Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Openbaring des Heren


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Toen dan Jezus te Betlehem in Juda geboren was
ten tijde van koning Herodes,
2 kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het oosten
en vroegen:
"Waar is de pasgeboren koning der Joden?
Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien
en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen."
3 Toen koning Herodes dit hoorde,
werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem.
4 Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het
volk bijeen en legde hun de vraag voor,
waar de Christus moest geboren worden.
5 Zij antwoordden hem: "Te Betlehem in Juda.
Zo immers staat er geschreven bij de profeet:
6 En gij, Betlehem, landstreek van Juda,
gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van
Juda, want uit u zal een leidsman te voorschijn treden,
die herder zal zijn over mijn volk Israël."
7 Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen
en hij vroeg hun nauwkeurig naar de tijd
waarop de ster verschenen was.
8 Daarop zond hij hen naar Betlehem met de opdracht:
"Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar dat
Kind,
en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan,
opdat ook ik het hulde kan gaan brengen,"
9 Na de koning aanhoord te hebben vertrokken zij.
En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden,
ging voor hen uit totdat ze boven de plaats
waar het Kind zich bevond stil bleef staan.
10 Op het zien van de ster
werden zij vervuld van overgrote vreugde.
11 Zij gingen het huis binnen,
zagen het Kind met zijn moeder Maria
en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde.
Zij haalden hun schatten te voorschijn
en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre.
12 En in een droom van Godswege gewaarschuwd
niet meer naar Herodes terug te keren,
vertrokken zij langs een andere weg naar hun land.
Matteüs 2,1-12

Voor een ontmoeting met de pasgeboren Koning der Joden lieten de wijzen er alles voor in de steek: hun land, hun familie, hun vrienden, vrouw en kinderen. Dat moet ik nu ook doen: alleen willen zijn. Toch waren de wijzen niet echt alleen. Op hun tocht voelden zij zich geleid door een Ander: door de ster boven hen en door een aantrekking in hun hart. Zo word ook ik geleid: de gebedswenken zijn op dit ogenblik voor mij zoals de ster voor de wijzen. Maar die alleen volstaan niet. Ik word ook van binnen geleid. Om deze inwendige leiding op te merken is het nodig dat ik in mijzelf keer. Dat wil zeggen dat ik me niet laat afleiden door mensen en dingen om mij heen.

Een paar passen van de plaats ga ik staan en staande breng ik me de tegenwoordigheid van God te binnen: hier ben ik niet alleen. God ziet me. Hij ziet me graag. Hij houdt van me. Ik ontvang zijn liefde. Ik maak een gebaar van aanbidding, zoals de wijzen. Dan ga ik het gebed in.

Ik neem de houding van het gebed aan. Door een eerbiedige houding geef je uitdrukking aan je geloof, dat je bij God bent, in zijn heilige tegenwoordigheid. Hoe eerbiediger de houding, des te beter gaat het gebed.
Ook is het belangrijk, dat je zelf niet beweegt. Want alleen als het lichaam in rust is, kun je de inwendige bewegingen opmerken. Ook de wijzen voelden zo'n inwendige beweging: "Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde."
Dus niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen om zo te kunnen letten op de inwendige bewegingen.
Zo zou het in mijn leven moeten zijn: dat ik mij laat leiden door mijn geweten waar God Zelf mij beweegt tot instemming met de tekenen van zijn heilige wil. Zo kom ik ertoe een leven te leiden waarin al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Ik vraag dit nu aan Hem als een genade.

Nu haal ik in het kort de geschiedenis van dit evangelie voor de geest. Het is een geschiedenis van zoeken en vinden. Dat is ook mijn eigen geschiedenis:

  1. De wijzen komen van ver: uit het Oosten. Ook ik kan me soms ver van Hem verwijderd voelen.
  2. Vlakbij hun doel aangekomen, in Jeruzalem, raken ze verdwaald. Dan denken ze zelf te weten hoe het verder moet in plaats van zich door de ster te laten leiden. Ze meenden de ster niet meer nodig te hebben. Zij lieten zich leiden door het grote van de mensen.
    Ook ik ben wel eens op de verkeerde weg terecht gekomen door onder de indruk te raken van het grote, het geweldige van anderen.
  3. Maar de echte Koning hebben zij gevonden in het kleine stadje Betlehem door de leiding van de ster te volgen.

Heb ook ik de weg niet teruggevonden door mijn eigenzinnigheid op te geven en door trouw te zijn aan de inspraken van mijn geweten?

Ik stel me de plaatsen voor ogen waar dit geschiedde: het verre land, de weg onder de heldere nachten, de grote stad met het paleis, het kleine stadje Betlehem.

Je hebt Jezus Christus nodig om niet verdwaald te raken op je levensweg. Hij is de enige, echt betrouwbare Gids. Zou ik Hem niet beter willen leren kennen? Ik kan dat nu vragen als een genade.

Nu ga ik de personen na. Dit verhaal van de zogenaamde "drie koningen" gaat in feite over twee koningen: "koning Herodes" en Koning Jezus. Koning Herodes leeft ook nu nog, maar in andere gedaante: de mode-koningen, de koningen van de publieke opinie, de koningen in de groep wier haan voortdurend koning kraait en ... mijn eigen koning IK.
Jezus is ook Koning. Maar Hij regeert in nederigheid en zachtmoedigheid. Hij is een Koning in nederigheid.

Ik kan ook eens nagaan wat ze zeggen of wat ze gezegd zouden kunnen hebben. Tenslotte ga ik na wat ze doen: zich losmaken van thuis, reizen, onder de indruk komen van de grootheid van de mensen in Jeruzalem, zich bedreigd voelen (Herodes), zich verheugen, vinden, aanbidden, geschenken geven en langs een andere weg terug, d.w.z. de bekoring vermijden.

Aan het eind niet meteen ophouden, maar in kleine gesprekjes een soort afscheidswoordje richten tot de wijzen, tot Maria en Jozef, tot Jezus. Aan Jezus vragen of Hij me bij de Vader wil brengen. Eindigen met een Onze Vader.

Nu in een wat andere houding, zodat ik wat kan schrijven, de vragen van de reflexie beantwoorden:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Dan weet ik waar voor mij het Oosten ligt of waar voor mij Jeruzalem ligt, waar ik mij teveel onder de indruk laat brengen van de grootheid van anderen of van eigen ideeën en gevoelens.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Welk woord of welke gedachte is voor mij zoiets als een ster geweest?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Zoals bij de wijzen: "Zij betuigden het Kind hun hulde en boden Het geschenken aan." Ze liepen over van dankbaarheid.