Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Palmzondag


U it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Marcus
1 Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden,
in de richting van Betfage en Betanië op de Olijfberg,
2 zond Hij twee van zijn leerlingen uit met de opdracht:
"Gaat naar het dorp daar vóór u,
en bij uw binnenkomst is het eerste dat ge zult vinden,
een veulen dat vastgebonden staat
en waarop nog nooit iemand gezeten heeft;
maakt dat los en brengt het hier.
3 En als iemand u de aanmerking maakt:
Wat doet ge daar?
antwoordt dan:
De Heer heeft het nodig,
maar Hij stuurt het spoedig weer hier terug."
4 Zij gingen weg en vonden een veulen
vastgebonden aan een deur, buiten op straat.
Ze maakten het los,
5 maar sommige mensen die daar in de buurt stonden,
riepen hun toe:
"Wat doet ge daar, om zo maar dat veulen los te maken?"
6 Ze antwoordden zoals Jezus hun had gezegd
en de mensen lieten hen ongemoeid.
7 Ze brachten het veulen bij Jezus,
legden er hun mantels overheen
en Hij ging erop zitten.
8 Velen spreidden hun mantels op de weg uit,
anderen groene takken die ze in het veld gehakt hadden.
9 De mensen die Hem omstuwden, jubelden:
"Hosanna;
Gezegend de Komende in de naam des Heren;
10 Geprezen het komende koninkrijk van onze vader David!
Hosanna in den hoge!"
Marcus 11, 1-10

Eerst de gesteltenis van mijn geest controleren. Mijn geest heeft iets van dat veulen. Het zit vast. En als ik het wil losmaken om het in dienst te stellen van de Heer, dan klinken er protesterende stemmen: "Is dat wel nodig?" Is er nu niet iets belangrijkers te doen dan te bidden? Dus eerst de geest wat laten rusten bij Hem die mij nodig heeft.

Staande een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, breng ik me zijn tegenwoordigheid te binnen, een tegenwoordigheid die zich niet opdringt, een tegenwoordigheid die ook mij in mijn wezen laat; niet verpletterend, maar bescheiden waarbij ik mezelf kan zijn en het betere in mij wakker wordt. Ik maak me klein in een gebaar van nederigheid om de nederige koning Jezus te kunnen ontvangen.

Ik neem de houding van het gebed aan, een houding die een uitdrukking is van een innerlijke houding, de bereidheid namelijk om Hem te dienen zoals Hij het verdient: met heel mijn leven. Ik kan het in de hand werken, dat mijn uiterlijke houding van eerbied voor God de uitdrukking is van een echte levenshouding, namelijk door dat als een genade te vragen: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

De geschiedenis: Jezus nadert met zijn leerlingen Jeruzalem, het einde van zijn reis, het einde van zijn leven. Hij treedt Jeruzalem binnen als profeet, als koning, als gezalfde: als profeet voorzegt Hij aan zijn leerlingen tot in detail wat zij in het dorp zullen aantreffen; als koning vordert Hij een rijdier waarop nog nooit iemand gezeten heeft; als gezalfde laat Hij zich inhalen met de groet: "Hosanna" en "Gezegend de Komende in de naam des Heren." Deze geschiedenis gaat door tot op de dag van vandaag, elke keer wanneer in de eucharistie hetzelfde Hosanna klinkt om de lijdenskoning in te huldigen. Die viering vindt plaats opdat ik ook mijzelf zou overwinnen en mijn kruis opnemen in een geest van zachtmoedigheid.

Van de heilige plaatsen gaat een zekere wijding uit. Mijn hart kan aan die wijding deelachtig worden, wanneer ik mij nu die plaats voor ogen stel: de helling van de olijfberg en de plaats waar ik Hem als koning heb leren kennen of waar ik Hem nog steeds als koning vier, plaatsen waar ik eucharistie vier.

Als er nu een verlangen in mijn hart opkomt om dieper in dit geheim in te groeien, dan zou ik dat nu als een bijzondere genade kunnen vragen: dat ik Hem mag leren kennen zoals de kerk Hem kent en viert: als onze Koning en Heer die het geweld van de zonde overwint met het geduld van de lijdende Dienaar.

 
"Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden, in de richting van Betfage en Betanië op de Olijfberg."

Jezus en zijn leerlingen vormen een twee-eenheid. Jezus is nooit zonder zijn leerlingen. En van hun kant zijn ook de leerlingen nooit zonder Jezus. Ook wij zijn nooit zonder Jezus. Ook op dit ogenblik niet: Hij bidt in ons. Maar ook als wij ons Jeruzalem naderen, de stad van ons lijden en onze dood, is Hij bij ons, ja dan méér dan ooit. Want Jezus is een Koning-Redder, een Messias-Koning, een koning die volstrekt solidair is met zijn onderdanen. Hij is een Koning die heel zijn koninklijke macht inzet om zijn onderdanen te bevrijden, niet zozeer uit armoede en onderdrukking, als wel uit de zonde: "God heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon. In Hem is onze bevrijding verzekerd en zijn onze zonden vergeven" (Kol 1,13-14).

 
"zond Hij twee van zijn leerlingen uit met de opdracht: Gaat naar het dorp daar vóór u, en bij uw binnenkomst is het eerste dat ge zult vinden, een veulen dat vastgebonden staat en waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt dat los en brengt het hier. En als iemand u de aanmerking maakt: Wat doet ge daar? antwoordt dan: De Heer heeft het nodig, maar Hij stuurt het spoedig weer hier terug."

Jezus gedraagt zich als een koning. Koningen hebben het recht rij- en lastdieren te vorderen. Ook gebruiken koningen voor zichzelf alleen rijdieren die nog niet door anderen bereden zijn.
Nog steeds worden er in de kerk dingen gereserveerd voor de dienst van God: voorwerpen, plaatsen, tijden, personen. Alle christenen zijn in het doopsel "gewijd", aan God toegewijd.
Hoe staat het met mijn besef, dat ik in de uitsluitende dienst van de Heer sta? Een alles-vragende dienst: "Niemand kan twee heren dienen; hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen en de mammon" (Mt 6,24).
Wanneer wij Jezus als koning onze kerk en door het symbool van de palmtakjes onze huizen laten binnentreden, dan moeten we wel weten: koning-Ik eruit, Koning Jezus erin.

 
"Ze brachten het veulen bij Jezus, legden er hun mantels overheen en Hij ging erop zitten. Velen spreidden hun mantels op de weg uit, anderen groene takken die ze in het veld gehakt hadden."

Op een ezelsveulen, een ezeltje, niet op een paard, want van oudsher staat het paard en de strijdwagen voor oorlog en eigen macht:

"de een heeft wagens en de ander paarden,
maar onze kracht ligt in de Naam van God de Heer" (Ps 20,8).

De krijgswet van ons geloof is:

"Als gij tegen uw vijanden ten strijde trekt en ziet, dat zij veel meer paarden, wagens en soldaten hebben dan gij, dan moet gij toch niet bang voor hen zijn, want de Heer uw God is met u, Hij, die u uit Egypte heeft geleid. Wees niet bang ... de Heer uw God trekt met u mee" (Deut 20,1).

Jezus is onze "tamme" Koning, niet krijgshaftig of vervaarlijk. Maar dat is net zijn kracht: "Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten" (Mt 5,5). De zachtmoedigen maken de blijvende veroveringen, want het "zijn de zachte krachten die het zeker zullen winnen in 't end" (Henriëtte Roland Holst). Ik kan nu in tegenwoordigheid van mijn zachtmoedige Koning alle eigenmachtigheid, plannenmakerij, agressie tegen tegenstanders, alle prestatie-dwang en overbezorgdheid, alle haast en pressie van me laten afglijden: "Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht" (Mt 11,29-30).

 
"De mensen die Hem omstuwden, jubelden: Hosanna; Gezegend de Komende in de naam des Heren; Geprezen het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in den hoge!"

Jezus wordt door zijn volk binnengehaald als een koning, toen en nu. Palmzondag heeft iets feestelijks. De kleur van de gewaden is niet paars, maar rood, de kleur van de martelaren. Jezus wordt binnengehaald door de kerk als martelaar. Het heeft iets feestelijks, want we weten: het loopt goed af. Lag in de vastentijd de nadruk meer op wat wij doen, zij het dan altijd in de kracht van de genade, vanaf palmzondag bereikt het schip van de kerk als het ware de haven. Nu is het God die het werk geheel alleen afmaakt.
"Hosanna in den hoge", met deze woorden haalt de kerk nog steeds Koning Jezus binnen: namelijk bij het Sanctus. Hosanna betekent eigenlijk: "God, red toch!" Voel ik me zonder Jezus verloren?

Als Jezus onze koning is, dan zou men het inwendige gebed een persoonlijke audiëntie kunnen noemen. Maar dan wel helemaal in de stijl van onze nederige koning. En zo zou ook deze audiëntie in zijn stijl moeten eindigen, niet formeel en angstvallig zekerheid zoekend in de regels van het protocol, maar hartelijk en eenvoudig met een gesprekje. Met Jezus en met zijn Vader in Wiens Naam Jezus het koningschap uitoefent. Een Onze Vader bidden waarin de bede voorkomt: "Uw Rijk kome."

Na afloop van het gebed is het een goed moment om te onderscheiden welke krachten er in mij huizen. Er zijn namelijk twee rijken die beide met hun kracht en invloed op mij inwerken. Die krachten leer ik onderscheiden aan de hand van de volgende vragen:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen wijzen mij de weg naar die terreinen in mijn leven waar mijn eigen "ik" nog koning kraait.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar ik door liefde en vertrouwen in zijn wijze van koning-zijn werd bewogen, daar heb ik "de krachten van de toekomstige wereld ervaren" (Hebr 6,5).
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? De bedoeling van Koning Jezus is, dat Hij vanuit het gebed heel mijn leven pacificeert.