Oosten."
Wat weet de geschiedenis van deze Wijzen? Niet veel, bijna niets, ook de geschiedenis van de heilige Schrift niet. Er is geen spoor van hen te bekennen, niet in de belofte van het Oude Testament, en wat wij van hen weten, staat geschreven op deze ene bladzijde van het Nieuwe Testament. Ze duiken op in deze perikoop en verdwijnen weer, zonder een spoor achter te laten. Zoals een opschietende ster aan de hemel er zonder aanduiding is en ineens ook weer weg is, terug valt in het duister, zo vallen ook deze Wijzen uit het Oosten weg uit onze menselijke aandacht. We weten niet eens precies met hoe velen ze waren. Er staat: "Wijzen uit het Oosten", onbepaald dus. Waren het er twee, vier of vijf? Ja maar, er waren toch drie koningen? Nee, er waren drie geschénken, en daaruit heeft men afgeleid, dat er drie koningen geweest moeten zijn. Niet koningen, maar wijzen. Die geschenken zagen er nogal koninklijk uit, en bovendien waren er in het weten van de mensen toentertijd drie werelddelen: Europa, Azië en Afrika. Amerika was nog niet ontdekt, Australië al helemaal niet. Achter elk werelddeel stak een koning, vandaar de drie koningen.

Maar als we al die toegevoegde informatie weglaten, dan valt op hoe weinig wij eigenlijk van hen weten. We kennen bijvoorbeeld hun vaderland niet. Ja, ze kwamen uit het Oosten, maar het land waarnaar ze terugkeerden, wordt niet vermeld. Er is maar één vast punt in hun leven en dat is de aanbidding van het Kind. "Ze gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij Het hun hulde." Het is zoiets als wat er op een bidprentje van een zuster van priorij Nazaret zou kunnen staan: 'Geen begin, geen einde, geen vaderland, alleen maar aanbiddingzuster.' De zusters weten waartoe zij geroepen zijn. Door de ster van hun geweten geleid, dáárheen gaan ze en daarbij blijven ze. Ze hebben geen ander thuis dan bij Hem. Bij Hem zijn ze thuis, deze thuislozen.
Zo geven zij een beeld van hoe het menselijk leven er uit moet zien. Het gaat er om dat je alles loslaat om Hem het enige vaste punt te laten zijn, je enige oriëntatiepunt, je ster, je kompas, dat je alles afmeet aan je verhouding tot Hem. Geen andere vaste punten willen hebben, alles kunnen loslaten wat je dierbaar is, zoals die Wijzen hebben gedaan, je overtuigingen, je bezittingen, ja, dat je het zelfs niet nodig vindt om je te verdedigen, of om argumenten te zoeken voor het geloof, of voor deze vorm van leven. Dat je denkt: laat maar.

Van waar dan toch die merkwaardige verontrusting bij Herodes en bij heel Jeruzalem? "Toen koning Herodes dit hoorde, werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem." Die verontrusting kwam daar vandaan, dat de Wijzen zich niet lieten inpassen in het geldende systeem, in de gangbare waarden; zij lieten zich niet onder de indruk brengen en kwámen niet onder de indruk van Herodes' menselijke grootheid: een paleis, schatten, gunsten. De koning werd verontrust omdat hij deze mensen niet kon inpassen in zijn systeem, hij kon ze niet manipuleren, hij kreeg geen greep op ze. Daarmee komt alles op losse schroeven te staan, niet alleen bij koning Herodes, niet alleen bij de vorsten der aarde, maar bij iedere mens, want elke mens heeft iets van een koning, niet alleen omdat hij is aangesteld door God om de schatten van de aarde, de schatten van de natuur, te beheren die aan hem zijn toevertrouwd, maar uiteindelijk heeft iedere mens toch zichzelf als eigendom toegeëigend, is iedere mens koning van zijn eigen koninkrijkje 'ik'.

Het feest van de Openbaring is dat koning 'ik' zijn kroon neerlegt voor Koning Jezus. Onze koning 'ik' is sinds de zondeval op de plaats gaan staan van God, die de eigenlijke Koning is. Om dat nu terug te draaien, om weer een onderdaan te worden van God, de eigenlijke Koning, dáárvoor verschijnt Jezus, de Zoon van God, als een kleine Koning, als een Kind. Wij moeten worden als kleine kinderen, die alles nog moeten ontvangen en die niets anders doen dan ontvangen; die nog niet zelf hun handje uitsteken om te grijpen, om te pakken of om te beheersen, om in de greep te krijgen, maar die hun handje alleen maar uitsteken om te ontvangen, om het naar zich toe te laten spelen uit vrije wil, zonder dwang. Daarin is dit kleine Kind een meester, of eigenlijk: een Koning!

Hoe gaat het Kind Jezus om met de vernederingen die Hem worden aangedaan? Hij ligt daar te stralen in zijn kribbe, vriendelijk glimlachend, met de armpjes wijd uitgestrekt, zoals op het kruis, open in situaties waarbij mensen alleen maar zouden dichtklappen, zouden dichtslaan. Hij wordt gebogen, maar niet gebroken, Hij is buigzaam, maar niet te breken, Hij is gekwetst, maar niet verbitterd, Hij is eenzaam, maar niet verpieterd, Hij is neergebogen, maar niet opstandig, geborgen als Hij is in Gods vaderhart. In zijn kleinheid haalt Hij daar zijn grootheid vandaan, niet één keer, maar elke keer weer opnieuw. Elke keer als Hij gebogen wordt, neergebogen, is het de Vader die Hem verheft, volgens de wet van zijn Koninkrijk: "Wie zichzelf vernedert, zal verheven worden" (Mt 23,12; vgl. Lc 14,11; 18,14).
Dat mogen wij dan nu in deze viering van de eucharistie ook doen: ons elke keer neerbuigen voor zijn grootheid in het klein zijn.