Eerste lezing: Handelingen 10,34a.37-43 [B 77]; antwoordpsalm: Psalm 118,1-2.16ab-17.22-23 [B 77];
tweede lezing: Kolossenzen 3,1-4 [B 78a]; vers voor het evangelie: 1 Korintiërs 5,7b-8a [B 79]
Evangelie: Johannes 20,1-9 [B 79a]
De lezingen zijn gemeenschappelijk in de cycli van de jaren A,B en C
Inleiding
'Resurrexi, et adhuc tecum sum.' 'Verrezen ben Ik en nog altijd ben Ik bij u.' Is dat te beleven? Jezus niet in het graf, maar opgestaan uit het graf, zittend aan de rechterhand van de Vader, de krachtige hand van de Vader, en van daaruit met zijn hemelse kracht en hemelse liefde bij ons?
Hemel en aarde opgenomen in een liefdesverbond, een liefdesband. De hemel, de hemelingen, en de aarde, de mensen die leven vanuit het hart, die echt mensen zijn. Op die golflengte wil het paasgebeuren ons verrijken. Op die golflengte willen wij ons afstemmen en hebben wij gepoogd ons de afgelopen dagen af te stemmen, de golflengte van de persoonlijke liefde, die van zijn kant een liefde is die door alle ontrouw en afwijzing en haat heengaat. Die zich niet laat tegenhouden.
Dat geeft ruimte ons bewust te maken van onze schuld, onze zonden, onze liefdeloosheid, ons gebrek aan fijngevoeligheid. Op deze paasmorgen, deze zondagochtend, doen wij dat natuurlijk door ons het eigen doopsel te herinneren, door ons in herinnering te brengen dat wij toen persoonlijk in dat liefdesverbond met God werden opgenomen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena,
vroeg in de morgen, het was nog donker, bij het graf
en zag dat de steen van het graf was weggerold.
Ze liep snel naar Simon Petrus en naar de andere
door Jezus beminde leerling en zei tot hen:
Ze hebben de Heer uit het graf genomen
en we weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.
Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf.
Ze liepen samen vlug voort,
maar die andere leerling snelde Petrus vooruit
en kwam het eerst bij het graf aan.
Voorover bukkend zag hij de zwachtels liggen,
maar hij ging niet naar binnen.
Simon Petrus, die hem volgde,
kwam ook bij het graf en trad wel binnen.
Hij zag dat de zwachtels er lagen,
maar dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt,
niet bij de zwachtels lag, maar ergens afzonderlijk,
opgerold, op een andere plaats.
Toen ging ook de andere leerling,
die het eerst bij het graf was aangekomen, naar binnen.
Hij zag en geloofde, want ze hadden nog niet begrepen hetgeen
er geschreven stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan.
Homilie
Hij zag en geloofde. Wat zag hij dan dat hij daarop ging geloven? Simon Petrus trad binnen, hij zag dat de zwachtels er lagen." Dat is wat de door Jezus beminde leerling ook zag toen hij zijn hoofd naar binnen stak; hij wilde niet voor Petrus naar binnen gaan, maar van buitenaf zag hij de zwachtels liggen. En dat zag Petrus, die wel binnen trad, ook. "Hij zag dat de zwachtels er lagen. Maar dat was niet het teken. Het teken was dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt, niet bij de zwachtels lag, maar ergens afzonderlijk, opgerold, op een andere plaats." Toen hij dát zag en toen ook de andere leerling, die daarna ook naar binnen ging, dat zag, geloofde hij. Waarom? Waarom geloofde hij toen?
