Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Vijfde zondag van Pasen


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
"Laat uw hart niet verontrust worden.
Gij gelooft in God,
gelooft ook in Mij.
2 In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.
Ware dit niet zo, dan zou Ik het u hebben gezegd,
want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden.
3 En als Ik ben heengegaan
en een plaats voor u heb bereid,
kom Ik terug om u op te nemen bij Mij,
opdat ook gij zult zijn waar Ik ben.
4 Gij weet waar Ik heenga,
en ook de weg daarheen is u bekend."
5 Tomas zei tot Hem:
"Heer, wij weten niet waar Gij heengaat:
hoe moeten wij dan de weg kennen?"
6 Jezus antwoordde hem:
"Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.
7 Als gij Mij zoudt kennen,
zoudt gij ook mijn Vader kennen.
Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem."
8 Hierop zei Filippus:
"Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg."
9 En Jezus weer:
"Ik ben al zo lang bij u
en gij kent Mij nog niet, Filippus?
Wie Mij ziet, ziet de Vader.
Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader?
10 Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben
en de Vader in Mij is?
De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf,
maar het is de Vader die, blijvend in Mij,
zijn werk verricht.
11 Gelooft Mij:
Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij.
Of gelooft het anders omwille van de werken.
12 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
Wie in Mij gelooft,
zal ook zelf de werken doen die Ik doe.
Ja, grotere dan die zal hij doen,
omdat Ik naar de Vader ga."
Johannes 14, 1-12

Niet zomaar met het gebed beginnen. Eerst letten op de instelling van mijn geest. Want deze is bepalend voor mijn gebed. Jezus zegt in dit evangelie hoe de instelling van mijn geest moet zijn: "niet verontrust". Eerst de geest laten rusten bij Hem die in staat stelt het allerverontrustende in rust en vrede te doorstaan.

In die gegroeide rust een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, me staande zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, een leven en dood omspannende tegenwoordigheid. Hij is gewend zijn volk op te wachten op de diepte-punten van de geschiedenis: uittocht, ballingschap, kruis, vervolging, lijden en dood. Zou Hij mij nu ook niet zien om mij bij te staan? De eerbied voor zijn liefdevolle aanwezigheid laten groeien door een gebaar te maken van eerbied, me kleinmaken voor Hem.

De houding van het gebed aannemen, knielen, liggen of zitten, zo min mogelijk bewegen, zodat ik er beter op kan letten hoe ik bewogen wórd. En dat dan ook als een genade vragen, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Dan haal ik me de geschiedenis voor de geest van Gods meest volledige zelf-openbaring en zelf-mededeling in Jezus, zijn Zoon. Op de avond voor zijn lijden en dood spreekt Jezus uit wat wij de afscheidsrede noemen. Maar Jezus noemt het niet zo. Hij spreekt op een gelovige manier over wat Hem gaat overkomen; voor Hem is het: heengaan, een plaats bereiden, naar de Vader gaan. In zijn afscheidsrede leert Jezus ons om door de verontrustend duistere buitenkant van zijn dood heen te kijken naar de lichtende binnenkant. Dit geheim van Jezus' geschiedenis zet zich voort in de afscheidssituaties in mijn eigen leven.

Ik kan me beter in de geschiedenis inleven, wanneer ik me ook de plaats voor ogen stel waar dit afscheid zich afspeelde: in de zaal waar Jezus met de zijnen het laatste avondmaal had gevierd en zijn leerlingen de voeten had gewassen, twee handelingen waarmee Jezus de diepere betekenis van zijn dood wilde aangeven: een vrijwillige zelfvernedering (voetwassing) als verlossend zoenoffer voor alle mensen (avondmaal).

Het gebed wordt vruchtbaarder, wanneer ik zou aansluiten bij de verlangens van mijn eigen hart. Als ik in mij een verlangen bemerk om Jezus beter te leren kennen in zijn diepere werkelijkheid als Zoon van de Vader en als sacrament van de Godsontmoeting, dan is het goed om dat ook te vragen: als een bijzondere genade om Jezus te mogen leren kennen met een innerlijke kennis, een kennis die mij in staat stelt om in Jezus de Vader te zien.

 
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Laat uw hart niet verontrust worden. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo, dan zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden. En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben."

Dat Jezus uit hun midden zou wegvallen, was voor de leerlingen iets onvoorstelbaars. Het was in hoge mate verontrustend. We kunnen denken aan soortgelijke situaties in ons eigen leven: de dood van een dierbare, een teleurstelling in de mensen die je meende te kunnen vertrouwen. Maar hoe erg ook - dit is toch allemaal maar een flauwe afspiegeling van de schokwerking die er van Jezus' dood uitging. En nu zegt Jezus: "Laat uw hart niet verontrust worden." Mogen we dan geen gevoelens meer hebben? Zeker wel. Hij had ze ook: "Toen Jezus Maria, de zus van Lazarus, zag wenen, eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij: Waar hebt ge hem neergelegd?" (Joh 11,33-34). Wij zijn geen supermensen. Niets menselijks is ons vreemd. En ook Jezus is geen super-mens. Hij deelde de spontane afkeer van onze natuur van de dood: "Nu is mijn ziel ontroerd. Wat moet Ik zeggen? Vader, red Mij uit dit uur?" (Joh 12,27). Ook Jezus kende ontroering en verontrusting net zoals wij. Maar vandaag zegt Jezus ons: "Laat uw hart niet verontrust worden." Verontrusting hoeft niet het laatste te zijn, het diepste. Je mag best bang zijn. Doodsbang. Bang voor de dood. De angst mag groot zijn, maar hoeft niet de overhand te hebben. Rustig bang zijn, wanneer onze gedachten het begeven. Wij worden uitgenodigd om, juist zoals Hij, heel ons wezen te concentreren in zijn goddelijke persoonlijkheid. Dit kan nu al in het gebed door me door God te laten toeëigenen door het middelpunt van mijn wezen en van de wereld in God te leggen.

