Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Derde zondag van Pasen


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
13 Juist die dag waren er twee van hen
op weg naar een dorp, dat Emmaüs heette
en ruim elf kilometer van Jeruzalem lag.
14 Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen.
15 Terwijl zij zo aan het praten waren
en van gedachten wisselden,
kwam Jezus zelf op hen toe
en Hij liep met hen mee.
16 Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.
17 Hij vroeg hun:
"Wat is dat voor een gesprek
dat gij onderweg met elkaar voert?"
Met een bedrukt gezicht bleven ze staan.
18 Een van hen, die Kléopas heette,
nam het woord en sprak tot Hem:
"Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem,
dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?"
19 Hij vroeg hun:
"Wat dan?"
Ze antwoordden Hem:
"Dat met Jezus de Nazarener,
een man die profeet was,
machtig in daad en woord
in het oog van God en van heel het volk;
20 hoe onze hogepriesters en overheidspersonen
Hem hebben overgeleverd
om Hem ter dood te laten veroordelen
en hoe zij Hem aan het kruis hebben geslagen.
21 En wij leefden in de hoop,
dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!
Maar met dit al is het reeds de derde dag
sinds die dingen gebeurd zijn.
22 Wel hebben een paar vrouwen uit ons midden
ons in de war gebracht;
ze waren in de vroegte naar het graf geweest,
23 maar hadden zijn lichaam niet gevonden,
en ze kwamen zeggen dat zij ook nog
een verschijning van engelen hadden gehad,
die verklaarden dat Hij weer leefde.
24 Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan
en bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden,
maar Hem zagen ze niet,"
25 Nu sprak Hij tot hen:
"O onverstandigen,
die zo traag van hart zijt
in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben!
26 Moest de Messias dat alles niet lijden
om in zijn glorie binnen te gaan?"
27 Beginnend met Mozes
verklaarde Hij hun uit al de profeten
wat in al de Schriften op Hem betrekking had.
28 Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen,
maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan.
29 Zij drongen bij Hem aan:
"Blijf bij ons,
want het wordt al avond
en de dag loopt ten einde."
Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven.
30 Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij brood,
sprak de zegen uit,
brak het en reikte het hun toe.
31 Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem,
maar Hij verdween uit hun gezicht.
32 Toen zeiden ze tot elkaar:
"Brandde ons hart niet in ons,
zoals Hij onderweg met ons sprak
en ons de Schriften ontsloot?"
33 Ze stonden onmiddellijk op
en keerden naar Jeruzalem terug.
Daar vonden ze de elf
met de mensen van hun groep bijeen.
34 Dezen verklaarden:
"De Heer is werkelijk verrezen,
Hij is aan Simon verschenen."
35 En zij van hun kant vertelden
wat er onderweg gebeurd was
en hoe Hij door hen herkend werd
aan het breken van het brood.
Lucas 24, 13-35

Het nieuwe leven van pasen wordt niet door onszelf gemaakt. Het wordt in ons geboren. Bidden heeft iets van een wedergeboorte. We moeten het in ons laten gebeuren zoals de Emmaüsgangers Jezus in hun gezelschap opnamen en Hem aan het woord lieten. Daartoe is het goed eerst de geest wat te laten rusten bij Hem aan Wie ik het woord ga geven.

Een paar passen vóór de plaats van het gebed staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet, ook in mijn grootste verlatenheid en moedeloosheid, zoals Jezus zijn beide leerlingen opving in hun diepste moedeloosheid. Ik maak een gebaar van eerbied en aanbidding.

