Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Zevende zondag van Pasen


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Toen sloeg Jezus zijn ogen ten hemel
en zei:
"Vader, het uur is gekomen.
Verheerlijk uw Zoon, opdat de Zoon U verheerlijke.
2 Gij hebt Hem immers macht gegeven over alle mensen
om eeuwig leven te schenken aan allen
die Gij Hem gegeven hebt.
3 En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen,
de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden:
Jezus Christus.
4 Ik heb U op aarde verheerlijkt
door het werk te volbrengen
dat Gij Mij hebt opgedragen te doen.
5 Gij, Vader, verheerlijk Mij thans bij Uzelf
en geef Mij de heerlijkheid,
die Ik bij U had eer de wereld bestond.
6 Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen
die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt.
U behoorden ze toe;
Mij hebt Gij ze gegeven
en zij hebben uw woord onderhouden.
7 Nu weten zij dat al wat Gij Mij gegeven hebt,
van U komt.
8 Want de boodschap die Gij Mij hebt meegedeeld,
heb Ik hun meegedeeld,
en zij hebben ze aangenomen en naar waarheid erkend
dat Ik van U ben uitgegaan,
en zij hebben geloofd dat Gij Mij hebt gezonden.
9 Ik bid voor hen.
Niet voor de wereld bid Ik,
maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt,
omdat zij U toebehoren.
10 Al het mijne is van U en het uwe is van Mij.
Zo ben Ik in hen verheerlijkt.
11a Ik blijf niet langer in de wereld,
zij echter blijven in de wereld,
terwijl Ik naar U toe kom."
Johannes 17, 1-11a

Het begin van het gebed ligt buiten het gebed. Bij de voorbereiding. Die voorbereiding begint bij het hart of de geest. Mijn geest moet een overgang maken: van de zijnswijze van de wereld naar de zijnswijze van Jezus, bij Wie het allemaal om de Vader gaat en van Hem uit om de mensen. Daarom eerst de geest laten rusten bij Hem.

Een paar passen vóór de plaats van het gebed staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, de blik omhoog zoals Jezus deed: "Toen sloeg Jezus zijn ogen ten hemel." De eerbied laten groeien door een gebaar van eerbied.

Dan neem ik de houding van het gebed aan, liggend, zittend of geknield, naargelang ik meen het besef van zijn aanwezigheid het best in mij te kunnen vasthouden. Die gebedshouding zal gemakkelijker vol te houden zijn, wanneer deze uitdrukking is van een meer omvattende levenshouding, van een houding namelijk waarbij al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Dit kan ik nu als een genade vragen.

In het gebed vraag ik om deel te mogen hebben aan "het woord Gods in heel zijn volheid, het geheim dat verborgen was voor alle eeuwen en alle geslachten" (Kol 1,25-26). Dat vraagt een bijzondere voorbereiding. Eerst maak ik mijn eigen geschiedenis één met die van Jezus door me dit bijzondere deel van zijn geschiedenis voor de geest te halen. In het derde deel van Jezus' afscheidsrede richt Hij zich rechtstreeks tot zijn hemelse Vader. Maar terwijl Jezus tot zijn Vader bidt, zijn zijn leerlingen voortdurend in zijn gedachten.
Jezus' gebed is vervuld van Ik en Gij (de Vader) en van "zij" of "de mensen, door de Vader uit de wereld gegeven" (de kerk) en dan tenslotte van "de wereld" die definitief nee gezegd heeft. Deze geschiedenis is tegelijk eind-geschiedenis: wie met Jezus en de kerk gebroken heeft, heeft definitief met hen gebroken. Wie voor Jezus en de kerk hebben gekozen, hebben dat voor eens en altijd gedaan. Jezus kijkt door de geschiedenis van het gemengde ja en nee heen naar het uiteindelijke resultaat. Aan de grens van zijn eigen levensgeschiedenis staat Hij tegelijk aan de grens van alle geschiedenis. Want Jezus is het einde van alles. Hij is het einde der tijden in eigen Persoon.

