Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 1 | bij het aanbreken van de eerste dag der week kwamen Maria Magdalena en de andere Maria naar het graf kijken. |
| 2 | en een engel van de Heer daalde uit de hemel, kwam naderbij, rolde de steen weg en zette zich daarop neer. |
| 3 | en zijn kleed was wit als sneeuw. |
| 4 | en het leven scheen uit hen geweken. |
| 5 | "Gij behoeft niet bevreesd te zijn; ik weet dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. |
| 6 | Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft; komt zien naar de plaats waar Hij gelegen heeft. |
| 7 | Hij is verrezen van de doden, en nu gaat Hij u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien. Dat had ik u te zeggen." |
| 8 | met vrees en grote vreugde, en zij haastten zich het nieuws aan zijn leerlingen over te brengen. |
| 9 | "Weest gegroet." Zij traden op Hem toe, omklemden zijn voeten en aanbaden Hem. |
| 10 | Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen dat zij naar Galilea moeten gaan en daar zullen zij Mij zien." |
| Matteüs 28, 1-10 |
Bidden is een verrijzenisgebeuren in het klein: het is even onzichtbaar als de verrijzenis; God heeft er het initiatief. Dus de beste voorbereiding is de geest wat te laten rusten bij Hem. Ik hoef daarbij niets te voelen, te denken of me voor te stellen. In mijn geest mag de stilte heersen van het graf. Als het maar een verwachtingsvolle stilte is: "Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw."
Een paar passen vóór de plaats van het gebed breng ik me zijn tegenwoordigheid te binnen, zien hoe Hij me ziet, hoe ik zelfs in de dood nog binnen het machtsbereik van zijn liefde blijf: "al daal ik in het dodenrijk: Gij zijt aanwezig" (Ps 139). Ik maak een gebaar van eerbied zoals de vrouwen toen ze Jezus zagen: "Zij traden op Hem toe, omklemden zijn voeten en aanbaden Hem."
Dan neem ik de houding van het gebed aan, liggend, zittend of geknield, zo min mogelijk bewegen, zodat ik erop kan letten hoe Hij als teken van zijn nieuwe leven zich in mij beweegt. Hij zal mij eerder tekenen van zijn nieuwe leven schenken, wanneer ik niet alleen de tijd van het gebed, maar heel mijn leven in zijn dienst wil stellen. Terecht verscheen Jezus ook het eerste aan de vrouwen. Zij waren Hem trouw gebleven tot onder het kruis. Die algehele toewijding in zijn dienst kan ik vragen als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
De geschiedenis: de verrijzenis zelf is niet te zien, want
deze behoort tot de wereld van God en "niemand heeft ooit God
gezien" (Joh 1,18). Er zijn wel tekenen van de verrijzenis: het
lege graf, aardbeving, engelverschijning met goddelijke
attributen: stralend als een bliksemschicht, sneeuwwit kleed,
vreesverwekkend. Van die tekenen van de verrijzenis zijn de
vrouwen de boodschappers. Zij krijgen ook een opdracht: het
blijde nieuws aan de leerlingen te verkondigen en hun een plaats
aan te wijzen voor een ontmoeting: Galilea. Onderweg naar de
leerlingen krijgen zij een verschijning van Jezus zelf.
De verrijzenis van Jezus maakt geschiedenis in de verrijzenis van
leerlingen uit de grafsituaties tijdens hun aardse levensloop. Ik
doe er goed aan mij een grafsituatie uit mijn eigen leven voor de
geest te roepen waaruit God mij heeft opgewekt.
Het heil van God kan pas helemaal in mij geschieden, wanneer ik
mij de plaats voor ogen stel, zodat ik het als het ware
voor mijn ogen zie gebeuren: het nieuwe graf in de rots
uitgehouwen, in een tuin met bloemen en planten in lente-achtige
tooi.
Christus leeft in mij. Dat is onder andere te merken aan het verlangen om te groeien in deelname aan zijn nieuwe leven. Ik kan dat vragen als de bijzondere genade: dat ik blij mag zijn, omdat Christus blij is. Zo'n blijdschap kan niet verloren gaan, omdat het motief van mijn blijdschap nooit meer verloren kan gaan: "Christus, eenmaal van de doden verrezen, sterft niet meer" (Rom 6,9).
