Eerste lezing: Jesaja 50,4-7
Tweede lezing: Filippenzen 2,6-11
Evangelie Lucas 22,14-23,56 (of 23,1-49)
Inleiding
Ik zal iets over het passieverhaal zeggen, zodat u bij het horen er op kunt letten hoe Jezus lijdensweg een weg is naar de glorie. Zijn wij al zozeer van onze blindheid genezen dat wij dat zo kunnen zien? Dat wij het lijden zien als ook de weg naar onze eigen glorie? De leerlingen hebben dat ook niet meteen gezien.
Het lijdensverhaal volgens Lucas laat door alle kieren heen de glorie stralen. Menselijkerwijze gezien is het één en al neergang, maar met de ogen van het geloof kunnen wij de overwinning al aanschouwen. Let u maar eens op de details.
Bij het avondmaal zien we al hoe Jezus naar het offer van die maaltijd heeft verlangd: "Vurig heb Ik verlangd, eer Ik ga lijden, dit paasmaal met u te eten (Lc 22,15). Meteen daarop verwijst Hij naar de vervulling in het rijk Gods: Ik zal het niet meer eten, totdat het zijn vervulling vindt in het rijk Gods (Lc 22,16). Dan zegt Hij nog eens: Van dit ogenblik af drink Ik niet meer van wat de wijnstok voortbrengt, totdat het rijk Gods is gekomen (Lc 22,18). Het staat op aanbreken. En als laatste zegt Hij de instellingswoorden: Dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt" (Lc 22,19). Wat er de volgende dag, op Goede Vrijdag, gaat gebeuren, wordt door Jezus omgesmeed als een teken van zijn liefde: 'Mijn leven is voor u'.
Er is de overlevering door Judas, maar er is ook het voorweten van Jezus: "Zie, degene door wiens hand Ik zal worden overgeleverd is met Mij aan tafel" (Lc 22,21). Aan diezelfde maaltijd is er een twist over wie de grootste was, maar dat wordt een aanleiding voor Jezus om te zeggen dat de grootste is: hij die bedient. Dat Hij onder ons is als Degene die bedient. Bedient waarmee? Met de dienst van zijn lijden.
Er is Jezus' doodsangst, maar er is ook zijn overgave aan zijn Vader: "Niet mijn wil, maar uw wil geschiedde (Lc 22,42) . Er is strijd in Jezus' ziel, maar er is ook kracht uit den hoge, uit de hemel. Er verscheen een engel uit de hemel om Hem te sterken (Lc 22,44). Er is verzet tegen het lijden, Petrus die zijn zwaard trekt, maar er is ook barmhartigheid van de Heer, die het oor van de knecht aanraakt en genas (Lc 22,51). Er is Petrus en zijn verloochening, maar ook zijn berouw: Hij ging naar buiten en begon bitter te wenen (Lc 22, 62).
Er is de verwerping door de joodse overheid, maar er is ook de belijdenis van Jezus: Van nu af zal de Mensenzoon zitten aan de rechterhand van de Macht van God (Lc 22,69). En als Jezus voor Pilatus staat, zwijgt Hij. Maar Hij spreekt, al is het maar één enkel woord. Op de vraag van Pilatus: Zijt Gij de Koning van de Joden?, gaf Hij hem ten antwoord: Gij zegt het" (Lc 23,3).
Dan volgt de bespotting door Herodes. Wat straalt er een glorie van Jezus' waardig stilzwijgen! Er is een rechtspraak, maar er is ook een overduidelijke vertoning van onrecht. Jezus wordt ten onrechte veroordeeld, maar de waarheid overwint in deze onrechtvaardige rechtspraak. Op een heel bijzondere wijze komt de glorie doorschijnen in de houding van de mensen die Hem vanuit Galilea gevolgd waren. "Een grote volksmenigte volgde Hem, ook vrouwen die zich op de borst klopten en over Hem weeklaagden (Lc 23,27). En als Jezus dan ter dood wordt gebracht, is daar zijn woord, het machtigste woord van heel de geschiedenis: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen" (Lc 23,34).
Aan het kruis wordt Jezus van alle kanten door spotters omgeven, overheidspersonen, soldaten, moordenaars. Maar er is ook de goede moordenaar, die om een memento vraagt: "Heer Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt (Lc 23,42). En hij kríjgt een plaats in het paradijs: Vandaag nog zult ge met Mij zijn in het paradijs" (Lc 23,43).
Op die plaats, onder het kruis, willen wij staan, met al het volk dat voor het schouwspel was samengestroomd en zich op de borst sloeg.
Er is ook nog een honderdman, de heiden, die de eerste gelovige belijdenis doet omtrent Jezus: "Deze Mens was waarlijk een Rechtvaardige (Lc 23,47), de Zoon van God. Tenslotte is daar ook nog Jozef van Arimatéa, een welmenend en rechtschapen man". Hij durft te voorschijn te komen, hij durft voor zijn geloof uit te komen, en zijn hart is vol van geurig reukwerk, geurige wederliefde.
Met die liefde willen wij nu ook naar dit lange lijdensverhaal gaan luisteren.