De plaats is weer de zaal van het laatste avondmaal vervuld van het gebaar van de voetwassing en van het laatste avondmaal. Jezus heeft in die handelingen de eindtijdelijke, goddelijke zin van zijn aardse sterven willen ontsluiten. Het kan helpen om uit mijn eigen leven een of andere afscheidssituatie voor de geest te halen.

Ik vraag om de bijzondere genade, dat ik Jezus mag leren kennen met een innerlijke kennis, een kennis die mij motiveert Hem meer van nabij te volgen en meer van harte te beminnen.

 
Toen sloeg Jezus zijn ogen ten hemel ...

Hier mag ik Jezus zien bidden. Zien hoe Hij zijn ogen opslaat naar de hemel, dat is naar God, naar God die ook Hem blijkbaar te boven gaat: "De Vader is groter dan Ik" (Joh 14,28). Dat de mens zich klein maakt voor God is niet typisch christelijk. Dat doen de heidenen ook. We hoeven maar naar de neo-religieuze bewegingen om ons heen te zien. Religiositeit op zich kan heel goed on-christelijk zijn, ja zelfs anti-christelijk, zoals Jezus trouwens in diezelfde afscheidsrede voorspelde: "Er komt een tijd, dat ieder die u doodt, zal menen een daad van godsverering te stellen" (Joh 16,2). Christelijk is het pas als men buigt voor God die de Vader is van Jezus Christus, de Heer. Want dan buigt men voor een God die liefde is en voor Wie men zich tot het uiterste kan vernederen zonder dat men bang hoeft te zijn, dat men met zijn persoon niet veilig is. Men buigt zich dan zoals Jezus zich gebogen heeft, als knecht en als Zoon. Ik kan beginnen me te vernederen voor de Vader tesamen met de Zoon.

 
... en zei: "Vader, het uur is gekomen. Verheerlijk uw Zoon, opdat de Zoon U verheerlijke."

Jezus buigt zich niet alleen met een liturgisch gebaar. Hij brengt zich zijn uiterste vernedering te binnen, zijn "uur" waarin Hij buigt met zijn leven. Het is het uur waar Hij heel zijn leven naar toegeleefd heeft: "Nog is mijn uur niet gekomen" (Joh 2,4), zegt Jezus te Kana tot zijn moeder. Dat uur vraagt de inzet van heel zijn wezen. Jezus deinst er niet voor terug: "Nu is mijn ziel ontroerd. Wat moet Ik zeggen? Vader, red Mij uit dit uur? Maar daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam! Toen kwam er een stem uit de hemel: Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken" (Joh 12,27). Dat uur van zijn sterven wordt eeuwig geactualiseerd in de eucharistie. In dit uur van uiterste nood bidt Jezus tot zijn Vader. Dit gebed in nood openbaart een eenheid tussen Vader en Zoon, verheerlijkt Vader en Zoon. Eerst in het uur blijkt, dat Jezus zijn werken gedaan heeft in de Vader. Als een mens door alles is heengegaan, blijkt waaruit hij eigenlijk leeft. Heb ik zo'n moment wel eens meegemaakt? Bij mezelf, bij anderen? In elke eucharistie mag ik het opnieuw meemaken bij Jezus.

 
"Gij hebt Hem immers macht gegeven over alle mensen om eeuwig leven te schenken aan allen die Gij Hem gegeven hebt. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden: Jezus Christus."

In zijn doodsuur heeft Jezus het over leven en wel over eeuwig leven. Bij zijn dood wordt het leven zichtbaar, het echte, eeuwige leven. Dat is de macht van de kerk. Macht om het leven te geven, het eeuwige leven, dat is een leven dat doodsbestendig is, dat door de dood heen behouden blijft. De macht om dit leven te schenken gaat heel goed samen met uiterste machteloosheid zoals bij Jezus. Voor de macht van de kerk hoeft niemand bang te zijn.

