Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 1 | vroeg in de morgen - het was nog donker - bij het graf en zag dat de steen van het graf was gerold. |
| 2 | en naar de andere, de door Jezus beminde leerling en zei tot hen: "Ze hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd." |
| 3 | het graf. |
| 4 | maar die andere leerling snelde Petrus vooruit en kwam het eerst bij het graf aan. |
| 5 | maar hij ging niet naar binnen. |
| 6 | en trad wel binnen. Hij zag dat de zwachtels er lagen, |
| 7 | niet bij de zwachtels lag, maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats. |
| 8 | die het eerst bij het graf was aangekomen naar binnen; hij zag en geloofde |
| 9 | stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan. |
| Johannes 20,1-9 |
Eerst de geest wat laten rusten bij Hem, want het nieuwe leven met God komt niet uit me zelf. Ik wórd opgewekt. Geloof, hoop en liefde zijn dan ook ingestorte deugden, ingestort van boven door God.
Bij de plaats van het gebed aangekomen breng ik staande me
Gods tegenwoordigheid te binnen, een leven- en
doodomspannende tegenwoordigheid.
Ik maak een gebaar van eerbied en aanbidding.
Ik neem de houding van het gebed aan en vraag om de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Ik vat de geschiedenis kort samen: Maria Magdalena ontdekt als eerste het open graf; zij waarschuwt Petrus en de door Jezus beminde leerling; ook zij vinden het graf leeg en zij geloven.
De plaats zien: "Op de plaats waar Hij gekruisigd werd, lag een tuin en in de tuin een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was neergelegd" (Joh 19,41). Ook de graven zien waar mijn dierbaren werden neergelegd; en de vastgelopen situaties in mijn leven, waaronder ik lijd.
De bijzondere genade vragen: dat ik mij intens mag verheugen en verblijden over zoveel heerlijkheid en vreugde van Christus onze Heer, dat ik blij mag zijn omdat Hij blij is. Dat de grafsituaties in mijn leven plaatsen mogen worden van nieuwe hoop.
"Op de eerste dag van de week
kwam Maria Magdalena... bij het graf."
Bij het graf, bij het volstrekte einde van alle menselijke
verwachtingen, daar begint God met zijn nieuwe scheppingsweek.
Omdat God de enige Actieve is, past het aan het begin van het
gebed zich passief op te stellen, niet al zelf opgewekt willen
zijn, of flink of zelveloos, maar om integendeel mij mijn eigen
ontoereikendheid volop tot zijn recht te laten komen. Want "dit
is de Dag die de Heer gemaakt heeft." Ik geef Hem de kans om de
dag van mijn leven te maken tot een Dag van de Heer.
"vroeg in de morgen... het was
nog donker"... "zij liep snel... zij liepen samen vlug voort,
maar die andere leerling snelde Petrus vooruit."
Het leek een dag van mensen te worden, boordevol van
menselijke activiteit en liefdevolle toewijding. Zij gaan in hun
toewijding tot het uiterste. Maar op de dag des Heren, op de dag
die de Heer gemaakt heeft, zijn zij met heel hun toegewijde
vroomheid nergens meer. Want zij zoeken God als een dode, als een
dood lichaam dat mensenhanden kunnen "wegnemen" en "neerleggen".
Doe ik dat zelf ook niet, bijvoorbeeld telkens als ik God naar
mijn eigen hand wil zetten, als ik me overgeef aan koortsachtige
activiteit, als ik opstandig ben tegenover zijn plannen, als ik
zijn manier van werken probeer te plaatsen binnen de kaders van
mijn beperkte menselijke horizon, wanneer ik de hoop opgeef, als
er menselijkerwijze geen hoop meer is?
"Ze hebben de Heer uit het graf
genomen."
Dat is de betekenis die Maria Magdalena aan de weggerolde
steen hecht. Het komt gewoon niet in haar op om God in het spel
te zien.
Hoe reageer ik, als ik kom te staan aan het graf van mijn aardse
verwachtingen, als er iemand of iets dierbaars in mijn leven
sterft? Dat kunnen soms heel erge dingen zijn: kinderen die
teleurstellen; vrienden die ontrouw worden of verraden; de goede
geest in de familie, in de kerk, in de maatschappij gaat kapot.
Zeg ik dan ook met Maria Magdalena: "Ze hebben...?" Of zie ik
zo'n onheil als een uitnodiging om mijn vertrouwen minder op
mensen en dingen te stellen? Ik had er misschien teveel op
gebouwd, teveel mijn hart aan gehecht. Ik dacht misschien: zonder
dat of zonder die kan God het niet.
God nu groter laten zijn dan alles waaraan ik vastzit.
"Die andere leerling snelde
Petrus vooruit, maar hij ging niet naar binnen."
Deze leerling houdt op tijd zijn pas in, om Petrus die in de kerk de eerste is, ook werkelijk de eerste te laten zijn, om de voorganger ook echt voor te laten gaan. De gezagsdragers in de kerk verdienen een grotere eerbied, omdat in hen de gemeenschap in haar eenheid is vertegenwoordigd. Dus uit eerbied voor het lichaam van Christus.
"...ergens afzonderlijk opgerold
op een andere plaats...zag hij de zwachtels... Hij zag dat de
zwachtels er lagen, maar dat de zweetdoek...niet bij de zwachtels
lag."
Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: zoals
de doeken daar liggen: ordelijk gerangschikt wijzen zij niet op
een diefstal, maar... op een liefdevolle hand. Bewijs? Nee, een
teken, juist zoals het open graf geen bewijs is, want de geheimen
van ons geloof laten zich niet bewijzen.
Doeken en windsels, maar van de Verrezene zelf is er geen spoor.
Want Jezus is niet onder de doden waar ze Hem zochten, maar Hij
is evenmin bij de levenden. De opwekking van Jezus is anders dan
bijvoorbeeld de opwekking van Lazarus, niet een terugkeer naar de
levenden op aarde, want "het leven dat Hij leeft, heeft alleen
met God van doen" (Rom 6,10). "Jezus leeft thans door Gods
kracht" (2 Kor 13,4). Jezus leeft zelf helemaal vanachter de
dood en vanachter alles wat ten dode gedoemd is. Zo is Hij het
leven van de kerk. Zo zal ik Hem nu aanbidden en Hem verwachten
in de doodgelopen situaties van mijn leven.
Aan het einde gesprekjes voeren met de personen die
in het evangelie voorkwamen. Het voorlaatste gesprek zal ik met
Jezus voeren. Ik kan Hem vragen, dat Hij voor mij bemiddelt bij
zijn Vader.
Dan zal ik mijn hart uitstorten bij de Vader, die met zijn Zoon
ook aan mij het nieuwe leven heeft geschonken. Een Onze Vader.
In een wat andere houding, zodat ik wat kan schrijven, beantwoord
ik de vragen van de reflexie:
Mijn verstrooiingen betreffen de dingen in mijn leven die nog
niet door de dood zijn heengegaan, waaraan ik nog niet ben
afgestorven.
