Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
Na de sabbat,
bij het aanbreken van de eerste dag van de week kwamen
Maria Magdalena en de andere Maria naar het graf kijken.
Plotseling ontstond er een hevige aardbeving
en een engel van de Heer daalde uit de hemel,
kwam naderbij, rolde de steen weg
en zette zich daarop neer.
Hij straalde als een bliksemschicht
en zijn kleed was wit als sneeuw.
De bewakers begonnen van schrik voor hem te beven
en het leven scheen uit hen geweken.
De engel sprak de vrouwen aan en zei:
Ge hoeft niet bevreesd te zijn,
ik weet dat gij Jezus zoekt, de Gekruisigde.
Hij is niet hier, Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft;
komt zien naar de plaats waar Hij gelegen heeft.
Gaat nu terstond aan zijn leerlingen zeggen:
Hij is verrezen uit de doden,
en nu gaat Hij u voor naar Galilea; daar zult ge Hem zien.
Dat had ik u te zeggen.
Terstond gingen zij weg van het graf,
met vrees en grote vreugde,
en zij haastten zich het nieuws
aan de leerlingen over te brengen.
En zie, Jezus kwam hen tegemoet en zei:
Weest gegroet.
Zij traden op Hem toe, omklemden zijn voeten
en aanbaden Hem.
Toen sprak Jezus tot hen:
Weest niet bevreesd.
Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen
dat zij naar Galilea moeten gaan en daar zullen zij Mij zien.
Homilie
Gij weet toch
dat Christus is opgewekt uit de doden door de macht van zijn Vader." Door de macht van zijn Vader? Dus Hij deed het niet zelf? Wat is Jezus toch passief! Passief in zijn lijden, maar ook passief in zijn hemelse leven, in zijn opwekking. Dat leven, dat nieuwe leven van de Heer, daarvan zegt sint Paulus in diezelfde lezing dat het een leven is "dat alleen met God van doen heeft." Het is dus niet een leven zoals wij mensen dat kennen, een leven getekend door de zonde, "dienstbaar aan de zonde", zoals Paulus dat noemt, of laten we zeggen: aan de zelfzucht, aan de 'ikzucht', de zucht van het ik om gediend te worden en om te heersen, om de grootste te zijn. Nee, Jezus is klein. Hij is heel klein in de verrijzenis. Trouwens, dat moet ook wel, want als Hij Zichzelf uit het graf had opgewekt, zou Hij toch niet helemaal krachteloos geweest zijn. Hij zou een geheim wapen achter de hand gehad hebben, het wapen van de onsterfelijkheid, en dat zou Hij dan in zijn graf hebben meegenomen. Maar dan zou Hij niet helemaal onder de doden geweest zijn, dan zou Hij eigenlijk alleen maar schijndood geweest zijn.
In de daad van de opwekking was Jezus passief, zoals Hij ook passief was in heel zijn leven, in heel zijn verrijzenisleven. In plaats van passief, gebruiken wij liever de woorden: nederig, zachtmoedig. Jezus is een nederige overwinnaar. Verbaast het u nooit hoe stil deze overwinnaar overwint? Hij viert geen triomfen, er is geen overwinningsmuziek, geen parade, het is geen gebeuren waar je niet langs kunt, zoals bijvoorbeeld de bevrijdingsdag van ons volk, toen het na jarenlange oorlog eindelijk de bevrijding beleefde. Er was toen in het hele land geen plek waar die bevrijding niet over je heen golfde, je kon je er gewoonweg niet aan onttrekken.
Hoe is dat nu met de bevrijding van de wereld, van de zonde, door God? Dat gaat zomaar aan ons voorbij. We zouden ook kunnen zeggen dat die overwinning zo groot is, zo onvoorstelbaar groot, dat het niet meer in gebaren of rituelen of voorstellingen weer te geven of uit te drukken is. Dat andere leven, dat Hij hier op aarde gebracht heeft, is namelijk een leven dat alleen met God van doen heeft. En God ís onvoorstelbaar. Men kan zich van Hem geen voorstelling maken. Ja, we hebben wel voorstellingen en symbolen, die hebben we de afgelopen nacht gevierd: vuur, licht, de paaszang, het alleluja, en bovenal het Lam, zijn zachtmoedigheid ten einde toe. 'Zie het Lam Gods', hebben we zo-even nog gezongen, in het Latijn: 'Dominus Deus, Agnus Dei, Filius Patris.' Het woord is hét uitdrukkingsmiddel, hét openbaringsmiddel, hét communicatiemiddel van God bij uitstek. Wat is het woord niet licht en luchtig!
Als Hij Zich in het nieuwe leven laat zien, is dat zo menselijk en zo groot. Jezus kwam de vrouwen tegemoet en zei: "Weest gegroet." Vindt u nu dat dat menselijk klinkt? Stel je voor dat u elkaar begroet met 'wees gegroet.' Dan denk je toch: 'ben je aan het bidden of zo?' Maar dat is zijn manier om gewoon 'dag' te zeggen, 'Dag, Maria Magdalena, dag Maria.' En door dat heel gewone, door heel zijn menselijke, alledaagse gestalte heen, had Hij een voorkomen zo prachtig, dat die vrouwen zich meteen op de grond wierpen in een gebaar van aanbidding. "Zij traden op Hem toe, omklemden zijn voeten en aanbaden Hem. Mens en God. Goddelijke uitstraling en goddelijke geruststelling. Toen sprak Jezus tot hen: Weest niet bevreesd." Kijk, weer zo'n woord dat wij niet gebruiken. Wij zeggen: Wees maar niet bang. Maar Hij bedoelt hiermee te zeggen: rustig maar, wees maar gerust. Ik ben het maar.
