Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Paaszondag


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena
vroeg in de morgen - het was nog donker - bij het graf
en zag dat de steen van het graf was gerold.
2 Zij liep snel naar Simon Petrus
en naar de andere, de door Jezus beminde leerling
en zei tot hen:
"Ze hebben de Heer uit het graf genomen
en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd."
3 Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar
het graf.
4 Ze liepen samen vlug voort,
maar die andere leerling snelde Petrus vooruit
en kwam het eerst bij het graf aan.
5 Vooroverbukkend zag hij de zwachtels liggen,
maar hij ging niet naar binnen.
6 Simon Petrus die hem volgde kwam ook bij het graf
en trad wel binnen.
Hij zag dat de zwachtels er lagen,
7 maar dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt
niet bij de zwachtels lag,
maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats.
8 Toen ging ook de andere leerling
die het eerst bij het graf was aangekomen naar binnen;
hij zag en geloofde
9 want zij hadden nog niet begrepen hetgeen er geschreven
stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan.
Johannes 20,1-9

Eerst de geest wat laten rusten bij Hem, want het nieuwe leven met God komt niet uit me zelf. Ik wórd opgewekt. Geloof, hoop en liefde zijn dan ook ingestorte deugden, ingestort van boven door God.

Bij de plaats van het gebed aangekomen breng ik staande me Gods tegenwoordigheid te binnen, een leven- en doodomspannende tegenwoordigheid.
Ik maak een gebaar van eerbied en aanbidding.

Ik neem de houding van het gebed aan en vraag om de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik vat de geschiedenis kort samen: Maria Magdalena ontdekt als eerste het open graf; zij waarschuwt Petrus en de door Jezus beminde leerling; ook zij vinden het graf leeg en zij geloven.

De plaats zien: "Op de plaats waar Hij gekruisigd werd, lag een tuin en in de tuin een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was neergelegd" (Joh 19,41). Ook de graven zien waar mijn dierbaren werden neergelegd; en de vastgelopen situaties in mijn leven, waaronder ik lijd.

De bijzondere genade vragen: dat ik mij intens mag verheugen en verblijden over zoveel heerlijkheid en vreugde van Christus onze Heer, dat ik blij mag zijn omdat Hij blij is. Dat de grafsituaties in mijn leven plaatsen mogen worden van nieuwe hoop.

 
"Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena... bij het graf."

Bij het graf, bij het volstrekte einde van alle menselijke verwachtingen, daar begint God met zijn nieuwe scheppingsweek.
Omdat God de enige Actieve is, past het aan het begin van het gebed zich passief op te stellen, niet al zelf opgewekt willen zijn, of flink of zelveloos, maar om integendeel mij mijn eigen ontoereikendheid volop tot zijn recht te laten komen. Want "dit is de Dag die de Heer gemaakt heeft." Ik geef Hem de kans om de dag van mijn leven te maken tot een Dag van de Heer.

 
"vroeg in de morgen... het was nog donker"... "zij liep snel... zij liepen samen vlug voort, maar die andere leerling snelde Petrus vooruit."

Het leek een dag van mensen te worden, boordevol van menselijke activiteit en liefdevolle toewijding. Zij gaan in hun toewijding tot het uiterste. Maar op de dag des Heren, op de dag die de Heer gemaakt heeft, zijn zij met heel hun toegewijde vroomheid nergens meer. Want zij zoeken God als een dode, als een dood lichaam dat mensenhanden kunnen "wegnemen" en "neerleggen".
Doe ik dat zelf ook niet, bijvoorbeeld telkens als ik God naar mijn eigen hand wil zetten, als ik me overgeef aan koortsachtige activiteit, als ik opstandig ben tegenover zijn plannen, als ik zijn manier van werken probeer te plaatsen binnen de kaders van mijn beperkte menselijke horizon, wanneer ik de hoop opgeef, als er menselijkerwijze geen hoop meer is?

 
"Ze hebben de Heer uit het graf genomen."

Dat is de betekenis die Maria Magdalena aan de weggerolde steen hecht. Het komt gewoon niet in haar op om God in het spel te zien.
Hoe reageer ik, als ik kom te staan aan het graf van mijn aardse verwachtingen, als er iemand of iets dierbaars in mijn leven sterft? Dat kunnen soms heel erge dingen zijn: kinderen die teleurstellen; vrienden die ontrouw worden of verraden; de goede geest in de familie, in de kerk, in de maatschappij gaat kapot.
Zeg ik dan ook met Maria Magdalena: "Ze hebben...?" Of zie ik zo'n onheil als een uitnodiging om mijn vertrouwen minder op mensen en dingen te stellen? Ik had er misschien teveel op gebouwd, teveel mijn hart aan gehecht. Ik dacht misschien: zonder dat of zonder die kan God het niet.
God nu groter laten zijn dan alles waaraan ik vastzit.

 
"Die andere leerling snelde Petrus vooruit, maar hij ging niet naar binnen."

Deze leerling houdt op tijd zijn pas in, om Petrus die in de kerk de eerste is, ook werkelijk de eerste te laten zijn, om de voorganger ook echt voor te laten gaan. De gezagsdragers in de kerk verdienen een grotere eerbied, omdat in hen de gemeenschap in haar eenheid is vertegenwoordigd. Dus uit eerbied voor het lichaam van Christus.

 
"...ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats...zag hij de zwachtels... Hij zag dat de zwachtels er lagen, maar dat de zweetdoek...niet bij de zwachtels lag."

Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: zoals de doeken daar liggen: ordelijk gerangschikt wijzen zij niet op een diefstal, maar... op een liefdevolle hand. Bewijs? Nee, een teken, juist zoals het open graf geen bewijs is, want de geheimen van ons geloof laten zich niet bewijzen.
Doeken en windsels, maar van de Verrezene zelf is er geen spoor. Want Jezus is niet onder de doden waar ze Hem zochten, maar Hij is evenmin bij de levenden. De opwekking van Jezus is anders dan bijvoorbeeld de opwekking van Lazarus, niet een terugkeer naar de levenden op aarde, want "het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen" (Rom 6,10). "Jezus leeft thans door Gods kracht" (2 Kor 13,4). Jezus leeft zelf helemaal vanachter de dood en vanachter alles wat ten dode gedoemd is. Zo is Hij het leven van de kerk. Zo zal ik Hem nu aanbidden en Hem verwachten in de doodgelopen situaties van mijn leven.

Aan het einde gesprekjes voeren met de personen die in het evangelie voorkwamen. Het voorlaatste gesprek zal ik met Jezus voeren. Ik kan Hem vragen, dat Hij voor mij bemiddelt bij zijn Vader.
Dan zal ik mijn hart uitstorten bij de Vader, die met zijn Zoon ook aan mij het nieuwe leven heeft geschonken. Een Onze Vader.

In een wat andere houding, zodat ik wat kan schrijven, beantwoord ik de vragen van de reflexie:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Verstrooiingen tijdens de afgelopen gebedstijd.
    Mijn verstrooiingen betreffen de dingen in mijn leven die nog niet door de dood zijn heengegaan, waaraan ik nog niet ben afgestorven.
  2. Waar was ik wel bij Hem? Waar bracht ik geloof op door de dood heen?
  3. Nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?