Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | volgens Marcus |
| 12 | de dag waarop men het paaslam slacht, zeiden zijn leerlingen tot Jezus: "Waar wilt Gij dat wij voorbereidselen gaan treffen, zodat Gij het paasmaal kunt houden?" |
| 13 | met de opdracht: "Gaat naar de stad en daar zult ge een man tegenkomen die een kruik draagt; volgt hem |
| 14 | waar hij binnengaat: De Meester laat vragen: Waar is de zaal voor Mij, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden? |
| 15 | met rustbedden en van al het nodige voorzien; maakt daar alles voor ons klaar." |
| 16 | gingen de stad binnen, vonden alles zoals Hij het hun gezegd had, en maakten het paasmaal gereed. |
| 22 | sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun, met de woorden: "Neemt, dit is mijn Lichaam." |
| 23 | en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe en zij dronken allen daaruit. |
| 24 | "Dit is mijn Bloed van het Verbond, dat vergoten wordt voor velen. |
| 25 | Ik zal niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt, tot op de dag waarop Ik het, nieuw, zal drinken in het Koninkrijk van God." |
| 26 | gingen zij naar de Olijfberg. |
| Marcus 14, 12-16.22-26 |
Bidden is ingaan op Jezus' uitnodiging: "Komt allen tot Mij ... en Ik zal u rust en verlichting schenken ... gij zult rust vinden voor uw zielen" (Mt 11,28-29). Daartoe nodigt Hij ons liefst uit om met Hem mee te gaan "naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit" (6,31). D´ gebedssituatie bij uitstek is de eucharistie. De "eenzame plaats" neemt daar de vorm aan van de gewijde ruimte, waar alles rust en toewijding ademt. Die sfeer van de bovenzaal, ruim, van alles voorzien, met rustbedden, moet ook de sfeer zijn van mijn hart, wanneer ik ga bidden: de geest wat laten rusten bij Hem.
Staande een paar passen vóór de plaats waar ik wil bidden, breng ik me zijn tegenwoordigheid te binnen. De "werkelijke tegenwoordigheid" van Jezus in het heilig Sacrament geeft aan hoe wij zijn aanwezigheid daarbuiten moeten denken: bereid om zich helemaal te geven. Een liefdevolle, zichzelf wegschenkende aanwezigheid. Ik maak een gebaar van eerbied, ik maak me klein zoals de gelovigen doen, wanneer zij te communie gaan: "Heer, ik ben niet waardig ..."
Dan neem ik de houding aan van het gebed, een houding die helpt om het besef van zijn liefdevolle aanwezigheid levendig te houden. In deze houding vragen om de genade dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Ik breng me de geschiedenis te binnen: aan de vooravond van zijn lijden grijpt Jezus de ritus van het paasmaal aan om de betekenis van zijn lijden en dood te verkondigen: Hij duidt zichzelf aan als het Lam waarvan het Bloed wordt vergoten tot een nieuw en eeuwig verbond in zijn Bloed, als offer voor de zonden van het volk dat Hem nu verwerpt. Zijn vijanden meenden Jezus door de kruisdood te hebben uitgeschakeld. Jezus smeedt in de vuuroven van zijn goddelijk Hart deze nederlaag om tot het teken van de overwinning. Zo zet Jezus voor zijn leerlingen het spoor uit van een nieuwe uittocht; het kwaad dat zij ondervinden, wordt door hen gedragen in de geest van het offerlam Jezus. Daarvoor krijgen zij in de eucharistische maaltijd het voedsel: zijn Lichaam en zijn Bloed.
Ik stel me de plaats voor ogen: de zaal, groot, met rustbedden. En ook Golgota zien, de plaats waar Jezus gekruisigd werd, want daarvan wordt bij het avondmaal de betekenis aangegeven.
Er wordt van mij een grote innerlijke openheid gevraagd om dit geheim te kunnen verstaan zoals God het bedoelt. Dat kan ik niet met mijn eigen geestkracht. Elke stap die hier gezet wordt, vraagt genade. Daarom deze bijzondere genade vragen: een innerlijke kennis van Jezus Christus, hoe Hij voor ons heeft wíllen lijden en zijn vijanden zou kunnen vernietigen, maar het niet doet; hoe Jezus dit alles voor mij ondergaat, voor mijn zonden.