 
"Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat Gij Mij hebt opgedragen te doen ... Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. U behoorden ze toe; Mij hebt Gij ze gegeven en zij hebben uw woord onderhouden. Nu weten zij dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt. Want de boodschap die Gij Mij hebt meegedeeld, heb Ik hun meegedeeld, en zij hebben ze aangenomen en naar waarheid erkend dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd dat Gij Mij hebt gezonden."

Deze zinnen staan vol met woorden van gehoorzaamheid en afhankelijkheid: "opgedragen", "gegeven", "meegedeeld", "gezonden". Evenals elke mens heeft Jezus moeten gehoorzamen; aan zijn ouders, aan de wetten van de godsdienst. Maar die gewone menselijke gehoorzaamheid wordt meestal ervaren als iets kouds of hards; vooral onder de wet van ziekte en ondergang te moeten staan ervaart de mens als onpersoonlijk, liefdeloos.
Maar wanneer Jezus als mens gehoorzaamt, dan beleeft Hij daarin tegelijkertijd zijn relatie tot de Vader. In de gehoorzaamheid aan het menselijke bestaan beleefde Jezus zijn goddelijke gehoorzaamheid aan zijn Vader en daardoor werd zijn menselijke gehoorzaamheid innerlijk anders: Jezus heeft in alles een gezicht voor zich, een hart, een Vaderhart waaraan Hij zich kon overgeven. Wanneer een christen zichzelf overgeeft, dan zal hij merken dat hij in goede handen is.

 
"Ik bid voor hen. Niet voor de wereld bid Ik, maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt, omdat zij U toebehoren."

Er zijn bij Johannes twee werelden: "de wereld" die door God zozeer bemind wordt, dat Hij zijn eniggeboren Zoon er aan gegeven heeft: "De liefde die God is, heeft zich onder ons geopenbaard doordat Hij zijn enige Zoon in de wereld heeft gezonden om ons het leven te brengen" (1 Joh 4,9). Die wereld is Hem dus alles waard: zijn eniggeboren Zoon. En dan is er nog de wereld die dit genade-aanbod heeft afgewezen en daarmee zichzelf heeft afgeschreven; dat is de wereld die het licht weigert. Dat is de wereld waar Jezus niet voor bidden wil, de wereld die de kerk haat, waardoor de leerlingen vervolgd worden, "omdat zij niet van de wereld zijn" (Joh 17,14). Jezus bidt: "Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben" (Joh 17,16).
Zolang wij nog niet helemaal voor Hem gekozen hebben, is die wereld ergens ook in ieder van ons.

 
"Al het mijne is van U en het uwe is van Mij. Zo ben Ik in hen verheerlijkt. Ik blijf niet langer in de wereld, zij echter blijven in de wereld, terwijl Ik naar U toe kom."

Het klinkt allemaal zo plechtig en verheven, dat je bijna zou vergeten hoe Jezus zijn van-de-Vader-zijn beleeft en hoe Hij in Hem verheerlijkt wordt. Door heen te gaan uit deze wereld, door de wrede dood aan het kruis. Door niets voor zichzelf te behouden, laat Hij zien hoeveel de Vader voor Hem waard is.
Jezus schittert van bovenaardse heerlijkheid door de liefde waarmee Hij zich geofferd heeft voor de Vader en voor ons. Zo is Hij ook in ons verheerlijkt.

Het gebed beëindigen zo goed als het maar eindigen kan: met gesprekjes zoals Jezus een onderonsje heeft met zijn Vader. Vertrouwelijk en eerbiedig. Me door Jezus bij zijn Vader laten brengen en bij de Vader mijn hart uitstorten. Een Onze Vader.

Wat afstand nemen om aan de hand van reflexie-vragen te onderscheiden door wat voor geesten ik bewogen werd:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Terwijl Jezus boven de gewone aardse werkelijkheid verheven is en deze als het ware niet schijnt te kennen, is de verstrooide ondergedompeld in de aardse werkelijkheid en heeft hij geen zicht op de werkelijkheid waar Jezus van leeft. Een goede vraag is dan: wat heeft mij zo in zijn ban?
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar ging voor mij de hemel open?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Is er een blijvend contact met Hem?

Gebed