Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 15 | "Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden. |
| 16 | u een andere Helper geven om voor altijd bij u te blijven: |
| 17 | voor wie de wereld niet ontvankelijk is, omdat zij Hem niet ziet en niet kent. Gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. |
| 18 | Ik keer tot u terug. |
| 19 | en de wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij zien, want Ik leef en ook gij zult leven. |
| 20 | dat Ik in de Vader ben en gij in Mij en Ik in u. |
| 21 | die hij heeft ontvangen, hij is het die Mij liefheeft. En wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden; ook Ik zal hem beminnen en Ik zal Mij aan hem openbaren." |
| Johannes 14, 15-21 |
Aan het begin eerst mijn instelling verzorgen. Ben ik in de gesteltenis van het gebed? In plaats van zelf zorgen en doen me te láten verzorgen? In dit evangelie spreekt Jezus een beetje moederlijk: "Ik zal u niet verweesd achterlaten." Blijkbaar ziet Hij ons als kinderen die meer láten doen dan zelf doen. Om te kunnen bidden, moet ik overschakelen naar de golflengte van passiviteit en ontvankelijkheid om zijn liefde te kunnen ontvangen, zijn Geest. Daarom eerst de geest wat laten rusten bij Hem.
Een paar passen vóór de plaats van het gebed staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij me ziet in de Geest "die voor altijd" bij me blijft. De eerbied voor die goddelijke aanwezigheid in mij laten groeien door een gebaar te maken van eerbied.
De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen, zodat ik er beter op kan letten hoe ik bewogen word door bewegingen van liefde en genegenheid voor Jezus en zijn Vader. Die uiterlijke houding dient ter versterking van de innerlijke houding van totale toewijding van mijn leven in de dienst van God. Die toewijding kan ik vernieuwen door dit aan God als een genade te vragen: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Ik overzie de geschiedenis: Jezus staat op het punt te vertrekken: "Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer." De leerlingen krijgen de zin van dit vertrek uitgelegd. Het is voor Jezus een heengaan naar de Vader. En voor de leerlingen is het geen echt vertrek: "gij echter zult Mij zien, want ik leef." Jezus gaat weg op de golflengte van "de wereld", maar Hij blijft op de golflengte van de heilige Geest: "om voor altijd bij u te blijven"..."want Hij blijft bij u en zal in u zijn." Wat voor de wereld een nederlaag lijkt, dat is voor Jezus een overwinning. Dat is de mogelijkheid die er voor christenen altijd in zit, wanneer ze in afscheidssituaties komen te verkeren zoals Jezus hier beleeft. Daarom is het goed mij een afscheidssituatie te binnen te brengen uit mijn eigen leven, zodat in het gebed Jezus in staat is deze situatie te doordringen van zijn Geest.
De plaats: de zaal van de voetwassing en het laatste avondmaal, getekend dus door handelingen die eveneens de bedoeling hadden om de ware betekenis van dit ogenschijnlijk zinloze gebeuren met goddelijk gezag te verklaren.
Ik vraag om de bijzondere genade die ik nu verlang: dat ik Jezus beter mag leren kennen naar de Geest, zodat ik Hem daadwerkelijk navolg door zijn geboden te onderhouden en Hem meer van harte liefheb.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Als gij
Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden ...Wie mijn geboden
onderhoudt, die hij heeft ontvangen, hij is het die Mij
liefheeft."
Liefde is het enige passende antwoord op liefde. Het eerste is, dat Hij ons bemint: "Niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad" (1 Joh 4,10). Eigenlijk was er niets aan ons te beminnen: "God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren" (Rom 5,8). Hij bemint ons dus met een barmhartige liefde. Dat zijn dan ook de geboden die wij moeten onderhouden, als wij Hem liefhebben, namelijk dat wij liefhebben zoals Hij ons heeft liefgehad: "Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad" (Joh 15,12). Zijn gebod is, dat onze liefde niet alleen mag uitgaan naar mensen die wij graag mogen en die liefde of vriendschap teruggeven, maar ook naar mensen voor wie wij geen gevoelens van sympathie hebben. De liefde a la Jezus gaat zonder onderscheid uit naar goeden en slechten, vrienden en vijanden, naar mensen van je eigen groep en van andere groeperingen, culturen waarmee je geen enkele verwantschap hebt. Zijn gebod is dus, dat de leerlingen de mensen nooit vanuit de humaniteit beminnen. Zij moeten er iemand bijhalen: God, Jezus om met hun liefde mee de naaste te beminnen, binnen de bedding van hun grotere liefde de eigen gevoelens van sympathie en antipathie laten opnemen en zo de positieve gevoelens laten versterken en de negatieve gevoelens laten relativeren.
"Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper
geven om voor altijd bij u te blijven."