"Op de eerste dag van het ongedesemde brood, de dag waarop
men het paaslam slacht, zeiden zijn leerlingen tot Jezus: Waar
wilt Gij dat wij voorbereidselen gaan treffen, zodat Gij het
paasmaal kunt houden?"
Pasen is het feest van het ongedesemde brood en het is het feest
van het paaslam. Die twee samen vieren God als Schepper en als
Redder. Het brood is de vrucht van de tarwe-oogst waarvoor God
gedankt en gevierd wordt als de God die ons het leven schenkt.
Het paaslam is het lam waarvan het bloed op de deurposten van de
Joden moest worden gestreken, opdat de engel van de Heer hun
deuren zou voorbijgaan bij het voltrekken van de wraak aan de
Egyptenaren. Het paaslam viert dus God als redder, die bevrijdend
ingrijpt in het lot van zijn uitverkoren volk.
Jezus voegt zich in de traditie van zijn volk. Via de leerlingen
laat Hij zich door de traditie iets aanreiken waaraan Hij niets
hoeft te veranderen. Hij hoeft van brood en wijn alleen maar de
diepere betekenis te onthullen. Van het brood zal Jezus zeggen:
"Dit is mijn Lichaam." En van de wijn: "Dit is mijn Bloed." Jezus is zelf het Lam dat de zonden van de wereld wegneemt. In elke
eucharistie doet Jezus niets anders: Hij treft er ons leven aan.
In de offerande geven wij Hem het brood in handen en daarmee ons
eigen leven. En bij de consecratie onthult Jezus door de priester
de diepste betekenis van ons leven: dat is Hij zelf: "Mijn
Lichaam" ... "Mijn Bloed." Dan kunnen wij met Paulus zeggen: "Met
Christus ben ik gekruisigd. Ikzelf leef niet meer. Christus is
het die leeft in mij" (Gal 2,20). Samen met brood en wijn worden
wij van zelfstandigheid veranderd.
We hoeven Hem maar zijn gang te laten gaan, zoals de leerlingen dat deden: "Waar wilt Gij ... zodat Gij het paasmaal kunt houden?" Wij kunnen niet anders dan "voorbereidingen treffen." Jezus zal het wonder verrichten, een wonder van liefde. Want "het bloed van zijn offer is zijn eigen bloed" (Hebr 9,12). Wij worden verlost met Jezus' hartebloed.
"Hij zond daarop twee van zijn leerlingen uit met de
opdracht: Gaat naar de stad en daar zult ge een man tegenkomen
die een kruik draagt; volgt hem en zegt aan de eigenaar van het
huis waar hij binnengaat: De Meester laat vragen: Waar is de zaal
voor Mij, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan
houden?"
Jezus heeft het allemaal voorzien. Hij heeft voorzien wat de leerlingen zullen aantreffen, maar evenzeer wat zij Hem zullen aandoen: "Een van u zal Mij overleveren ... Allen zult ge ten val komen ... Nog heden, nog deze nacht, zult juist gij Mij driemaal verloochenen" (14,28.27.30). Maar ook zijn eigen overwinning heeft Hij voorzien: "na mijn verrijzenis zal Ik u voorgaan naar Galilea" (14,28). Ja, de eindoverwinning ligt binnen de ruimte van Jezus' zelfbewustzijn: "gij zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen met de wolken des hemels" (14,62). Jezus is niet alleen de vervulling van de traditie. Hij is ook het laatste antwoord op alles wat nog gaat komen, aan goed en kwaad. Jezus is het antwoord op alle vragen, op al mijn vragen en op die van heel de wereld. In de eucharistie krijgen wij een voorproef van dat antwoord. Kan ik God ooit genoeg dankbaar zijn?
"Hij zal u dan een grote bovenzaal laten zien met
rustbedden en van al het nodige voorzien; maakt daar alles voor
ons klaar. De leerlingen vertrokken, gingen de stad binnen,
vonden alles zoals Hij het hun gezegd had, en maakten het
paasmaal gereed."
