Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Zevende zondag van Pasen


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en bad:
20 "Heilige Vader, niet voor hen alleen bid Ik,
maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven,
21 opdat zij allen één mogen zijn
zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U;
dat zij ook in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove
dat Gij Mij gezonden hebt.
22 Ik heb hun de heerlijkheid gegeven,
die Gij Mij geschonken hebt,
opdat zij één zijn zoals Wij één zijn:
23 Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt één zijn
en opdat de wereld zal erkennen,
dat Gij Mij hebt gezonden
en hen hebt liefgehad zoals Gij Mij hebt liefgehad.
24 Vader, Ik wil dat zij die Gij Mij gegeven hebt
met Mij mogen zijn waar Ik ben,
opdat zij mijn heerlijkheid mogen aanschouwen,
die Gij Mij gegeven hebt
daar Gij Mij lief hebt gehad
vóór de grondvesting van de wereld.
25 Rechtvaardige Vader, al heeft de wereld U niet erkend,
Ik heb U erkend,
en dezen hier hebben erkend dat Gij Mij gezonden hebt.
26 Uw naam heb Ik hun geopenbaard
en Ik zal dit blijven doen,
opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad,
in hen moge zijn en Ik in hen."
Johannes 17,20-26

Niet meteen op de tekst afgaan. Eerst de eigen gesteltenis verzorgen. Letten op het eigen hart. Me proberen aan te sluiten in mijn bewustzijn bij die diepte in mij waar "Gods liefde in ons is uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken" (Rom 5,5). Ik ben altijd in gebed. Onbewust, door "de heilige Geest die voor ons pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen" (Rom 8,26). Waar tref ik in mijn eigen hart sporen aan van dit diepere élan naar God toe dat bij doopsel en vormsel is uitgestort door de gave van de heilige Geest? Me door dit élan van mijn geest laten meevoeren tot het rust vindt bij Hem.

Bij de plaats van het gebed, staande een paar passen ervandaan, de blik omhoog, zien hoe Hij mij ziet. Zoals Jezus "de ogen ten hemel sloeg" (Joh 17,1). Zijn blik op mij beantwoorden met een gebaar van eerbied en aanbidding.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen, zodat ik kan merken hoe ik van binnen bewogen word.
Dan vraag ik om de genade, dat die inwendige bewogenheid door de liefde van God de ziel mag zijn van al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden. Want dan alleen zullen ze strekken tot de dienst en de lof van zijn goddelijke Majesteit.

De geschiedenis kort overzien: Jezus beleeft zijn "uur", het afscheid uit deze wereld. Het top-moment van zijn bestaan, "zijn heerlijkheid". Op de grens houdt Hij voeling met de beide zijden van de grens: met de Vader aan gene zijde, met de leerlingen aan deze zijde. In een gebed vraagt Jezus aan zijn Vader, dat de eenheid die er tussen Hem en de Vader is, ook in de leerlingen mogen zijn. Datzelfde vraagt Jezus ook met betrekking tot de heerlijkheid en de liefde.

De plaats: de zaal van het laatste avondmaal en ook de geestelijke plaats: de grens tussen aarde en hemel.

De bijzondere genade: ten volle de vreugde van Jezus te mogen bezitten die Hij voor ons op dat uur heeft afgesmeekt.

 
"Toen sloeg Hij zijn ogen ten hemel..."

De Vader is voor Jezus "in de hemel". Geen plaats. Want God heeft geen plaats. Maar wel een geestelijke plaats, namelijk "boven Hem", groter dan Jezus: "de Vader is groter dan Ik". Als wij bidden, staan wij op de plaats van Jezus, niet zozeer als mens tegenover God, als wel als zoon of kind tegenover de Vader.

 
"en bad: ..."

Dat wij moeten bidden, daarvan ligt de reden niet in onze natuur, bijvoorbeeld omdat wij rust en inkeer behoeven, of omdat de mens van nature religieus is. De eigenlijke reden dat wij moeten bidden is omdat Jezus heeft gebeden. Wij zijn immers in Christus geschapen (Kol 1,16).

 
"Heilige Vader, niet alleen voor
hen bid Ik,
maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven,
opdat zij allen één mogen zijn
zoals Gij, Vader in Mij en Ik in U;
dat zij ook in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove
dat Gij Mij gezonden hebt."

Jezus en de Vader zijn in elkaar. Ze hebben niets voor zichzelf alleen. Ze leiden een leven waarin alles van de een in de ander is, en alles van de ander in de een. Zij hebben geen gedachten of gevoelens die zij voor zichzelf alleen hebben. Ze gaan in elkaar op, zonder dat ze in elkander ondergaan. Ze blijven onderscheiden personen. Zo zeer onderscheiden dat er geen groter onderscheid denkbaar is dan tussen de Vader en de Zoon. Maar ook is er geen groter eenheid denkbaar. Want het is een eenheid in liefde, in heilige Geest. Het is geen materiële eenheid waarbij de delen die met elkaar verenigd worden, voor het grootste deel buiten elkaar blijven. De eenheid tussen Vader en Zoon gaat nog veel verder dan de intiemste eenheid onder menselijke personen.
De Vader en Jezus willen, dat wat er tussen Hen beiden is, ook zo tussen de kerk en Hen is, dat de leerlingen niets voor zichzelf alleen hebben, dat zij alles delen met God, dat zij samen met God éénzelfde leven hebben, één hart, één liefde.

 
"Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die Gij Mij geschonken hebt, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn."

Hier ligt de tragiek: om tot zo'n eenheid te kunnen komen was het nodig, dat Jezus zich met ons verbond, dat Hij zich met ons verenigde, ja dat Hij in ons kwam om al onze gedachten en gevoelens in zich op te nemen. Dat is de menswording, de vleeswording, voltooid op het kruis. En daarin openbaart zich de glorie of de heerlijkheid van God:

"Het Woord is vlees geworden
en heeft onder ons gewoond.
Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd,
zulk een heerlijkheid
als de Eniggeborene van de Vader ontvangt." (Joh 1,14)

De kerk (wij) ziet in de Gekruisigde een goddelijke liefde. De heerlijkheid is de heerlijkheid van het sterven dat zo veel vrucht voortbrengt: "Het uur is gekomen, dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen: maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort" (Joh 12,23-24).
Wat de leerlingen van Jezus met elkaar verbindt, is niet hun eigen gevoel van sympathie of genegenheid, maar de liefde van Jezus die naar buiten brak uit zijn dode hart. Daaruit ontspringt de levensstroom der sacramenten.
Ik kan nu proberen mijn gevoelens voor mijn naaste te herbronnen uit de bron van goddelijke liefde, zodat mijn persoonlijke gevoelens voor de ander worden opgenomen in de bedding van Gods grotere liefde.

Eindigen zoals het begin: persoonlijk, met mijn persoon bij de Persoon van Jezus en van de Vader. De eenheid vieren die Zij voor mij hebben weggelegd. Een Onze Vader.

Een terugblik houden of reflexie:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Verstrooid ben ik met de dingen of personen waarmee ik nog voor mezelf leef, waar ik mijn leven niet met Hem wil delen.
  2. Waar waren we wél bij elkaar? Het is goed om me ervan bewust te maken hoe het evangelie nu nog steeds geschiedt en hoe Jezus' gebed door de Vader om éénheid opnieuw werd verhoord in mij.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Uit mijn gevoelens voor Hem na afloop van het gebed kan ik opmaken, dat ik niet meer helemaal behoor tot de wereld die Hem niet heeft erkend.