 
"Gij weet waar Ik heenga, en ook de weg daarheen is u bekend." Tomas zei tot Hem: "Heer, wij weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen?" Jezus antwoordde hem: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. Als gij Mij zoudt kennen, zoudt gij ook mijn Vader kennen. Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem."

Jezus staat tussen God en ons in, niet als een sta in-de-weg of op-stapje of als voorbeeld, maar als Middelaar, als sacrament. Jezus is het sacrament van de Godsontmoeting. Zoals de kerk het sacrament is van Jezus, zo is Jezus het van God. Zonder kerk geen goed zicht op Jezus. Zonder Jezus geen goed zicht op de Vader. Natuurlijk is er buiten Jezus en de kerk ook wel enige kennis van God mogelijk, maar vergeleken bij de volheid van kennis via Jezus en de kerk is dat meer niet dan wel. Zoals een sacrament de genade bevat die het betekent, zo komen mensen door Jezus, door zijn woorden en werken, in aanraking met de Vader waarheen Hij verwijst en over wie Hij spreekt. De Vader zelf is in Jezus' woord en werk, in heel Jezus' bestaan aanwezig. Zo is het nog steeds in de kerk.

 
Hierop zei Filippus: "Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg." En Jezus weer: "Ik ben al zo lang bij u en gij kent Mij nog niet, Filippus? Wie Mij ziet, ziet de Vader. Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader? Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar het is de Vader die, blijvend in Mij, zijn werk verricht. Gelooft Mij: Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij. Of gelooft het anders omwille van de werken."

Lijken Jezus en de Vader dan zo op elkaar dat de Vader evengoed mens had kunnen worden? Zijn Jezus en de Vader dan onderling verwisselbaar? Nee, er is geen grotere afstand tussen personen denkbaar dan tussen de Vader en de Zoon: de Vader geeft het leven - de Zoon ontvangt het leven. Toch is er ook geen grotere eenheid denkbaar dan tussen Vader en Zoon. Het is de eenheid van de liefde, van de heilige Geest. De Zoon weerspiegelt zijn Vader zoals een kind zijn ouders weerspiegelt. Is een kind blij, spontaan, gevoelig, open, dan denk je als vanzelf: wat moet die goede ouders hebben! Maar het zou ook aan de omstandigheden kunnen liggen, rijkdom, luxe, zorgeloosheid. Blijft het kind even sereen in armoede en honger, in hard moeten werken, dan dringt nog sterker de vraag: waar leeft dat kind van? Wordt zo'n kind dan ook nog door andere kinderen geslagen en geschopt, uitgejouwd en uitgelachen, en het blijft nog hetzelfde blije, lieve kind zonder zich door gevoelens van wraak of zelfmedelijden te laten leiden, dan dringt zich onweerstaanbaar de vraag op naar de ouders van zo'n kind. Als we Jezus in de zaal van het laatste avondmaal zo in alle blijmoedigheid en diepe vrede zijn leerlingen horen toespreken en we weten van zijn bewustzijn van het aanstaande lijden, dan zijn we rakelings nabij aan de Vader van Jezus. Bidden is zó met Jezus omgaan, dat we voeling krijgen met de kracht en de liefde waar Jezus uit geleefd heeft.

 
"Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal ook zelf de werken doen die Ik doe. Ja, grotere dan die zal hij doen, omdat Ik naar de Vader ga."

Wie zich in geloof boven zijn natuurlijke gevoelens verheft, deelt in de geestkracht van Jezus. Maar de geestkracht van Jezus werd pas ten volle beschikbaar gesteld aan de kerk, toen Jezus door zijn dood van ons heenging. Toen pas kon Hij de geest geven: "de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was" (Joh 7,39). Jezus' verheerlijking heeft plaats in zijn dood (Joh 12,23-24).

Aan het eind gesprekjes voeren met de leerlingen, met Jezus en met de Vader. Een Onze Vader bidden. Dan wat afstand nemen om te onderscheiden wat voor geesten mij hebben bewogen:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Op de gebieden waar mijn verstrooiingen zich afspelen, blijf ik nog teveel aan de buitenkant hangen en dring ik nog te weinig door naar de lichtende binnenkant.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Momenten dat ik in Jezus contact had met de liefde van zijn Vader?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Door het contact met Jezus in het gebed kan iets van zijn onverstoorbaarheid mij eigen zijn geworden die mijn deel blijft ook na het gebed.

De Weg, de Waarheid en het Leven