Dan neem ik de houding aan van het gebed, geknield of zittend of liggend, voorover of achterover, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen zodat ik beter kan letten op de innerlijke bewegingen, zoals de leerlingen deden toen zij opmerkten: "Brandde ons hart niet in ons...". Door die innerlijke bewegingen moet ik me ook laten leiden bij de inrichting van mijn leven. Dat vraag ik nu ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Binnen de ruimte van Gods tegenwoordigheid breng ik me de geschiedenis te binnen van Gods meest intieme zelfmededeling in Jezus. Eerst zien we hoe twee leerlingen zich van Jeruzalem verwijderen, dat wil zeggen het leven met Jezus de rug toekeren. Ze zijn bezig een nieuwe toekomst te ontwerpen, maar nu zonder Jezus. Bij dat dieptepunt treft Jezus hen aan. Hij laat ze helemaal uitspreken. Op het dieptepunt neemt Hij het initiatief over en laat hen zien, dat in het lijden en de dood een goddelijk "moeten" verborgen ligt: "Moest de Messias dat alles niet lijden?" Dan laat Jezus zien hoe dit geheimvolle moeten ten grondslag ligt aan het leven van de Godsknechten en profeten van het Oude Verbond. Nadat Hij zichzelf had verkondigd als de vervulling van de belofte breekt Hij samen met hen het brood. Van woorddienst gaat Jezus over naar de offerdienst: Hij geeft zichzelf als slachtoffer. Aan dit teken herkennen de leerlingen de identiteit van Jezus. Nu is het donker van de avond niet meer schrikwekkend. Ze gaan het duister in, terug naar Jeruzalem, terug naar de kerk: "Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen." Zien hoe ik zelf een Emmaüsganger ben, op weg, en hoe Hij op mijn levensweg met mij mee oploopt en hoe ook ik Hem soms niet herken.
De geschiedenis komt mij pas echt voor de geest, wanneer ik ook in de geest de plaats zie waar dit geschied is: tussen Jeruzalem en Emmaüs, en waar dit nog steeds geschiedt: op mijn eigen levensweg.

Het gaat om een innerlijk gebeuren waarvan ik reeds het begin kan bespeuren in het verlangen naar de bijzondere genade: Hem te mogen herkennen als gezel op mijn levensweg.

 
Juist die dag waren er twee van hen op weg naar een dorp, dat Emmaüs heette en ruim elf kilometer van Jeruzalem lag.

Zien hoe ik onderweg ben. Leven is onderweg zijn. Ben ik me ervan bewust, dat ik hier "geen blijvende woonplaats heb, dat ik onderweg ben naar de stad van de toekomst?" (Hebr 13,14).
Wat wil ik niet beschouwen als voorlopig? Mijn werk, mijn contacten, mijn eer, mijn gezondheid, mijn beeld van God, van Christus, van zijn kerk? Ik kan dat herkennen aan de onderwerpen van mijn verstrooiingen. De onderwerpen waaraan ik in mijn gedachten dikwijls blijf vasthaken, daarin ben ik ongeordend gehecht. Zoals de twee leerlingen ongeordend gehecht waren aan hun Jezusbeeld: "machtig in daad en woord, in het oog van God" en populair: "in het oog van heel het volk."
Niet alleen hun gedachten stroken niet met die van Jezus; ook kiezen zij voor een andere weg: Jezus koos voor Jeruzalem, de twee leerlingen gaan van Jeruzalem weg. Zij kiezen voor een andere toekomst. Onderweg zijn zij bezig met het verleden af te rekenen.
Hoe deden zij dat?

 
Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen. Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden.

Dat zijn drie verschillende omschrijvingen van praten. Ze besteedden er veel woorden aan. Ze komen er maar niet uit. Zij keren de feiten om en om, maar komen geen stap verder, want ze laten zich leiden door een vooroordeel: een Jezus zonder lijden. Het lijden dat van Jezus "moet", mag van hen juist niet.
Zelf ben ik ook altijd in gesprek, ook als ik alleen ben. In mijn gedachten voer ik - vaak onbewust - gesprekken met medemensen: me verdedigend, me waarmakend, me schamend, me boven hen verheffend, op zoek naar geborgenheid en bevestiging, hen oordelend of veroordelend. Ook ik heb er het druk mee, wanneer ik me daarbij door het onchristelijke vooroordeel laat leiden, dat het lijden niet mag. Zwakheid mag niet. Je mag nooit verliezen. Als ik dat vooroordeel eens zou opgeven, wat zou er dan een stilte zijn in mijn hart.

 
Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf op hen toe en Hij liep met hen mee. Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.

Niet vanwege een vermomming herkennen ze Jezus niet, maar omdat hun hart versluierd is: "En als er nog een sluier ligt over de boodschap die wij verkondigen, dan alleen voor...de ongelovigen, wier geest door de god van deze wereld zozeer is verblind, dat zij de glans niet ontwaren van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld is van God" (2 Kor 4,3-4). Niemand kan de sluier van onze geest wegnemen tenzij God. De zin van het lijden zien, kan alleen in geloof. En geloof is een verlichting van ons hart van Godswege. Zonder geloof herkennen wij Jezus niet, zien we niets in Jezus. Maar we hebben God nodig om te kunnen geloven. Zo zitten de leerlingen en wij opgesloten in een vicieuze cirkel die alleen dank zij Gods kracht kan worden doorbroken. Als het gebed van een inwendige monoloog overgaat naar een dialoog en God zelf zich meldt, dan is dat een waarachtig Godswonder. Dat kun je niet eisen. Maar je mag je er wel vol vertrouwen voor open stellen.

 
Hij vroeg hun: "Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?" Met een bedrukt gezicht bleven ze staan.

De onvrede stond op hun gezicht te lezen: "een bedrukt gezicht". Dat is een steeds terugkerend gegeven: wanneer wij met elkaar hebben gesproken in een geest die niet van Jezus was, dan laat ons dat ergens onbevredigd en dan staat de onvrede ook ons op het gezicht te lezen. Dus als ik Hem niet zie en niets in Hem zie, zodat mijn ogen "verhinderd" worden Hem te herkennen, dan zie ik er zo vredeloos uit en als ik er zo vredeloos uit zie, dan is het niet mogelijk Hem te zien. Hoe kwam het, dat die twee leerlingen Hem niet konden herkennen? Wat voor beeld hadden zij dan van Jezus, dat zij Hem niet herkenden?

 
Dat met Jezus de Nazarener, een man die profeet was, machtig in daad en woord in het oog van God en van heel het volk; hoe onze hogepriesters en overheidspersonen Hem hebben overgeleverd om Hem ter dood te laten veroordelen en hoe zij Hem aan het kruis hebben geslagen. En wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!

Wat is er verkeerd aan hun Jezusbeeld? Was Jezus dan geen profeet: "een man die profeet was." Zeker wel: "Een groot profeet is onder ons opgestaan" (Lc 7,16). Dat zegt het volk over Jezus. Maar als Jezus zelf zich de profetentitel aanmeet, dan is dat om er het oneervolle van te benadrukken: "Voorwaar, Ik zeg u: Geen profeet wordt aanvaard in eigen vaderstad" (Lc 11,47); "Vandaag, morgen en overmorgen moet Ik voorttrekken, want het past niet, dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt die tot u zijn gezonden!" (Lc 13,33-34); "Wie van de profeten zijn door uw vaderen niet vervolgd?" (Hand 7,52). De profeten verkondigen heil en onheil. Of beter gezegd: in het onheil steekt het heil. Het geluk dat zij verkondigen, zit achter en in het ongeluk. De weg naar het beloofde land loopt door de woestijn. Maar dat was het Godsbeeld van de Emmaüsgangers niet. Dat was heel ongenuanceerd: "machtig in daad en woord, in het oog van God én van heel het volk." Maar toen de onmacht kwam: overgeleverd, ter dood veroordeeld, aan het kruis geslagen, drie dagen in het graf, toen sloeg hun stemming om: van gelukzaligheid naar onbehagen.
De afwijzing van het kruis is de diepste reden van alle onvrede. Wil ik in Jezus en in zijn kerk vooral macht zien, de macht van het getal, van de eenheid, de grote instellingen?
Hoe selectief ben ik in mijn kijk op Hem en op zijn kerk? Mag de kerk er van mij ook zijn in de ontluisterde gestalte van nu?

 
Nu sprak Hij tot hen: "O onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben! Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan? Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten wat in al de Schriften op Hem betrekking had."

Nu moeten de twee leerlingen gaan luisteren. Dat is de tweede stap in elke ontmoeting met God. De eerste stap: spreken, maar dan wel zó spreken, dat je je ervan bewust bent dat Hij luistert. Daarom is het nodig pauzes te leggen in je gebed om te kunnen merken of Hij iets terugzegt. Maar op het moment van de genade neemt Jezus het initiatief over en is Hij alleen aan het woord; het bidden gaat als vanzelf, moeiteloos. Je hoeft maar te luisteren. Alles komt in een heel ander licht te staan. Je kijkt door de donkere buitenkant van je leven heen naar de lichtende binnenkant. En ook de heilige Schrift gaat je veel meer zeggen. Ineens beginnen de psalmen te spreken. Het lijkt wel of bepaalde zinnen speciaal voor jou zijn bedoeld. Dan neemt Jezus opnieuw het woord zoals destijds bij zijn twee leerlingen op de weg naar Emmaüs: het duistere lijden wordt de bevrijdende poort naar de glorie van Jezus. En je raakt ervan overtuigd, dat datgene wat nu juist helemaal niet moest, in een andere hogere zin juist wél moest. Een heilig moeten. Passend in een hoger plan van liefde. Op zulk een moment roep je dan samen met de Emmaüsgangers uit:

 
"Brandde ons hart niet in ons, zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?"

In zulke momenten worden wij in de brand van Gods liefde getrokken. Nu al, nu wij nog onderweg zijn naar Hem toe. Want Jezus loopt zelf met ons mee op onze levensweg en geeft ons zijn heilige Geest. Door het inwendige getuigenis van de heilige Geest lezen wij in het uitwendige getuigenis van de heilige Schrift ons eigen leven volgens het door God bedoelde plan, zodat wij er van harte ja op kunnen zeggen. Met een brandend hart. Kan ik me zulke momenten herinneren? Twee van zulke momenten zouden al voldoende zijn om er zeker van te zijn, dat Jezus altijd met me meeloopt. Want de lijn die de ene brandende Godservaring met de andere verbindt, is de lijn van Jezus' onzichtbare, maar blijvende gezelschap op mijn aardse levensweg. Zo kan ik mijn geloof vernieuwen in Jezus' belofte: "Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld" (Mt 28,20).
Intussen is het verlangen naar zijn blijvende aanwezigheid in hun hart gelegd. Nog vóórdat zij de genade van Jezus' blijvende gezelschap gaan ontvangen, ontvangen zij eerst het verlangen naar die genade:

 
Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen, maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan. Zij drongen bij Hem aan: "Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde." Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven.

Nog onbewust van de diepere reikwijdte van hun vraag, vragen zij Jezus om bij hen te blijven. De woorddienst van zijn verklarend Schriftonderricht doet hen - onbewust - verlangen naar méér, naar wat zal blijken een sacramentele tegenwoordigheid te zijn. Zo gaat het in elke eucharistie tot op de dag van vandaag: de woorddienst maakt ons open voor de dienst van het offer, in de gestalte van het sacrament. Woord én gebaar zal hen bij het geheim van zijn persoon brengen.

 
Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte het hun toe. Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht.