Het paasmaal mocht alleen binnen de heilige stad worden
genuttigd. Daarom was het nodig dat alle pelgrims ervoor zorgden,
dat zij bij ´´n der inwoners van Jeruzalem zo'n ruimte kregen
waar zij dan - met minstens tien personen - het in de tempel
geslachte lam zouden nuttigen. Om zulke gemeenschappelijke
maaltijden mogelijk te maken, moesten de bewoners van Jeruzalem
in deze nacht de ruimten van hun huizen gratis ter beschikking
stellen aan allen die daarom zouden vragen. Uit vele
getuigenissen weten wij, dat de Jeruzalemmers de pelgrims
edelmoedig tegemoet traden. Ook hierin stapt Jezus binnen in de
gereedliggende traditie.
"Een grote bovenzaal", dat is het wat Jezus ons in de eucharistie
wil geven. Wat Jezus Zelf niet gegund werd, toen Hij ter wereld
kwam, dat gunt Hij ons: "Zij legden Hem neer in een kribbe, omdat
er voor hen geen plaats was in de herberg" (Lc 2,7).
Voor Hem geen herberg, voor ons een grote bovenzaal. Voor Hem
"niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten" (Lc 9,58), zelfs niet in zijn eigen vaderstad (6,1-6). Zelf wil Hij van dat nieuwe
thuis niet beter worden. Want de tafelgenoten zijn niet zijn
"vrienden" of "rijke buren", maar "armen, gebrekkigen, kreupelen
en blinden" (Lc 14,12-14), kortom zondaars. In de eucharistie
heeft Jezus steeds weer een ontmoeting met Zacheüs, waarover de
stadgenoten zeggen: "Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan
nemen" (Lc 19,7). Voor ons een feestelijke maaltijd, hoog bezoek,
voor Hem een gezelschap van zondige mensenharten. En zijn
voorkeursliefde voor hen moet Hij dan ook nog met de dood
bekopen.
Geen eucharistie zonder zondenbewustzijn en zondenbelijdenis.
"Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit,
brak het en gaf het hun, met de woorden: Neemt, dit is mijn
Lichaam."
Aanvankelijk verliep de maaltijd zoals altijd. Jezus sprak als
huisvader die de maaltijd voorzat, de zegen over het brood. Toen
brak Jezus het brood. En toen kwam het verrassende:
normalerwijze zei de huisvader niets, bij het uitdelen van het
gezegende en gebroken brood. Jezus zegt w´l iets: "Neemt, dit is
mijn Lichaam." Dat betekent in het taaleigen van het Hebreeuws:
de hele mens. Jezus wilde op dat moment in het brood zichzelf
wegschenken. Jezus zegt: "Neemt." Wij moeten nemen wat Hij geeft.
Jezus is vrijgevig. Hij geeft wat Hij heeft. Het mooiste, het
duurste, het dierbaarste, zijn eigen Ik, zijn hart, zijn liefde.
Om te kunnen geloven, dat Jezus uit liefde voor ons is gestorven,
is er een duidend woord nodig. Dit woord: "Dit is mijn Lichaam."
Ik ben het zelf. Ik sta er helemaal achter. Het is niet iets wat
mij zomaar overkomt.
Wij op onze beurt worden door Jezus uitgenodigd om in een actieve
deelname aan de eucharistie en in de offers en kruisen ons leven
in liefde aan God terug te geven.
"Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het
dankgebed reikte Hij hun die toe en zij dronken allen daaruit. En
Hij sprak tot hen: Dit is mijn Bloed van het Verbond, dat
vergoten wordt voor velen."
Nog een tweede maal deed Jezus zijn leerlingen verbaasd staan,
namelijk door ná de maaltijd zijn leerlingen uit te nodigen uit
zijn beker te drinken. Dat was volstrekt ongewoon. Nooit dronk
men samen uit ´´n kelk. Niet bij een paasmaal noch bij een gewone
feestmaaltijd. Deze keer wilde Jezus door zijn beker deel geven
aan het nieuwe verbond: "Er komt een tijd ... dat Ik met Israël
en Juda een nieuw verbond sluit ... Ik schrijf mijn wet in hun
binnenste, Ik grif ze in hun hart. Ik zal hun God, en zij zullen
mijn volk zijn ... Ik vergeef hun misstappen. Ik denk niet meer
aan hun zonden" (Jer 31,31-34). Het nieuwe van dit verbond
bestaat erin, dat Jezus "velen rechtvaardig maakt doordat Hij hun
zonden draagt" (Jes 53,11). Hij doet dat door zijn bloed te
vergieten, dat wil zeggen door zijn leven te geven "voor velen"
(Aramees voor "allen"). Zoals Mozes destijds het eerste verbond
voor Israël met bloed had gesloten, zo wilde Jezus nu het nieuwe
verbond met bloed sluiten, met zijn eigen bloed:
"Vervolgens nam Mozes het bloed, sprenkelde dat over het volk en
sprak: Dit is het bloed van het verbond dat de Heer God, op grond
van al deze woorden met u sluit" (Ex 24,8). Waarom dat bloed?
Bloed is de zetel van het leven: "Want de levenskracht van mens
en dier zit in het bloed" (Lev 17,11). Maar leven is iets
goddelijks. Daar mag niemand aankomen. Bloed mag dan ook bij de
Joden alleen worden gebruikt "op het altaar om verzoening te bewerken" (Lev 17,11). Dat altaar van de verzoening is nu het
kruis. Daarop giet Jezus zijn bloed uit, dat is zijn leven. Door
de eucharistie krijgen wij deel aan zijn verzoening brengende
bloed: "gerechtvaardigd door zijn bloed" (Rom 5,9): "Hiermee
heeft Hij ons begiftigd in de Geliefde, in wie wij de verlossing
hebben door zijn bloed, de vergeving van de zonden, dank zij de
rijkdom van zijn genade" (Ef 1,6-7).
"Voorwaar, Ik zeg u: Ik zal niet meer drinken van wat de
wijnstok voortbrengt, tot op de dag waarop Ik het, nieuw, zal
drinken in het Koninkrijk van God."
Met deze geheimvolle woorden geeft Jezus zijn eigen dood aan. Hij zal sterven, opdat wij zouden leven. Het is een verlossend, verzoenend sterven. Jezus ziet een nieuw tijdperk aanbreken, het tijdperk van Gods Rijk. Symbool van Gods Rijk is vanouds de maaltijd. Daarom werd er ook bij het eerste verbond gegeten en gedronken: "Zij mochten God aanschouwen. Toen aten zij en dronken zij" (Ex 24,11). Maar die maaltijd van het komende Rijk waarbij Jezus opnieuw zal "drinken van wat de wijnstok voortbrengt", wordt al in de oude tijd genoten in de eucharistie: "onderpand van de toekomstige heerlijkheid", zo zingt het lied. Eucharistie vieren is maaltijd vieren met de verrezen Heer, opdat wij de kracht krijgen om op dezelfde manier als Jezus het kwaad van de wereld tegemoet te treden, op de wijze van het offerlam, het slachtoffer: "God tot een lieflijke geur" (Ef 5,2).
"Nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij naar de
Olijfberg."
De lofzang bestond uit de psalmen 114-118. In psalm 118 heeft men
herkend wat er met Jezus gebeurde: "De mensen die Hem omstuwden,
jubelden met de woorden van psalm 118: "Hosanna; Gezegend de
Komende in de naam des Heren" (11,9 = Ps 118,26).
Aan het einde van de parabel over de misdadige wijnbouwers richt
Jezus zich met de woorden van psalm 118 tot zijn toehoorders:
"Hebt ge deze schriftplaats niet gelezen:
De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd,De woorden van de psalmist krijgen in Jezus' mond een heel eigen lading. Zo is dat met heel de heilige Schrift en met heel het menselijke leven: God kan recht schrijven op kromme regels.
is juist de hoeksteen geworden.
Op last van de Heer is dat gebeurd
en het is wonderbaar in onze ogen"
(12,10-11 = Ps 118,22-23).
Aan het eind gesprekjes voeren. Met Jezus als vrienden
onder elkaar. Hij kent mij door en door. Niet om mij te
veroordelen, maar om met zijn redding aan te sluiten bij mijn
eigen diepste identiteit. Hij wil mij in zichzelf veranderen en
zo mij tot mijn diepste identiteit laten uitgroeien.
Jezus aanvaarden als een geschenk van de Vader: "Hij heeft zelfs
zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem
overgeleverd" (Rom 8,32). De Vader voor Jezus bedanken. Een Onze
Vader bidden.
Dan wat afstand nemen om tot onderscheiding te komen van de
verschillende geesten die zich in mij bewegen.