Maar ze hebben Hem toch allemaal in de steek gelaten!? Hoe denkt Hij daar dan over? Nu, daar heeft Jezus wel aan gedacht. Na eerst de vrouwen gerust gesteld te hebben, begon Hij zijn leerlingen gerust te stellen: "Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen
Wat zegt Jezus daar? Gaat aan mijn broeders
" Aan mijn broeders? Zijn zij, ondanks dat ze Hem in de steek gelaten hebben, toch nog zijn broeders? Zijn zij die eretitel nog waardig? Die eretitel die Hij hun gegeven had toen zijn moeder Maria met zijn broeders bij Hem kwamen en Hem wilden spreken. Toen heeft Hij gezegd: 'willen jullie Mij spreken?' "Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders? En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij: zie daar mijn moeder en mijn broeders" (Mt 12,47-49) 'Zíj komen bij Mij op de eerste plaats. Zíj komen op de plaats van de familie. Niet mijn moeder en mijn broeders in Nazaret komen op de eerste plaats, maar zij die hier bij Mij zitten en luisteren naar het woord van God. Toen waren het mijn broeders, en ook nu nog zijn het mijn broeders.' Het zijn broeders van de verrezen Heer.
Dat is toch al te gek, een broeder te mogen zijn van Hem voor wie de vrouwen zich zo-even nog in het stof wierpen! Een broeder te mogen zijn van de Heer, die een engel als een bode heeft. En dat niet alleen, Hij maakt ook nog een afspraak door te zeggen dat zij naar Galilea moeten gaan en dat zij Hem daar zullen zien. Zien? Eigenlijk staat er een ander woord: ontmoeten. Ze zullen een ontmoeting hebben in Galilea. In Galilea? Dus weg van hier? Weg uit Jeruzalem in Judea; weg uit dat harde, stugge land met zijn deftige bevolking, die zo goed onderlegd is, maar o zo vormelijk, zo afstandelijk is en die het allemaal zo goed weet.
Ja, het is goed om in Judea, in Jeruzalem, Pasen te vieren, vooral tussen landgenoten, Galileeërs, net als zij, uit dezelfde streek, met wie ze gewoon plat konden praten. Maar als dat feest voorbij is, gaan ze snel weer terug naar Galilea. Ze hebben een afspraakje met Hem, niet hier, in Jeruzalem, maar in Galilea, in hun eigen streek, in hun eigen taal, met hun eigen gewoonten en vooral te midden van die oude herinneringen, waar ze geroepen waren, waar Jezus' woord klonk en Hij genezingen verrichtte. Dáár gaan ze weer naar terug.
En wat doet Jezus met zijn vijanden? Hij valt ze niet aan. Hij spreekt ze niet tegen, Hij overtroeft ze niet met tekenen uit de hemel. Hij had hun alle hoeken van de kamer kunnen laten zien; Hij had hun kunnen trakteren op straffen van allerlei soort. Maar niets van dat alles. Hij geeft ze zelfs nog een kans om van vijand vriend te worden. Jezus is alleen maar deemoed en zachtmoedigheid, die steeds weer terugkerende tekenen van zijn Godheid. Hij is nederigheid ten einde toe. Hij is liefde tot het uiterste toe. Is er het uiterste van kwaadwilligheid? Een nog groter uiterste van zachtmoedigheid, van geduld, van vergeving is Hij!
Dat is het nieuwe leven dat Hij is komen brengen. Het is eerst in Hem zelf doorgebroken en daarna heeft Hij het aan zijn leerlingen, aan zijn Kerk doorgegeven. Hij heeft het doorgegeven aan ons in het heilig Doopsel, een nieuwe Geest, een nieuw hart hebben wij ontvangen, om het van daaruit, vanuit het diepste van ons wezen te laten doordringen in héél ons leven, héél onze psyche, onze houding, onze woorden, onze gedachten, onze manier van omgaan, zodat het aanstekelijk werkt als nieuw leven voor een nieuw volk, voor een nieuwe wereld, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Slotwoord
Pasen is: doorgang, voorbijgang, er doorheen. Door de slavernij, door de Rode Zee, door de woestijn, door de ballingschap, door al die situaties waarin de mens krachten tekort komt, aan zijn zwakheid is overgeleverd. En dat gaat maar door: door de nacht, deze nacht, door de woestijn van het leven, door de onherbergzaamheid, door het menselijk tekort, door je zwakten. Ga er doorheen met zijn kracht. Hij gaat voor u uit. Hij gaat u voor en Hij trekt u er doorheen. Dat is Pasen! Dat is de Paaswens van de Kerk en dat wens ik u van harte toe: dat Hij u er doorheen mag halen. Dat wil ik nu met een plechtige zegen bezegelen.