Na de sabbat bij het aanbreken van de eerste dag der
week...
Geruisloos heeft de joodse sabbat plaats gemaakt voor de christelijke zondag. Geruisloos voor ons, maar niet voor Jezus. Hij heeft zich moeten laten losgraven uit de joodse bodem waarin Hij verworteld zat. De liefde waarmee Jezus dat voor ons heeft laten doen, maakt de bijzondere sfeer uit van de zondag. Wij vieren dan de liefde van Jezus die zijn leven gaf voor zijn broeders. Zijn liefde maakt de oude schepping nieuw. In dit evangelie maken wij mee hoe mensen de eerste stap zetten van de oude schepping in de nieuwe. Het begon met mensen in een grafstemming.
...kwamen Maria Magdalena en de andere Maria naar het
graf kijken.
De vertegenwoordigers van de oude schepping: vrouwen, in kerk en
maatschappij van de oude wereld niet in tel, maar in de nieuwe
schepping uitverkoren om als eersten boodschappers te zijn van de
verrijzenis. In de oude schepping zonder enige functie. In de
nieuwe scheppingsorde gewaardeerd om haar vermogen om liefde te
ontvangen en terug te geven. Het was hun verering en hun
persoonlijke liefde voor Jezus die hen naar het graf dreef. Om er
wat te doen? Alleen maar om "te kijken". Dat gratuïte "kijken"
is de kern van de christelijke contemplatie. Het is kijken met
het hart, liefdevol kijken, genietend kijken.
Eén van de beide vrouwen heette Maria Magdalena "uit wie Hij
zeven duivels had uitgedreven" (Mc 16,9). Haar aanwezigheid op de
prille paasmorgen daar bij het graf verklaart de inzet van Jezus'
bevrijdingsactie:
"om zijn volk de redding te doen kennen, de vergiffenis van hun zonden, dank zij de milde erbarming van onze God, waarmee Hij, gelijk de opgaande zon aan de hemel, neerzag op ons en verscheen aan hen die in het duister en de schaduw des doods zijn gezeten" (Lc 1,77-79).
Plotseling ontstond er een hevige aardbeving en een
engel van de Heer daalde uit de hemel, kwam naderbij, rolde de
steen weg en zette zich daarop neer. Hij straalde als een
bliksemschicht en zijn kleed was wit als sneeuw. De bewakers
begonnen van schrik voor hem te beven en het leven scheen uit hen
geweken.
Als teken van het aanbreken van de nieuwe wereld moeten de krachten van de oude wereld worden geschokt. Dat geldt ook voor elke mens afzonderlijk: "Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden" (16,25). Alleen door de nauwe poort van de dood kom ik tot het nieuwe leven. Aardbeving zal bij het einde van de tijden de overgang begeleiden naar de nieuwe wereld: "er zal hongersnood zijn, pest en aardbeving" (24,7); aardbeving begeleidde Jezus' eigen einde: "En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën, de aarde beefde en de rotsen spleten" (27,51). In de ontmoeting met God is het eerste wat de mens meemaakt, dat hij als het ware uit zijn voegen wordt gelicht. De bodem onder zijn bestaan valt weg. Alles waaraan hij zich buiten God heeft vastgegrepen, blijkt bij de nadering van God ijdel te zijn. Dat roept vrees op. Maar als de mens zich ervoor openstelt, wordt hij op een nieuwe manier aan zichzelf teruggeschonken. Dat geeft een geruststelling en een vrede zoals alleen God die geven kan: "Gij behoeft niet bevreesd te zijn... Weest niet bevreesd." Dat is de vrede van Pasen: een vrede van de andere kant van de dood.
De engel sprak de vrouwen aan en zei: "Gij behoeft
niet bevreesd te zijn; ik weet dat gij Jezus zoekt, de
gekruisigde. Hij is niet hier, Hij is verrezen zoals Hij gezegd
heeft; komt zien naar de plaats waar Hij gelegen heeft. Gaat nu
terstond aan zijn leerlingen zeggen: Hij is verrezen van de
doden, en nu gaat Hij u voor naar Galilea; daar zult gij Hem
zien. Dat had ik u te zeggen."
Het lege graf is geen bewijs. Het is een teken. Tekens moeten
geduid worden. Omdat het een teken is en geen bewijs, is er ook
een andere interpretatie mogelijk, bijvoorbeeld: "Zijn
leerlingen zijn Hem in de nacht komen stelen" (28,13). Voor de
goede duiding van het teken van het lege graf is er een hemelse
boodschapper nodig: De Jezus die gij zoekt, de Jezus van jullie
mensendromen, "Hij is niet hier", Hij laat zich niet hier vinden.
De Jezus van ónze verwachtingen, dat moeten wij gelovig weten:
Hij is er niet, Hij is niet hier, niet van hier en niet van alles
wat wij maar zouden kunnen bedenken. Hij gaat voor ons uit. Hij
is steeds vooruit, steeds anders, steeds groter. We moeten Hem
niet inperken in wat wij denken dat leven, bidden en werken is.
Dit evangelie nodigt ons uit tot een paasbekering: God niet
willen vasthouden, God God laten zijn.
Terstond gingen zij weg van het graf, met vrees en
grote vreugde, en zij haastten zich het nieuws aan zijn
leerlingen over te brengen.
Matteüs vermeldt als reactie bij de vrouwen niet alleen vrees, maar ook vreugde: "met vrees en grote vreugde." Nadat zij het spoor van de pasgeboren Koning van de Joden waren bijster geraakt, werden ook de wijzen "vervuld van overgrote vreugde, toen zij de ster zagen" (2,10). Dezelfde vreugde vervult ook de vrouwen, nadat zij Jezus waren kwijtgeraakt in de duisternis van zijn lijden en dood. Het is de hemelse beloning voor de eerlijke vinder van de goddelijke schat in de akker van de wereld: "en in zijn blijdschap ging hij alles te gelde maken wat hij bezat en kocht die akker" (13,44).
En zie, Jezus kwam hen tegemoet en zei: "Weest
gegroet." Zij traden op Hem toe, omklemden zijn voeten en aanbaden
Hem.
Wat een verschil tussen Jezus vóór zijn lijden en dood en na zijn verrijzenis! Eerst straalde Jezus zijn goddelijkheid alleen uit bij wonderen en bij bijzondere gelegenheden. Maar nu straalt Jezus bij voortduring zijn goddelijkheid uit. Ik kan mij aansluiten bij de hartelijke aanbidding van de vrouwen.
Toen sprak Jezus tot hen: "Weest niet bevreesd. Gaat
aan mijn broeders de boodschap brengen dat zij naar Galilea
moeten gaan, en daar zullen zij Mij zien."
Jezus noemt zijn leerlingen "broeders", "mijn broeders". Ze
hadden hem verloochend, verraden, in de steek gelaten. Blijkbaar
is voor Jezus alles vergeven en vergeten. Hij begint opnieuw met
ze. Galilea is het ideale terrein voor het nieuwe begin. Want met
die landstreek heeft Jezus zich vereenzelvigd: "Jezus uit Nazaret
van Galilea" (21,11). Daar heeft Hij zijn leerlingen geworven. In
Judea voelen zij zich niet thuis. Niets liever doen zij dan
terugkeren naar Galilea. Dat is hun geboortegrond. Dat is ook de
grond van de geboorte van hun roeping en hun eerste belevenissen
met Jezus.
Met pasen mag ik helemaal opnieuw beginnen: "Al het oude is
voorbij... Hij die op de troon is gezeten, sprak: Zie, Ik maak
alles nieuw" (Apoc 21,4-5).
Aan het einde kan ik gesprekjes voeren met de personen die in dit evangelie voorkwamen: met Maria Magdalena, met de engel, met Jezus, eerbiedig en vertrouwvol. Dan zal ik mijn hart uitstorten bij de Vader die ook aan mij het nieuwe leven heeft geschonken. Want Jezus noemt ons zijn broeders: "gaat aan mijn broeders de boodschap brengen." Een Onze Vader bidden, langzaam en eerbiedig.
Dan een terugblik houden aan de hand van de reflexie-vragen die mij helpen de geesten te onderscheiden: