Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 1 | bij het meer van Tiberias. De verschijning verliep als volgt: |
| 2 | Simon Petrus, Tomas die ook Didymus genoemd wordt, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen. |
| 3 | Zij antwoordden: "Dan gaan wij mee." Zij gingen dus op weg en klommen in de boot, maar ze vingen die nacht niets. |
| 4 | stond Jezus aan het strand, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was. |
| 5 | vis?" "Neen," zeiden ze. |
| 6 | boot, daar zult ge iets vangen." Nadat ze dit gedaan hadden, waren ze niet meer bij machte het net op te halen vanwege de grote hoeveelheid vissen. |
| 7 | Petrus: "Het is de Heer!" Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, trok hij zijn bovenkleed aan - want hij droeg slechts een onderkleed - en sprong in het meer. |
| 8 | want zij waren niet ver van de kust, slechts ongeveer tweehonderd el, en sleepten het net met vissen achter zich aan. |
| 9 | zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd met vis erop en brood. |
| 10 | "Haalt wat van de vis die gij juist gevangen hebt." |
| 11 | en sleepte het net aan land. Het was vol grote vissen, honderddrieënvijftig stuks, en ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet. |
| 12 | Wetend dat het de Heer was, durfde geen van de leerlingen Hem vragen: "Wie zijt Gij?" |
| 13 | en zo ook de vis. |
| 14 | verscheen sinds hij uit de doden was opgestaan. |
| Johannes 21,1-14 |
Beginnen met de geest wat te laten rusten bij Hem, de Vreemdeling aan het strand van de eeuwigheid op Wiens aanwijzing dit gebedsuur overvloedig vruchtbaar zal worden. Als ik maar let op het contact met Hem in het geloof aan zijn contact met mij en niet op gevoelens en gedachten. Daar moet ik nu juist los van.
Bij de plaats van het gebed maak ik me staande bewust van zijn aanwezigheid en hoe Hij nog meer begaan is met mijn bidden dan ikzelf. Eenmaal wetend dat het de Heer is (v.12), maak ik een gebaar van eerbied.
Ik neem de houding van het gebed, liggend, zittend of geknield, maar zo min mogelijk bewegend zoals de vissers doen, wanneer zij het net hebben uitgegooid. In die houding vraag ik om de genade, dat ik zo ook mag leven, waakzaam op zijn woord en wenk, dat al mijn bedoelingen, handelingen en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Ik overzie de geschiedenis in grote lijnen: Een nachtlange mislukking maakt de leerlingen open voor een andere vangst: de levende Heer in de netten van hun geloof. Johannes is de eerste die beet heeft. Petrus moet als Jezus' plaatsbekleder het eerste bij Jezus zijn. Tenslotte zijn ze allemaal rond Jezus verenigd, maar let wel: bij een houtskoolvuur. Petrus' aanstelling tot opperherder geschiedt evenals zijn verloochening (Joh 18,18) bij een houtskoolvuur. De vis wordt erbij gehaald om het wonder uit te tellen en om het apostolische ambt van Petrus' leiding eenzelfde beloftvolle toekomst in het vooruitzicht te stellen als de eucharistie. Het ambt krijgt nog een eigen geschenk erbij: het ene net scheurde niet, "ofschoon het er zoveel waren" (v.11). De universaliteit doet geen afbreuk aan de eenheid. Tenslotte weerhoudt de eerbied voor zijn Naam hen ervan Hem naar zijn Naam te vragen. Want Hij is "Ik ben die is" (Ex 3,13-15): "wetend dat het de Heer was" (v.12).
Uit dankbaarheid voor het respect dat Jezus heeft opgebracht voor de mensen door ze op te zoeken op de plaats zelf waar ze wonen en werken, stel ik me ook de plaats voor waar dit heeft afgespeeld: het meer van Galilea, het strand met het houtskoolvuur.
Nogmaals belijd ik mijn onvermogen en mijn onwaardigheid om in het geheim binnen te treden door om de bijzondere genade te vragen: een innerlijke kennis van de Heer zoals Johannes had, toen hij als eerste in de vreemdeling aan het strand de Heer erkende.
"Simon Petrus zei tot hen: ik ga vissen. Zij antwoordden hem: dan gaan wij mee. Zij gingen dus op weg en klommen in de boot, maar ze vingen die nacht niets."
Zien hoe zij het net uitwerpen. In de nacht. Wachten. Ophalen. Niets. Weer werpen ze het net uit. Weer wachten. Ophalen met gegroeide verwachting. Weer niets. Zo de hele nacht door. Tot de ochtend begint te gloren en de kans voorgoed bekeken is.
Ik breng mij mijn eigen mislukkingen te binnen. Mijn zwakke plekken, mijn verkeerde neigingen. Hoelang zit ik ermee en heb ik al gebrobeerd er iets aan te doen? Ook kan ik denken aan mijn bidden nu: ik wil wel bij Hem zijn, maar hoe dikwijls dwaal ik af?
"Toen het reeds morgen begon te worden, stond Jezus aan het strand, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was. Jezus sprak hen aan: Vrienden, hebben jullie soms wat vis? Neen, zeiden ze. Toen beval Hij hun: Werpt het net uit rechts van de boot, daar zult ge iets vangen."
Zien hoe zij nu opnieuw het net uitgooien, maar nu niet vanuit hun eigen vissersinzicht (dat zegt dat de nacht de gunstige tijd is om te vissen), maar alleen omdat die vreemdeling dat zegt. Uit geloof in hem. En dan in geloof zien hoe op dit moment hetzelfde zich met mij afspeelt: Jezus staat aan het strand van de eeuwigheid te wachten tot ik mijn vertrouwen in Hem stel. Hij wil mijn leven vruchtbaar maken. Nu zal ik opnieuw beginnen met het gebed, met de bestrijding van mijn ondeugden. Maar nu zal ik het doen in samenspraak met Hem. Ook in het gebed me meer bewust maken dat Hij er is. Ik kan dat besef laten groeien door langzaam te bidden, door pauzes te leggen om te kunnen luisteren of Hij ook iets wil zeggen. Niet doen alsof ik alleen was. Hem in alles kennen, ook in het allerkleinste.
"Nadat ze dit gedaan hadden, waren ze niet bij machte het net op te halen vanwege de grote hoeveelheid vissen. Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus: Het is de Heer. Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, trok hij zijn bovenkleed aan - want hij droeg slechts een onderkleed - en sprong in het meer. De andere leerlingen kwamen met de boot, want zij waren niet ver van de kust, slechts ongeveer tweehonderd el, en sleepten het net met de vissen achter hen aan."
Niet het brood en de vis en de verzadiging zijn zo belangrijk, maar de gemeenschap met Hem, er weet van hebben dat Hij vanaf het strand van de eeuwigheid de kerk leidt. Wanneer ik met de hulp van Jezus mijn gebreken overwin, dan is niet die verbetering op zich zo belangrijk, maar de gegroeide verbondenheid met Hem, de Heer. Zo kunnen ook mijn gebreken en mislukkingen voor mij toch winst opleveren, winst namelijk aan de verbondenheid met hem. Want iemands gebreken kunnen hem soms meer geestelijk voordeel opleveren dan zijn geslaagde eigenschappen en successen. Want deugden en zelfoverwinningen kunnen iemand doen steunen op eigen kracht. Gebreken en mislukkingen brengen soms eerder naar Hem toe.
"Toen zij aan land waren gestapt, zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd met vis erop en brood. Jezus sprak tot hen: Haalt wat van de vis die gij juist ontvangen hebt. Simon Petrus ging weer aan boord en sleepte het net aan land."
Het houtskoolvuur zet Petrus weer in het middelpunt, maar het herinnert hem aan de zwartste bladzijde in zijn carrière als volgeling van jezus: "Omdat het koud was, hadden de knechten en dienaars een houtskoolvuur aangelegd en stonden zich te warmen. Ook Petrus stond bij hen en warmde zich" (Joh 18,18). Om door Jezus verheven te worden, hoeft men zijn schuld en zwakheid niet te verdringen. Integendeel: "alwie zich vernedert, zal verheven worden" (18,14); "Vernedert u dan onder Gods machtige hand, opdat Hij u te zijner tijd verheft" (1 Petrus 5,6). Wat de genade in ons doet is: de zelfverzekerdheid ondergraven totdat ons laatste bolwerk is genomen, die bunker van basalt waarin zich onze zelfgenoegzaamheid heeft verschanst. Dan krijg je wat de traditie noemt: de vermorzeling van het hart. Dan pas kan Hij ons verheffen zonder gevaar dat wij hoogmoedig worden.
"Het was vol grote vissen, honderddrieënvijftig stuks en ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet."
Petrus in zijn functie van opperherder waartoe hij straks door Jezus officieel zal worden aangesteld, haalt de apostolische buit binnen: 153 stuks, zoveel als volgens de biologie der ouden er soorten vissen de wateren van het aardrijk bevolkten. Met andere woorden: in de netten van de kerk is de volle universaliteit vertegenwoordigd, de volle 'katholiciteit' of 'algemeenheid': alle rassen, talen en standen zijn erin thuis. En ofschoon er een zo grote verscheidenheid is, scheurt de eenheid niet. De scheuringen die er zijn, doen daar niets aan af, omdat Jezus zelf de band van de eenheid is en er dus van Hem uit steeds weer nieuwe eenheid ontstaat. Jezus zelf is niet aan verdeeldheid onderhevig. Hij is de Heer van de kerk. Zo wordt Hij in een laatste close-up getoond.
"Jezus zei hun: Komt ontbijten. Wetend dat het de Heer was, durfde geen van de leerlingen Hem te vragen: Wie zijt Gij? Jezus trad dichterbij, nam het brood en gaf het hun en zo ook de vis."
Het besef van Gods tegenwoordigheid doet hier Jezus tegelijk ver en dichtbij zijn. Onmiskenbaar speelt hier de sfeer bij de oud-christelijke eucharistievieringen een rol: vol van eerbied voor de aanwezigheid van de Heer.
Aan het eind van het gebed moet ik ervoor waken dat ik niet zomaar overga tot de orde van de dag, maar de gebedsgeest over de grenzen van het gebed meeneem naar het 'gewone' leven. Een goede manier is nog even de personen langs te gaan voor een kort afscheidswoordje.
Gesprekjes voeren met Jezus de Heer. Me door Jezus naar zijn Vader laten brengen. Bij de Vader mijn hart uitstorten in dank, vertrouwen, aanbidding, voorbede. Een Onze Vader bidden.
Dan wat afstand nemen voor de vragen van de reflexie:
