Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Palm- of Passiezondag : Eucharistie


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Marcus
32Zij kwamen nu aan een landgoed
dat Getsemane heette.
Daar zei Hij tot zijn leerlingen:
"Blijft hier zitten terwijl Ik bid."
33Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee
en begon Zich ontsteld en beangst te gevoelen.
34Hij sprak tot hen:
"Ik ben bedroefd tot stervens toe.
Blijft hier en waakt."
35Nadat Hij een weinig verder was gegaan,
wierp Hij Zich ter aarde
en bad dat dit uur, als het mogelijk was,
aan Hem mocht voorbijgaan.
36"Abba, Vader,"
zo bad Hij,
"voor U is alles mogelijk;
laat deze beker Mij voorbijgaan.
Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt."
37Toen ging Hij terug en vond hen in slaap;
en Hij sprak tot Petrus:
"Simon, slaapt ge?
Ging het dan uw krachten te boven één uur te waken?
38Waakt en bidt,
dat gij niet op de bekoring ingaat.
De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak."
39Opnieuw verwijderde Hij Zich
en bad met dezelfde woorden.
40En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap,
want hun oogleden waren zwaar;
ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden.
41Toen Hij voor de derde maal terugkwam,
sprak Hij tot hen:
"Slaapt dan maar door en rust uit.
Het is zover,
het uur is gekomen;
zie, de Mensenzoon
wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.
42Staat op,
laten we gaan;
mijn verrader is nabij."
Marcus 14, 32-42

Niet meteen beginnen te bidden. Eerst de juiste houding zoeken. Ook Jezus bereidt zich eerst voor op het gebed. Bijvoorbeeld door zich geleidelijk aan eenzamer te maken. Het is goed Hem hierin na te doen. Geleidelijk aan afdalen naar die diepte in mij waar ik alleen ben, waar ik me niet kan verschuilen achter werk, omgeving, contacten. Alleen zijn met God. Bij Hem mijn geest wat laten rusten.

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, stel ik me staande in Gods tegenwoordigheid en maak me ervan bewust hoe Hij mij ziet, namelijk met dezelfde liefde die Hij voor zijn eigen Zoon heeft: "Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd" (Rom 8,32). In een gebaar van eerbied laat ik mijn gevoelens van kinderlijke hoogachting voor "Abba, Vader" tot voltooiing komen.

Dan overzie ik de geschiedenis van het geheim dat ik verlang binnen te gaan. Jezus maakt zich geleidelijk eenzamer. Hij beleeft zijn "uur", het uur van de Vader. Het moment van het laatste oordeel wordt door Jezus al vooruit beleefd: "... verschrikkingen zoals er niet zijn geweest ... noch ooit komen zullen" (13,19). Tot driemaal toe zoekt Hij zijn leerlingen op. Tot driemaal toe vindt Hij hen in slaap, om aan ons te openbaren dat er buiten het gebed geen kracht te vinden is voor de vervulling van de wil van de Vader.
Het verzet van de menselijke natuur van Jezus komt tot overgave vanuit wat nog dieper is dan zijn natuur: zijn persoons-kern, zijn "Ik" als Kind van zijn "Abba, Vader".

Het geheim kan pas vat op mij krijgen, wanneer ik door de plaatsvoorstelling mij ter plaatse waag: een landgoed, een hof, beplant met olijfbomen. Het is er stil onder de nachtelijke hemel. Het hart van Jezus is als een oceaan die tot op de bodem door doodsangst wordt omgewoeld. Wat wij vernemen, is nog maar de oppervlakte.

Vóórdat ik het geheim binnenga, eerst de bijzondere genade vragen die ik verlang: dat ik Hem zo mag leren kennen, dat Hij niet uit bewustzijn weggaat, met name niet, wanneer ik door angst overweldigd word.

Eerst beschouw ik de personen. Ze één voor één rustig beschouwen. Bij elk nagaan wie hij is en wat ik eventueel met hem gemeenschappelijk heb. Door me te vereenzelvigen met de personen van het geheim, krijg ik deel aan de genade van het geheim. Gewoonlijk krijg ik daardoor ook een beter inzicht in wie ik zelf ben.
De grotere groep van Jezus' leerlingen: zij moeten op afstand blijven. Jezus heeft voor iedere mens een bepaalde mate van beproeving. Niemand wordt boven zijn krachten op de proef gesteld.
Petrus, Jakobus en Johannes: meer in het bijzonder Petrus: hij wordt door Jezus aangesproken met zijn naam van "vlees en bloed", Simon. Hij is heel gewillig, maar zwak. Zijn en ons aller zwak is: geen steun te zoeken in het gebed. Dus eigenlijk zelfgenoegzaamheid of ongeloof.
Jezus en de Vader, door Jezus hier aangesproken met "Abba", het woord dat Arameese kinderen gebruiken in de vertrouwelijke omgang met hun vader.
De bekoorder: de bekoring veronderstelt een bekoorder door wie Jezus en ook de leerlingen worden bekoord. De zondaars aan wie Jezus wordt overgeleverd, zijn in zijn (voorlopige) macht. Deze bekoorder blijft onzichtbaar op de achtergrond.

Ik ga door met het beschouwen van de woorden, één voor één, als tot mij gericht. Eventueel spreek ik ze zachtjes en langzaam voor mij uit: "Blijf hier zitten, terwijl Ik bid ... Blijft hier en waakt ... waakt en bidt." Waken doen mensen als zij in afwachting zijn van iemand die komt. Het biddend waken geschiedt, omdat wij in afwachting zijn van de komende Mensenzoon. Dat zal dan óns uur zijn. Jezus beleeft nu zijn uur: "Hij bad dat dit uur aan Hem mocht voorbijgaan ... het uur is gekomen." Het moment van het laatste oordeel wordt door Jezus nu al vooruit beleefd: "want die dagen zullen dagen van verschrikking zijn, zoals er niet zijn geweest vanaf het begin, toen God de wereld schiep, tot nu toe, noch ooit komen zullen" (13,19).
De "beker" is de beker van Gods toorn. Jezus staat op onze plaats, ondergaat de toorn van God over onze zonden. Dat brengt Hem in doodsnood. Want als Zoon van de Vader leeft Jezus van het welbehagen van de Vader. Door zijn plaatsvervangend verbonden-zijn met de mensen verliest Jezus het welgevallen van de Vader. Dat brengt Hem tot stervensangst. In deze doodsstrijd roept Jezus tot zijn hemelse Vader "Abba", een woord van volstrekte kinderlijke afhankelijkheid en vertrouwelijkheid. Zo overbrugt Hij de afgrond tussen God en de zonde. Groter dan Gods afkeer van de zonde en dan onze afkeer van God is Jezus' vertrouwvolle liefde: "Toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij" (Joh 16,32).
Ook in mij is er zo'n geest van kindschap: "Gij hebt een geest van kindschap ontvangen die ons doet uitroepen: Abba, Vader" (Rom 8,15).

Tenslotte kan ik tot een nog verdere identificatie komen met dit geheim door te zien wat ze doen. Hier zal dat vooral zijn door te zien wat ze níet doen. Want Jezus' passie is een geheim van passiviteit. Daarin is Jezus heel actief. Hij kiest ervoor om niets te doen. Deze beschouwing van Jezus' passiviteit krijgt zijn volle betekenis, wanneer ik naga "hoe de Godheid zich verbergt: hoe Zij haar vijanden zou kunnen vernietigen en het niet doet, en hoe Zij de zeer heilige mensheid zeer wreed laat lijden" (Geestelijke Oefeningen nr. 196).
Jezus is passief: Hij wórdt overweldigd door angst. Hij neemt zijn toevlucht tot bidden en waken. Dat is ook iets passiefs. Alles verwachtend van de Vader alleen, voor Wie "alles mogelijk is". Tenslotte wórdt Hij inderdaad overgeleverd en lest best: Hij wórdt opgewekt en Hij wórdt ten hemel opgenomen. Het vertrouwen op zijn Vader is niet tevergeefs gebleken.
De leerlingen zijn ook passief, maar op een verkeerde manier: zij slapen. Zij houden het niet uit bij hun zwakte. Geen wonder, want ze stellen geen vertrouwen op de Vader.
De Vader is ook passief. Hij zwijgt op het smekend roepen van zijn geliefde Zoon. Waarom? Omdat Hij achter deze geliefde Zoon die andere dochters en zonen ziet die wij zijn: "de Vader heeft zijn eigen Zoon niet gespaard. Om ons allen heeft Hij Hem overgeleverd" (Rom 8,31).

Aan het eind gesprekjes voeren met de leerlingen, met Jezus. Mijn angsten bij Hem uitspreken. Durven bang te zijn zoals Jezus. Daarom is Hij in doodsangst geweest. Niet opdat wij geen angst meer zouden hebben, maar opdat wij ons in onze angst niet meer alleen zouden weten. Dan naar de Vader, op de stroom van Jezus' kinderlijke gevoelens voor zijn Vader. Mijzelf loslaten in Hem zoals ik eens bij mijn eigen dood mijn geest zal loslaten in zijn handen: "Vader, in uw handen beveel ik mijn geest."
Langzaam en eerbiedig een Onze Vader bidden.
De tijd na het gebed laat zich heel goed gebruiken voor de onderscheiding van wat er zich in mij aan krachten beweegt.

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Slaperigheid en sloomheid kunnen soms ook tot de verstrooiingen gerekend worden. Het is een vorm van vlucht voor het lijden. In de slaap vluchten mensen weg voor het lijden. Andere manieren van vluchten zijn: eten, drinken, snoepen, roken, praten, rusteloos bewegen enz.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Was er bij alle verstrooiing of verwarring iets diepers? Een gerustheid onder de angst? Een overgave door het verzet heen?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Zijn er ook blijvende gevoelens van geloofsvertrouwen? Bij Jezus hebben moed en vertrouwen het gewonnen van angst en schrik.


Voor stof ter overweging bij andere gedeeltes van het passie-verhaal volgens Marcus: bij de intocht in Jeruzalem (Mc 11,1-10); bij de instelling van de eucharistie (Mc 14,12-16.23-26): blz 187-192