Het waren niet de doeken en de zwachtels op zich, maar het was de manier waarop ze daar lagen. Niet ruw, door een haastige hand, alles door elkaar gesmeten, zoals zij zich voorstelden dat ze zouden aantreffen na het bericht van Maria Magdalena. Zij was naar het graf gegaan en weggehold toen ze zag of meende te zien: "ze hebben de Heer uit het graf genomen." Daarop waren ze gefixeerd. En wat zien ze? Geen ruwe, haastige handen die alles door elkaar hebben gesmeten om te pakken wat ze wilden hebben, maar een liefdevolle hand die dit alles zo heeft achtergelaten als een teken. Dat is een teken dat alleen de liefde kan verzinnen. Een teken zoals alleen verliefde mensen kunnen ontcijferen. 'Kijk', zal de Beminde gedacht hebben, 'Ik leg dat zo neer en straks komt de leerling die rustte aan mijn borst bij het Laatste Avondmaal, aan mijn Hart. Dat is de leerling die de tekenen altijd zo snel doorziet.' Hij begreep het het eerst bij de wonderbare visvangst. En nu opnieuw: "hij zag en geloofde". Door het teken heen begreep hij: het is de Beminde, het is de Heer. 'Dit teken is voor de beminde leerling', zal de Beminde gedacht hebben, 'hij zal het begrijpen.' De liefde heeft maar weinig nodig: kleine tekenen. Goede verstaanders hebben genoeg aan een half woord.
Pasen is het feest van de liefde en wel van de hemelse liefde. "Zoekt wat boven is
Zint op het hemelse
uw leven is nu met Christus verborgen in God. Daarom is Pasen geen populair feest, geen volksfeest. Dat zeggen de leerlingen dan ook: God heeft Hem echter op de derde dag doen opstaan en laten verschijnen niet aan het hele volk, maar aan de getuigen die door God tevoren waren uitgekozen, aan ons die met Hem gegeten en gedronken hadden nadat Hij uit de doden was opgestaan." Wij, die een persoonlijke band met Hem hebben. Aan ons is Hij verschenen. Als je geen persoonlijke band met Hem hebt, zegt Pasen je niets. Dan betekent Pasen voor jou hoogstens lente, voorjaar. Maar dat is Pasen niet! Pasen is dat de zon van Gods liefde schijnt in je hart en dat je daarmee het hele leven aankunt. En de dood erbij.
Hij is de Rechter van levenden en doden, niet alleen aan het eind van je leven, bij het bijzondere oordeel, of bij het einde van de wereld, bij het algemene oordeel, maar nu, vandaag, en steeds weer opnieuw. Je hebt nu bij het onderscheiden van goed en kwaad de Rechter van levenden en doden aan je zijde, in je hart. Voortaan is goed niet meer goed en kwaad niet meer kwaad, maar goed is wat je brengt bij Hem, wat de band met Hem versterkt. En kwaad is wat je van Hem verwijdert. Zo is het geweten. Het geweten is niet zomaar onderscheiden wat goed en kwaad is, maar geweten is gemeenschap met onze Heer Jezus Christus. En dat voor ieder persoonlijk. Dat is dus voor ieder anders, want ieder heeft zijn eigen weg en ieder heeft zijn eigen hart. Ieder is als de beminde leerling die rust aan Jezus' Hart. Dat is niet bedoeld om ons jaloers te maken: hij wel en wij niet. Maar aan die ene mogen wij aflezen, wat wij allemaal zijn: door Jezus beminde leerlingen, uitverkoren, enig in de ogen van God. Ieder van ons heeft een warm zacht plekje in zijn goddelijk hart. Dat is Pasen. Daarmee kun je de wereld aan. Daarmee heeft Jezus de wereld overwonnen.
Slotwoord
Een zalig Pasen, dat betekent: een door God gezegend Pasen. Pasen betekent: doorgang. Wanneer ik u dus een zalig, een door God gezegend Pasen toewens, wens ik u dat u er met Gods zegen doorheen zult komen. Waar doorheen? Zoals het licht door de duisternis, het volk door de woestijn, door de Rode Zee, door de ballingschap, zo mag u invullen uw woestijn, uw ballingschap, uw Rode Zee. Daar doorheen met Gods zegen, dat wens ik u toe, door heel uw leven. Buigt dan uw hoofd voor de zegen.