Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Vijfde zondag in de veertigdagentijd


U it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Johannes
20 Onder degenen die bij gelegenheid van het feest
optrokken ter aanbidding,
waren ook enige Grieken.
21 Dezen nu klampten Filippus van Betsaïda in Galilea aan
en vroegen hem:
"Heer, wij zouden Jezus graag spreken."
22 Filippus ging het aan Andreas vertellen
en tenslotte brachten Andreas en Filippus
de boodschap aan Jezus over.
23 Jezus antwoordde hun:
"Het uur is gekomen,
dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt.
24 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
als de graankorrel niet in de aarde valt,
blijft hij alleen;
maar als hij sterft,
brengt hij veel vrucht voort.
25 Wie zijn leven bemint, verliest het;
maar wie zijn leven in deze wereld haat,
zal het ten eeuwigen leven bewaren.
26 Wil iemand Mij dienen, dan moet hij Mij volgen;
waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.
Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren.
27 Nu is mijn ziel ontroerd.
Wat moet ik zeggen?
Vader, red Mij uit dit uur?
Maar daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen.
28 Vader, verheerlijk uw Naam."
Toen kwam er een stem vanuit de hemel:
"Ik heb Hem verheerlijkt
en zal Hem wederom verheerlijken."
29 Het volk dat erbij stond te luisteren,
zei dat het gedonderd had.
Anderen zeiden:
"Een engel heeft tot Hem gesproken."
30 Maar Jezus sprak:
"Niet om Mij was die stem,
maar om u.
31 Nu heeft er een oordeel over de wereld plaats,
nu zal de vorst dezer wereld
worden buitengeworpen;
32 en wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven,
zal Ik allen tot Mij trekken."
33 Hiermee duidde Hij aan
welke dood Hij zou sterven.
Johannes 12, 20-33

Het begin van het gebed ligt buiten het begin. Niet meteen beginnen. Eerst de instelling controleren. De goede instelling is: bij Hem willen zijn. Zoals die Grieken in het evangelie deden, toen zij Filippus aanklampten: "Wij zouden Jezus graag spreken." Wil je Hem dienen in het gebed, dan moet je Hem volgen, dat wil zeggen: bij Hem zijn. Dus eerst de geest wat laten rusten bij Hem.

Een paar passen voor de plaats van het gebed breng ik me staande zijn tegenwoordigheid te binnen. Door zijn offerdood is Jezus onmiddellijk voor iedereen present. Vanaf het kruis trekt Hij iedereen tot zich. Ook mij. Als ik er niet in slaag bij Hem te zijn met mijn aandacht, Hij heeft er geen moeite mee om met zijn aandacht vol liefde bij mij te zijn. Ik beantwoord zijn liefde met een gebaar. Ik maak me klein in een gebaar van eerbied.

Dan neem ik de houding aan van het gebed, een houding die mij helpt om het besef van zijn liefdevolle aanwezigheid levendig te houden. In deze houding vraag ik om de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Elk tafereel uit Jezus' leven heeft iets van een ikoon. Er wordt heiligheid door uitgestraald. Alleen al het voor de geest halen van zo'n tafereel is weldadig voor mijn ziel. Ik overzie in het kort de geschiedenis. Net hebben de volksleiders nog gezegd: "Kijk maar, de hele wereld is Hem achterna gelopen" (Joh 12,19) of daar melden zich "enige Grieken" om Jezus te spreken. Door middel van Filippus die wegens zijn afkomst uit Betsaïda met vreemdelingen vertrouwd was en via Andreas eveneens uit Betsaïda, in elk geval via de apostelen, meldden de eerste heidenen zich aan. Het antwoord lijkt onthutsend. Geen audiëntie, maar een soort alleenspraak over "het uur" dat nu is aangebroken. Het uur van de heerlijkheid. Dan pas zal Jezus "allen tot zich trekken". Allen, dus ook de heidenen. Dan pas kunnen zij Jezus bereiken in zijn eigenlijke identiteit, als verheerlijkte Zoon van God.
Maar Jezus omvat in zijn bewustzijn altijd alle dimensies: de dimensies van de heerlijkheid èn de dimensies van het lijden. Jezus doorleeft een kleine doodstrijd. De angst die Hem overvalt, verwerkt en overwint Hij in een hernieuwde overgave: "Daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam." Onmiddellijk stemt de Vader in met Jezus' verzoek: "Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken", namelijk in Jezus' dood.
Wanneer de Vader Jezus zal hebben verheerlijkt op het kruis, dan pas zal Jezus te zien zijn. Hij zal dan allen tot zich trekken om Hem te volgen op dezelfde levensweg.