Het is maar goed, dat Jezus dit er meteen aan toevoegt, want hoe zouden wij uit onszelf ooit tot een bovenmenselijke liefde kunnen laten motiveren? Terwijl Jezus in lichamelijke gestalte weggaat, blijft Hij bij ons met de uitstraling van zijn persoonlijkheid, van zijn goddelijke liefde. Naast de vervolging omwille van de Naam Jezus is het gebed een bevoorrechte situatie om de uitstraling van Jezus' Persoon te ondergaan.
"Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper
geven om voor altijd bij u te blijven: de Geest van de waarheid,
voor wie de wereld niet ontvankelijk is, omdat zij Hem niet ziet
en niet kent."
Concreet betekent dit: alleen voor mensen die hun menselijke verhoudingen stellen onder de kritiek van dit gebod van Jezus, wordt de werkelijkheid doorschijnend tot op die wonderbaarlijke binnenkant, namelijk dat wij hier op aarde voortdurend worden begeleid door een "Helper". Een "Helper" veronderstelt, dat er iets te helpen valt. Dat is precies het onderscheid tussen de leerlingen en de "wereld": de "wereld" gelooft niet in een helpende God. De wereld zweert bij "autonomie", zelfgenoegzaamheid. Ergens is die "wereld" ook in ons. Hoezeer wij ook bij doopsel en vormsel zijn gezalfd door de heilige Geest, ook wij behoren nog voor een deel tot die wereld. Ook in ons hart zijn er nog hele gebieden waar wij met zuiver menselijke kracht te werk gaan, waar wij menen God niet nodig te hebben. Vanuit die gebieden dringen er verstrooiingen het gebed binnen.
"Gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u
zijn...gij echter zult Mij zien, want Ik leef en ook gij zult
leven. Op die dag zult gij weten, dat Ik in de Vader ben en gij
in Mij en Ik in u."
Wie zou durven bevestigen dat hij de heilige Geest kent en dat hij Jezus "ziet"? Deze dingen worden in eerste instantie van de kerk gezegd. De heilige Geest is de ziel van de kerk. Daarom is de kerk onfeilbaar. Dat betekent niet, dat mensen van de kerk geen fouten zouden kunnen maken, maar dat de kerk als zodanig niet kan dwalen. Mensen kunnen altijd op de geestelijke leiding van de kerk vertrouwen. Bijvoorbeeld bij het ontvangen van de eucharistie hoeven we er nooit aan te twijfelen of Jezus ook werkelijk tegenwoordig komt. Ook al is de priester nog zo gebrekkig. Heeft hij gedaan wat de kerk bedoelt, dan hoeft geen gelovige meer te twijfelen. Zo ook met het leergezag van de kerk in morele vraagstukken. In de zee van morele willekeur is de kerk een vast baken. Want de Geest is altijd in haar en Jezus leeft daarin voort met heel zijn goddelijke kracht die Hem in de Vader doet zijn.
"Wie mijn geboden onderhoudt, die hij heeft ontvangen,
hij is het die Mij liefheeft. En wie Mij liefheeft, zal door mijn
Vader bemind worden; ook Ik zal hem beminnen en Ik zal Mij aan
hem openbaren."
De nadruk die in het Johannes-evangelie wordt gelegd op het onderhouden van de geboden hangt samen met het bestaan van bepaalde gnostische stromingen die met het christendom allerlei, vooral mooie, termen en beelden gemeenschappelijk hadden (zoals liefde, licht, wijsheid, inwijding), maar zich in hun leefwijze hielden aan de mode van de dag. Precies zoals in onze dagen. Uit de woorden van Jezus kiest sint Jan zich het nodige tegengif: geen liefde zonder onderhouding van de geboden. Wie dat echt doet, die zal ook de goddelijke kracht van Jezus merken. Sint Jan drukt dat graag uit met woorden als: de Vader in Jezus zien en "door mijn Vader bemind worden". Jezus komt nooit alleen, want Hij ís nooit alleen. Altijd is Hij één met zijn Vader. Bijvoorbeeld: als wij het Lichaam van Jezus ontvangen, dan ontvangen wij ook Jezus' godheid. Maar zijn godheid is ook die van zijn Vader. Dus de drie goddelijke Personen horen bij elkaar en komen altijd samen. Ook in het gebed. Bidden is in Jezus' Naam bidden tot de Vader in de kracht van de heilige Geest.
Aan het einde van het gebed gesprekjes voeren met de grote Drie: met Jezus want daarvoor is Hij gekomen, opdat het gesprek weer op gang zou komen. Met de Vader in de heilige Geest: "de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen" (Rom 8,26) en Hij "bevestigt het getuigenis van onze geest, dat wij kinderen zijn van God" (Rom 8,16). Een Onze Vader.
Daarna neem ik wat afstand om aan de hand van een paar vragen te onderscheiden door wat voor soort geesten ik geleid werd.