Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Vijfde zondag van Pasen


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
Na diens vertrek zei Jezus:
31 "Nu is de Mensenzoon verheerlijkt
en God is verheerlijkt in Hem.
32 Als God in Hem verheerlijkt is
zal God ook Hem in zichzelf verheerlijken,
ja, Hij zal Hem spoedig verheerlijken.
33 Kindertjes, nog maar kort zal Ik bij u zijn.
34 Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben;
zoals Ik u heb liefgehad,
zo moet ook gij elkaar liefhebben.
35 Hieruit zullen allen kunnen opmaken
dat gij mijn leerlingen zijt:
als gij de liefde onder elkaar bewaart."
Johannes 13,31-33a.34-35

De wereld van het evangelie is totaal anders dan de wereld van het gewone menselijke denken en aanvoelen. Je komt van het duister in het felle licht. Je ogen moeten eraan wennen. Ergens leeft dat licht ook in ons: het licht van het geloof. Heel diep in ons is dat licht er al.
Bij het begin van de overweging van het evangelie moeten we eerst voeling krijgen met dat geloofslicht. Werk, contacten, gevoelens en gedachten laten voor wat ze zijn. Alleen Hij en diep in onszelf onder gevoel en gedachte die neiging, die trek naar Hem.

Dan nog niet meteen beginnen, maar mijn spontane neiging om meteen op het evangelie af te gaan, afremmen om zodoende op een grotere diepte te komen: bij de plaats van het gebed gekomen staande, een paar passen ervandaan, de blik omhoog, zien hoe Hij mij ziet. Me laten beschijnen door de zon van zijn liefde. Dan een gebaar maken van eerbied. Want Hij is tegelijk ook mijn Heer. Ik ben zijn dienaar of dienares.

De houding van het gebed aannemen, een houding waarin vertrouwen en eerbied kunnen worden uitgedrukt en ingeoefend. Vragen om de genade dat al mijn bedoelingen, handelingen en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

In vogelvlucht overzie ik de geschiedenis van het geheim: Jezus heeft zijn leerlingen de voeten gewassen als beeld van de slavendienst van zijn liefdesdood. Hij voorzegt het verraad van Judas. Judas gaat weg: "Het was nacht" (13,30). "Na diens vertrek zei Jezus: Nu is de Mensenzoon verheerlijkt..." Jezus legt aan zijn apostelen uit hoe Hijzelf zijn dood zal overleven en hoe zijn leerlingen zijn dood kunnen overleven. Door elkaar lief te hebben zoals Hij hen heeft liefgehad. Met een liefde dus tot het uiterste.

De plaats waar dit door Jezus werd gezegd: de zaal van het laatste avondmaal, dat wil zeggen de ruimte van zijn volkomen zelfgave aan de kerk. En dan de situaties voor ogen stellen waarin ik mensen hun laatste uur heb zien beleven in vertrouwvolle overgave aan God.

Als laatste voorbereiding vraag ik om de bijzondere genade Jezus te mogen leren kennen met een innerlijke kennis, niet alleen als model en voorbeeld, maar als innerlijke kracht, als bron voor bezieling om de naaste lief te kunnen hebben zoals Hij.

 
"Na diens vertrek zei Jezus: Nu is de Mensenzoon verheerlijkt en God is verheerlijkt in Hem. Als God in Hem verheerlijkt is, zal God ook Hem in zichzelf verheerlijken, ja, Hij zal Hem spoedig verheerlijken."