Ik kan mijn gesteltenis nog beter afstemmen op het geheim, wanneer ik mij de plaats voor ogen stel waar dit gebeurde: Jeruzalem waarheen "enige Grieken optrokken ter aanbidding". In elk geval is het goed om me de plaats van de kruisiging voor te stellen, Golgota waar Jezus allen tot zich zal trekken.

Is er door de inleidingen een verlangen gegroeid om in dit geheim te mogen worden ingewijd, dan is dit het moment om te vragen om die bijzondere genade: Jezus beter te leren kennen, niet in zijn aardse werkelijkheid, maar in zijn bovenmenselijke heerlijkheid en in zijn betekenis voor allen: in zijn betekenis voor mij.

 
"Onder degenen die bij gelegenheid van het feest optrokken ter aanbidding, waren ook enige Grieken. Dezen nu klampten Filippus van Betsaïda in Galilea aan en vroegen hem: Heer, wij zouden Jezus graag spreken. Filippus ging het aan Andreas vertellen en tenslotte brachten Andreas en Filippus de boodschap aan Jezus over."

Heidenen die Jezus graag willen spreken. Kan ik me daarin niet herkennen, nu ik aan het bidden ben? Dat is toch een onmiddellijk contact, oog in oog zoals in een gesprek. De leerlingen spelen wel een bemiddelende rol, maar zij bemiddelen tot aan het onmiddellijke contact. Dit onmiddellijke contact met Jezus heeft voor de heidenen nu nog geen zin, want Jezus kan er voor hen alleen nog maar zijn in zijn aards beperkte gestalte. Daarom moet Hij eerst sterven. Dan pas kunnen zij met Hem spreken. Ik kan pas met Jezus contact hebben, als de Gekruisigde. En niet als de verheerlijkte Heer? Ja, maar ook dan nog toont Hij hun "zijn handen en zijn zijde" (Joh 20,20). Zelfs in de hemel laat het Lam Jezus zich nog zien "als geslacht" (Apoc 5).

 
"Jezus antwoordde hun: Het uur is gekomen, dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt, blijft hij alleen; maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort."

Jezus' woorden over de graankorrel zijn behalve een uitspraak over Wie Hij is, ook een interpretatie van de vraag van de Grieken. Zij verlangden naar Jezus. Als Jezus dan over de graankorrel begint als antwoord op hun vraag, dan betekent dit dat Hij hun verlangen richt, niet naar de Jezus die zij door de straten van Jeruzalem hadden zien lopen. In dit verlangen van de heidenen ziet Jezus dan ook een teken, dat zijn uur gekomen is. De heidenen vragen er al om. De Joden hebben Hem, in de persoon van de leiders, afgewezen. Jezus draagt vrucht voor de heidenen.

Het woord graankorrel zou de indruk kunnen wekken, dat lijden en sterven voor de mens iets natuurlijks is. De mens gaat gewoon de weg van alle zaad. Hij moet juist zoals het kleinste zaad sterven om te leven. Maar wat Jezus ons in zijn vergelijking met de graankorrel wil zeggen, is niet dat het lijden zoiets natuurlijks is, maar dat het lijden vruchtbaar is, omdat men in het lijden bij Hem is.

 
"Wie zijn leven bemint, verliest het; maar wie zijn leven in deze wereld haat, zal het ten eeuwigen leven bewaren. Wil iemand Mij dienen, dan moet hij Mij volgen; waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren."

Het onpersoonlijke van het "ten eeuwigen leven bewaren" wordt in de tweede helft persoonlijk ingekleurd door het "Mij dienen", "Mij volgen", "mijn dienaar zijn", Mij dienen". Met andere woorden de Persoon van Jezus is zelf het eeuwige leven: "Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven" (Joh 11,25-26). De wat onpersoonlijk klinkende woorden zou men als volgt kunnen vertalen: Wie zichzelf méér bemint dan Mij, zal zichzelf verliezen: maar wie Mij méér bemint dan zijn eigen ik, zal zijn ik in Mij terugvinden. Als Jezus erbij is, wordt alles anders. Je leven wordt anders, maar vooral je sterven wordt anders. Zonder een persoonlijke band met Hem gaat het niet. Wat vader en moeder zijn voor het opgroeiende kind, een veilige geleide naar de onveilige buitenwereld, is Jezus voor alle mensenkinderen, klein en groot: een liefdevolle geleide door de onveilige zone van lijden en dood.

 
"Nu is mijn ziel ontroerd. Wat moet ik zeggen? Vader, red Mij uit dit uur? Maar daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam."

Jezus bindt ons op het hart, in alles en altijd en overal bij Hem te zijn. Dat doet Hij ons voor: overweldigd door angst voor het lijden weet Jezus niet wat Hij zeggen moet. Maar Hij wendt zich tot zijn Vader: "Vader". Zoals een kind dat om zijn moeder roept. Juist zoals in de Hof van Olijven overvalt Hem een doodsangst, een heftige inwendige strijd. Maar juist als in de hof van Olijven beleeft Jezus deze doodstrijd al biddende: "Vader, red Mij uit dit uur." Het is de weerklank van: "Abba, Vader, voor U is alles mogelijk; laat deze beker Mij voorbijgaan" (Mc 14,36). Maar dan komt, juist zoals in Getsemane, de overgave: "Maar daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam." Als weerklank van die andere woorden van overgave: "Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt" (Mc 14,36). Bij de mensen is er geen overgave zonder verzet van de menselijke natuur. Maar dieper dan zijn natuur is zijn "Ik", zijn Persoon-zijn. Als mens zegt Jezus nee. Als Zoon van God zegt Hij: "Ja, Vader." Ook wij, mensen, zijn niet puur natuur. Ons ik is dieper dan de menselijke natuur. Op de diepte van ons ik worden wij verbonden met Jezus' overgave aan Vaders wil. Pascal heeft gezegd: "Jezus' doodstrijd duurt voort tot aan het einde van de wereld." Maar dat houdt ook in: Jezus' overgave aan de Wil van zijn Vader duurt voort tot aan het wereldeinde. In elke gelovige die zich overgeeft, is het Jezus zelf die zich overgeeft. Want het is niet alleen zo, dat "Waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn", maar ook: In welke situatie de dienaren van Jezus zich ook bevinden, is Jezus ter plekke.

 
"Toen kwam er een stem vanuit de hemel: Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken. Het volk dat er bij stond te luisteren, zei dat het gedonderd had. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken. Maar Jezus sprak: Niet om Mij was die stem, maar om u."

Vader en Zoon zijn één. Prompt op Jezus' bede volgt Vaders antwooord: "Ik heb Hem verheerlijkt." Hoe dan? Door de werken die Jezus verrichtte om de Vader te verheerlijken. En hoe zou de Vader zijn Zoon nog méér verheerlijken? Jezus zal ook in zijn dood een openbaring blijven van de Vader. Jezus beschouwt zijn dood niet louter vanuit zijn menselijke bekommernis. Zich verheffend boven de louter natuurlijke gevoelens, wil Jezus alleen maar oog hebben voor Vaders verheerlijking. Precies wat wij vragen in het Onze Vader: "Uw naam worde geheiligd." Bij wat ik vandaag aan "lijden" kan voorzien, zou ik nu alvast kunnen zeggen: "Uw Naam worde geheiligd."
De stem uit de hemel heeft niet geklonken om Jezus moed in te spreken. Zij behoort tot het decor van het oordeel dat nu wordt ingeluid, doordat de Mensenzoon in functie treedt en Hij het oordeel gaat vellen over de ongelovige wereld.

 
"Nu heeft er een oordeel over de wereld plaats, nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen; en wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal Ik allen tot Mij trekken. Hiermee duidde Hij aan welke dood Hij zou sterven."

De vorst van deze wereld wordt buitengeworpen, maar de gelovige wereld wordt omhooggetrokken, als in het net van een visser. Ik hoef mij maar te laten trekken.

Aan het eind gesprekjes voeren. Zoals Jezus met zijn Vader. Ik ben in die intieme verhouding opgenomen. Bij het gesprek niet te veel mijn best willen doen, maar letten op wat er zich in mijn binnenste aandient aan verlangens, aan neigingen. Omdat wij weten, dat de Vader zelf in ere houdt wie Jezus dienen, zullen we ons met vrijmoedigheid ook tot de Vader wenden. Bij Hem ons hart uitstorten. Een Onze Vader bidden en daarin alle eer aan de Vader geven.

Na afloop van het gebed is het een geschikt moment om te onderscheiden door wat voor geesten ik geleid word. Ik kan dat doen aan de hand van de volgende vragen:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen laat ik mijn leven vóórgaan op dat van Jezus. Ergens blijf ik dan ook alleen zoals de graankorrel die niet in de aarde valt.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? In het gebed kan ik ervaren hoe het eigenlijk is als zijn dienaar te volgen: vrede en vreugde in de heilige Geest. Dat is wat Jezus bedoelt met: "Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren."
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? De gebedsgenade laat zich niet opsluiten binnen de kaders van het gebed. Overal waar wij zijn, zal Jezus met zijn Geest bij ons zijn.