Palm- of Passiezondag,
           jaar A
Eerste lezing: Jesaja 50,4-7 [A 56]; antwoordpsalm: Psalm 22,8-9.17.18a.19-20.23.24 [A 56]
tweede lezing: Fillippenzen 2,6-11 [A 57]; vers voor het evangelie: Fillippenzen 2,8-9 [A 58]
Evangelie Matteüs 26,14-27,66 [A 58]


Homilie  

"Blijft hier en waakt met Mij.” … “Toen ging Hij naar zijn leerlingen en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus: Ging het dan uw krachten te boven één uur met Mij te waken?” … “En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap want hun oogleden waren zwaar."
Het leven gaat menselijke krachten te boven. Het samenleven met elkaar duwt ons voortdurend over onze grenzen heen. En het samenleven met Jezus is een leven voorbíj onze grenzen.
Het was voor de drie leerlingen die Hij meenam in de Hof van Olijven niet om aan te zien. Het was niet om aan te zien dat Jezus ook zelf buiten zijn grens moest gaan. "Mijn Vader, als het mogelijk is laat deze beker Mij voorbijgaan." Dat ís toch ook niet om aan te zien. Waarom wordt het ons dan hier verhaald? Waarom moeten wij daarnaar luisteren? Waarom moeten wij dat onder ogen zien?
Voorbij het onbegrijpelijke is er de onbegrijpelijke God en die onbegrijpelijke God wordt door Jezus aangesproken als 'Abba', 'Vader'. Iemand die je niet kunt begrijpen, maar waaraan je je in liefde kunt overgeven, Abba. "Vader, als het mogelijk is laat deze kelk aan Mij voorbijgaan. Maar toch: niet zoals Ik wil maar zoals Gij wilt." Dat dan uw wil geschiede.

Aan de grens van ons ik, voorbij de grens van ons ik, in een niemandsland, is er een ander Ik. Een Gij, een liefdevolle Vader, voor wie wij er zijn. In dat niemandsland is Jezus thuis, als een kind in zijn eigen huis. Hij voelt Zich er thuis als een vis in het water, zouden wij zeggen. En in dát niemandsland wil Jezus óns thuis laten raken, óns thuis doen voelen. Mensen kunnen het niet aanzien dat een mens overweldigd wordt, weerloos wordt uitgeleverd. Dat zogenaamde zinloze geweld brengt in onze samenleving alle harten in beweging. Maar God vindt dat het zo gebeuren moet. "Een van Jezus' gezellen greep naar zijn zwaard, trok het en sloeg met één houw de knecht van de hogepriester het oor af.” Zinloos geweld beantwoord met zinloos geweld. “Toen sprak Jezus tot hem: Steek uw zwaard weer op zijn plaats. Want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Of meent ge soms dat Ik niet de hulp van mijn Vader kan inroepen, die Mij dan aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zou stellen? Maar hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan die zeggen dat het zo gebeuren moet?"
Het moet! Dat is dat moeten, dat heilige moeten waarin Jezus Zich thuis voelt, waardoor Hij Zich laat motiveren. Dat is niet terug te brengen tot wat dan ook, tot iets menselijks, iets begrijpelijks, iets zinvols, een bepaalde gemoedstoestand waarbij je rust vindt. Nee, dat is alleen terug te brengen tot geloof. Het is geen menselijk recht. Tegenover de valse getuigen doet Hij er het zwijgen toe. Een mensonmogelijke situatie, maar niet Godsonmogelijk. "Van nu af zult gij de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen op de wolken van de hemel." Heel ver weg, aan het andere eind van de geschiedenis. Gescheiden door een onmetelijke kloof, door een uitgestrekt niemandsland. Daarin is Jezus thuis. Hij overbrugt die afstand door het geloof.

Datzelfde zit ook in dat overleveren. Jezus wordt aan de mensen overgeleverd. Hij gaat van hand tot hand; van Judas naar de hogepriesters en de oudsten van het volk; van de eigen landgenoten naar die vreemde landvoogd, van Pilatus naar heel dat volk dat schreeuwt: weg met Hem, "aan het kruis met Hem." Maar soms staat er dat Hij wordt overgeleverd, zonder dat er wordt gezegd door wie Hij wordt overgeleverd. Door wie wordt Hij dan overgeleverd? Door zijn eigen Vader! Een groot geheim, ook voor Jezus, waaraan Hij Zich in geloof en liefde overgeeft.

Door het hele verhaal heen - daar komt eigenlijk het hele verhaal op neer - steekt het geloof dat Jezus' eer ligt in het vervullen van Gods wil en Gods woord in de Schriften. Alsem, zure wijn, zijn kleren verdeeld en verdobbeld, we lezen het in de Schriften. Hoofdschuddende spotters, een gebed als doodsstrijd, vele aanhalingen uit het Oude Verbond, het zijn even zovele pogingen om het onbegrijpelijke te begrijpen vanuit het geloof, vanuit de Schrift. Dat is: vanuit Gods geschiedenis met gelovige mensen, om met geloof uit te spreken dat het menselijk onbegrijpelijke niet buiten God, niet buiten Gods begrijpen ligt, dat het in Gods heilige, liefdevolle plan is vervat. Het geloof dat God met Jezus was.

Wat we zien is eenzaamheid. Wat we zien is onrecht. Wat we zien is eerloosheid. Dat is wat we allemaal in het lijden zien: we zien van alles, behalve God. Dat gegeven doet de gelovige schriftverhaler speuren naar tekenen om zichzelf als gelovige te profileren en ons op het spoor te zetten van datzelfde geloof. Dit zijn dan de tekenen: het tempelvoorhangsel van boven tot onder gescheurd, bevende aarde, splijtende rotsen, open graven waaruit heiligen opstaan. Het lijken natuurverschijnselen, maar ze zijn bedoeld als geloofstekenen, tekenen dat God erbij was, tekenen van een gelovige aan ons die geloven. Tekenen van Gods aanwezigheid in massieve Gods afwezigheid. Tekenen dat God met Jezus is. Ze ontlokken dan ook aan de honderdman een geloofsbelijdenis, een belijdenis waarin Jezus en God samen horen: "Waarlijk, Hij (Jezus) was Zoon van God."

Wij worden uitgenodigd ons bij de honderdman aan te sluiten. Dat wij bij Jezus altijd God mogen zoeken en vinden. En wanneer het ons vergaat zoals Jezus, een leven schijnbaar zonder God, dat wij dan, evenals Jezus, God bij ons mogen zoeken en vinden.