Jezus spreekt deze woorden onmiddellijk nadat Judas de nacht is ingegaan. Deze nacht is de nacht van de geschiedenis. Deze inktzwarte nacht ziet Jezus verlicht door Gods glorielicht. Op dit uur smaakt Jezus de vreugde van zijn overwinning op de dood. Hij ervaart dat zijn liefde sterker is dan de dood, sterker dan het kwaad, sterker dan het verraad. Dat is de vreugde die mensen nog steeds kunnen smaken in het lijden, wanneer zij zich volledig hebben losgelaten en overgegeven aan God. Floris Bakels getuigt in zijn boek Nacht und Nebel: "Zoals het licht van de vuurtoren bij zonnig weer op zee slechts als een vonkje te zien is, maar 's nachts verblindende bundels uitstraalt, tientallen mijlen ver zichtbaar, zo was ook de Almachtige, in het gewone leven een vonk, in het KZ (concentratiekamp) op fenomenale wijze tegenwoordig" (blz. 61).
Ik zou kunnen proberen mijn donkere uren opnieuw te beleven. Waarom zag ik dit licht niet? Was mijn geloof niet sterk genoeg? Had ik toch nog teveel andere dingen en mensen om op te steunen? Hoefde de overgave misschien niet zo?

 
"Kindertjes, nog maar kort zal Ik bij u zijn."

Jezus hoort van nu af aan helemaal aan God toe, in het levensoffer helemaal aan Hem geconsacreerd, toegewijd, geheiligd: "omwille van hen wijd Ik Mij aan U" (17,19). Daarmee wordt Hij gescheiden van zijn leerlingen, van ons. Zoals een offerdier dat van de kudde wordt afgezonderd. De heerlijkheid van de Mensenzoon roept meteen het afscheid op van zijn leerlingen. Dat doet pijn aan beide kanten. Daarom wordt Jezus in zijn spreekwijze heel teder: "Kindertjes". Dat zien wij ook bij mensen die zich totaal hebben overgegeven. Zelf zijn ze in grote rust en vrede. Als er nog verdriet is, dan is dat om degenen die achterblijven en die getroffen worden door het afscheid. Maar er is een manier om de gemeenschap te hervinden, om de verbroken verbinding op een dieper niveau te herstellen. Er is een mogelijkheid om de gestorven band met de Heer tot nieuw leven te wekken. Door de onderhouding van het "nieuw gebod".

 
"Een nieuw gebod geef Ik u..."

Dit gebod is niet nieuw, omdat wij het nog niet kenden. Het gebod van de naastenliefde staat al in het Oude Verbond. Aan dat oude gebod voegt Jezus een nieuwe maat toe én een nieuw motief. Het heet niet meer: "uw naaste liefhebben gelijk uzelf" (Lc 10,28), maar zoals Ik u heb liefgehad. Het gebod van de naastenliefde is hetzelfde gebleven. Nieuw is de inspiratie, de kracht om te kunnen volbrengen. Jezus is hier niet alleen het voorbeeld. Want dan zouden wij wel eens eerder ontmoedigd kunnen raken dan aangespoord. Zijn liefde halen wij nooit. Hij had immers lief tot het uiterste. Jezus is veel meer dan alleen een model. Hij straalt die liefde uit. Hij is iemand om mee te leven, om mee om te gaan, om liefdevol te beschouwen. Hij leeft in mij: "Ja, ik voel het, als ik de naaste liefheb, is het Jezus die in mij handelt. Hoe meer ik met Hem verenigd ben, hoe meer ik van mijn zuster houd" (Theresia van Lisieux).
Wij krijgen hier een model aangeboden hoe om te gaan met onze vrienden, maar méér nog met onze vijanden: niet hard tegen hard, maar door onze liefdevolle volharding moet het goede sterker en duurzamer blijken dan het kwaad. Wat moet men doen met het kwaad? Liefhebben. En als het kwaad dan nog niet ophoudt? Langer liefhebben. En als het kwaad tot het uiterste dreigt te gaan? Liefhebben tot het uiterste toe. Dat is de nieuwe levenswet, gegrond namelijk op Jezus' verrassend nieuwe liefde. Met die liefde van Jezus in mij zal ik mijn tegenstanders en de 'moeilijke' mensen opnieuw tegemoet gaan.

Aan het eind gesprekjes voeren. Met de Vader. Een Onze Vader bidden met de liefde van Jezus.

Tenslotte wat afstand nemen voor een terugblik of reflexie:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Verstrooiingen bevinden zich op de terreinen waar de eigenliefde een overheersende rol speelt.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Groei in overgave, in zuivere liefde?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Bleef er nog iets achter in mijn hart aan gevoelens voor Hem?