Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Paaswake


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Op de eerste dag van de week
gingen de vrouwen zeer vroeg in de morgen naar het
graf, met de welriekende kruiden die zij klaar gemaakt
hadden.
2 Zij vonden de steen weggerold van het graf,
3 gingen er binnen
maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet.
4 Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken,
stonden er plotseling twee mannen voor hen
in een stralend wit kleed.
5 Toen zij van schrik bevangen het hoofd
naar de grond bogen,
vroegen de mannen haar:
"Waarom zoekt ge de levende onder de doden?
6 Hij is niet hier, Hij is verrezen.
Herinnert u hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft:
7 De Mensenzoon moet overgeleverd worden
in zondige mensenhanden
en Hij moet aan het kruis worden geslagen,
maar op de derde dag zal Hij verrijzen."
8 Zij herinnerden zich zijn woorden,
9 ze keerden van het graf terug
en brachten dit alles over aan de elf
en aan al de anderen.
10 Het waren Maria Magdalena,
Johanna en Maria, de moeder van Jakobus;
de andere vrouwen die met hen waren
vertelden aan de apostelen hetzelfde.
11 Maar dat verhaal leek de apostelen beuzelpraat
en zij geloofden hen niet.
12 Toch liep Petrus ijlings naar het graf;
hij bukte zich voorover maar zag alleen de zwachtels.
Daarop ging hij terug,
verbaasd nadenkend over hetgeen er gebeurd was.
Lucas 24,1-12

Beginnen met de geest te laten rusten bij Hem. Het mag in mijn geest zo doods zijn als in een graf, God weet er nieuw leven uit op te wekken. Als ik maar alles verwacht van Hem. Alles? Ja, het onmogelijke. Want voor God is alles mogelijk. Zelfs nieuw leven uit de dood.

Bij de plaats van het gebed blijf ik een ogenblik staan om me te doordringen van Gods tegenwoordigheid. Hij is zelfs in de dood, in het graf, in het on-leven, het anti-leven. "Midden in de dood..." "Of wij leven of sterven, Hem behoren wij toe" (Rom 14,8).
Voor de levende God maak ik een gebaar van eerbied, bijvoorbeeld "het hoofd gebogen naar de grond", zoals de vrouwen in het graf.

Ik neem de houding van het gebed aan, een houding die mij helpt om het besef van Gods tegenwoordigheid levendig te houden: een houding van openheid en ontvankelijkheid voor het nieuwe leven van de Geest.
In deze houding vraag ik om de genade dat ik mij in mijn leven mag laten leiden niet door de geest van zelfzucht ("dan zult gij zeker sterven" Rom. 8, 12), maar door de Geest van Jezus, de Geest van zelfloze liefde: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

In vogelvlucht overzie ik de geschiedenis van dit geheim: vrouwen in een grafstemming verwachten een lijk aan te treffen. Binnen in het graf stoten zij op boodschappers van Godswege met een ongelooflijke boodschap: Jezus die ze zochten onder de doden, is de Levende. En al wat er met Hem gebeurd is en volgens menselijke overwegingen niet moest gebeuren, moest gebeuren overeenkomstig Gods geheime plan. De ongelooflijke boodschap wordt door de vrouwen aan de apostelen overgebracht. Deze reageren met ongeloof.
Zien hoe de geschiedenis doorgaat tot op de dag van vandaag: "per crucem ad lucem", door het kruis naar het leven en hoe dit plan van God in mij op ongeloof stuit.

Een concrete voorstelling van de plaats helpt mij met mijn gedachten niet te gaan zweven of afdwalen: het graf van Jezus onder de stralen van een vroege zon; de graven van mijn dierbaren die mij voorgingen en de grafsituaties in mijn eigen leven, vastgelopen verhoudingen, mensen die zich van mij afkeerden, heilloze ontwikkelingen in kerk en maatschappij.

Vragen om de bijzondere genade van dit geheim te mogen ontvangen: een intense vreugde en blijheid om de zo grote blijdschap van Christus onze Heer, een blijdschap omwille van de verrezen Heer, die stand kan houden in droefmakende omstandigheden.

 
"... gingen de vrouwen... naar het graf... Zij vonden de steen weggerold van het graf... zij gingen er binnen... ze keerden van het graf terug... Toch liep Petrus ijlings naar het graf..."

De opwekking begint bij het graf. Ik hoef bij het begin van het gebed dus helemaal niet opgewekt te zijn. De kunst van het gebed is: zich te laten opwekken. Dat is fundamenteel voor ons geloof: de oudste geloofsbelijdenis zegt: "In de eerste plaats dan heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus is gestorven voor onze zonden, volgens de Schriften, dat Hij begraven is, en dat Hij is opgewekt op de derde dag volgens de Schriften, en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de Twaalf" (1 Kor 15,3-5). De begrafenis bevestigt, dat Hij dood was, zoals de verschijningen bevestigen dat Hij is opgewekt.
Dit is een goede aanleiding om me de situaties bewust te maken waarmee mijn natuur geen weg heeft geweten, waarover ik de dood in heb gehad of nog heb, waardoor ik me voel als: doodeenzaam, doodarm of doodongelukkig, méér dood dan levend of me doodschamend.

 
"Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken, stonden er plotseling twee mannen voor hen in een stralend wit kleed. Toen zij van schrik bevangen het hoofd naar de grond bogen, vroegen de mannen haar: Waarom zoekt ge de levende onder de doden? Hij is hier niet, Hij is verrezen."

Vanuit het graf waaruit alle leven geweken is, waar alle menselijke hoop vervlogen is, klinkt er een boodschap van engelen, dat wil zeggen van Godswege, een ongelooflijke boodschap: God heeft Jezus uit de dood opgewekt. Met andere woorden: God is bij de mensen of ze levend of dood zijn. Door de mensen verworpen, door God aangenomen. Want het leven dat Jezus nu heeft aangenomen, heeft alleen met God van doen. De verrijzenis is dan ook helemaal het werk van de Vader die uit de onvruchtbare schoot van de dood nieuw leven voortbrengt. Want "voor God is niets onmogelijk" (Lc 1,37; Gen 18,14 over Sara). Geloof ik dit? Dan geloof ik pas echt.
Als Jezus bij de opwekking dan helemaal passief was, helemaal zwak en de Vader alles deed, dan hoeven ook wij niet sterk te zijn, maar evenals Jezus onze zwakheid ten dode toe te aanvaarden in gelovig vertrouwen op de kracht van de Vader.

 
"Herinnert u hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft: De Mensenzoon moet overgeleverd worden in zondige mensenhanden en Hij moet aan het kruis worden geslagen."

Dit 'moeten' is niet het moeten van de natuur. Het gaat zelfs tegen de natuur in. Het druist rechtstreeks in tegen de menselijke overwegingen die zijn afgestemd op de menselijke natuur. Dit 'moeten' is een geheimvol moeten dat Jezus tot levenswet is geweest. Geen dwangmatig moeten, maar een moeten van binnenuit, waar Hij zijn wezen ontvangt van de Vader en dus helemaal zichzelf is. Wie leeft uit dit moeten, voor hem kan alles wat hij moet vanwege de machten van natuur en geschiedenis, tot een appèl worden van Godswege. Kan ik op deze wijze datgene opnieuw beleven waarover ik de dood in heb?

Als er tijdens het gebed een nieuwe innigheid gegroeid is, dan is het zaak om ervoor te waken, dat deze aan het einde niet vervliegt. Evenals het begin van het gebed dient het einde ervan met een bijzondere zorg en attentie te worden omgeven. De beste manier om te eindigen is het houden van gesprekjes. Want in het persoonlijke contact word ik gedwongen met mijn hart te leven. Ik ga even de personen langs die tijdens de overweging een rol hebben gespeeld: de vrouwen, de engelen, Jezus op aardse wijze afwezig en op hemelse, geestelijke manier aanwezig. Tenslotte met de Vader van Jezus. Hij was ook in het graf aanwezig om zijn geliefde Zoon uit de dood wakker te kussen. Langzaam en eerbiedig een Onze Vader bidden.

De overgang naar het leven buiten het gebed verloopt nog het beste, wanneer ik me nog eens tot het gebed wend, maar dan vanuit een zekere afstand om me af te vragen hoe het gegaan is. Aan de hand van de volgende vragen:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Verstrooiingen gaan over die sectoren van mijn leven die nog niet door het graf zijn heengegaan, waar ik nog niet aan mijzelf ben afgestorven en een nog zuiver natuurlijk (vitaal) leven leid, of waar ik frustraties van het natuurlijke leven nog niet gedragen heb in vereniging met Jezus.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar ben ik opnieuw door de dood heen gegaan doordat ik midden in mijn ellende contact heb gehad met Hem?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Het echte leven laat zich niet binnen de kaders van voorgenomen tijden opsluiten. Ook het nieuwe leven met Jezus niet. Kan ik daar iets van merken in mijn eigen ervaring bij voorbeeld doordat er een gevoel voor Hem in me achterblijft of na het gebed naar boven komt?