Het zijn de gebaren die Jezus maakte bij de wonderbare broodvermenigvuldiging en bij het laatste avondmaal: hetzelfde "nemen" van het brood (Lc 9,16; 22,19), hetzelfde "zegenen" (Lc 9,16; 22,19), hetzelfde "breken" (Lc 9,16; 22,19). Die woorden over het lijden van de Messias dat "moet", worden door Jezus met zijn gebaar van broodbreken in een onmiddellijk verband gebracht met zijn levensoffer: "Dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt" (Lc 22,19). Wat zijn woorden over de lijdende Messias eerst hadden gezegd, dat wordt door Jezus met zijn gebaar persoonlijk tegenwoordig gesteld. Daaraan herkenden zij Hem. De smadelijke kruisdood, die eerst voor hen een belemmering was om Jezus te herkennen, werd nu voor hen juist het signalement. Het is zoveel als de proef op de som of zij zijn onderricht over de lijdende Messias werkelijk begrepen hadden. Hadden zij die woorden niet begrepen, dan hadden zij Jezus niet herkend aan het breken van het brood, zoals zij Jezus aan het kruis niet konden herkennen als de Messias, omdat zij het onderricht over het lijden "niet begrepen": "die woorden bleven voor hen omsluierd, zodat zij het niet konden vatten" (Lc 9,45; 18,34).
Jezus verdween dus wel uit hun gezicht als lichamelijk waarneembare gestalte, maar Hij bleef bij hen in een sacramentele tegenwoordigheid, dat is op aards-hemelse wijze. Een leven én dood omspannende tegenwoordigheid, een tegenwoordigheid vanachter de dood met een levenskracht die mensen over de dode punten heen zal helpen. Zoals de Emmaüsleerlingen nu aan den lijve ondervonden:

 
Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug.

Wat een verandering! Ondanks het invallende duister en hun lichamelijke vermoeidheid staan zij onmiddellijk op. Dat is Jezus in het heilig Sacrament: voedsel voor onderweg. En eenmaal viaticum; dat is: teerspijze voor onderweg. Jezus in het heilig Sacrament is zelfs in staat voldoende kracht te geven voor die allerlaatste reis, wanneer de menselijke kracht totaal is ingestort.
Zou Hij dan ook geen geestelijke kracht kunnen zijn waarmee Hij nu al over dode punten kan heen helpen. Geloof ik dat? In de mate dat ik dat geloof, zal ik het ook ontvangen.

 
Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen. Dezen verklaarden: De Heer is werkelijk verrezen, Hij is aan Simon verschenen."

Kerk en eucharistie horen samen. Geen eucharistie zonder verbondenheid met kerk, met Simon en de elf, met paus en bisschoppen. Men kan zich de eucharistie niet zelf toeëigenen. De heilige Communie wordt dan ook nooit genomen, maar aangereikt en ontvangen. Ook de persoon die de heilige eucharistie presideert, wordt niet eigenmachtig aangesteld door een willekeurige groep mensen, maar door gevolmachtigden, bisschoppen in verbondenheid met de paus.

Aan het eind moet ik vermijden terug te vallen in een vorm van eenzelvigheid of zelfgenoegzaamheid. Dat kan ik het beste door gesprekken te voeren: met Maria, de moeder van Jezus, aan wie Jezus het eerste is verschenen. Met Jezus zelf, zoals de Emmaüsleerlingen met Hem spraken en Hij met hen. En tenslotte mijn hart uitstorten bij de Vader als de goddelijke Persoon over Wie Jezus op een liefdevolle manier sprak in het "moeten": "Moest de Messias..."
Een Onze Vader bidden.

Tenslotte kan ik erop letten welke geesten mij tijdens het gebed hebben bewogen. De volgende reflexie-vragen kunnen mij bij de onderscheiding helpen.

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Verstrooiingen spelen zich af op terreinen waar ik me door eigen opvattingen en vooroordelen laat leiden en niet door wat God wil.
  2. Waar waren we dan wel bij elkaar? Het is de vraag die de Emmaüsleerlingen spontaan beantwoordden toen zij zeiden: "Brandde ons hart niet in ons zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?" Toen werden ze door Gods Geest geleid, anders dan toen zij zelf aan het woord waren. Toen waren ze in de greep van een verkeerde geest.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Het is een duidelijk teken van de goede geest, als ik een blijvend gevoel bespeur van vrede en vreugde in de Heer.