Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 1 | naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden. |
| 2 | kreeg Hij honger. |
| 3 | "Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen." |
| 4 | "Er staat geschreven: Niet van brood alleen leeft de mens, maar van elk woord dat komt uit de mond van God." |
| 5 | plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort |
| 6 | "Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden, want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen." |
| 7 | "Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen." |
| 8 | naar een heel hoge berg, vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toonde in hun heerlijkheid. |
| 9 | "Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt." |
| 10 | "Weg, satan; er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen." |
| 11 | en er kwamen engelen om Hem te dienen. |
| Matteüs 4, 1-11 |
Eerst letten op de gesteltenis van mijn hart, of deze geschikt is voor het gebed. Daarvoor moet ik af van mijn eenkennigheid en zelfgenoegzaamheid. Ik ben niet alleen. Maar ik hoef me tegenover Hem niet waar te maken. Hij leidt mij, Hij spreekt tot mij. Ik hoef maar te luisteren en me te willen laten leiden. Zoals Jezus: "door de Geest naar de woestijn gevoerd". Ermee beginnen mijn geest te laten rusten bij Hem.
Een paar passen vóór de plaats van het gebed, staande, me zijn tegenwoordigheid bewust maken, de blik omhoog, zien hoe Hij mij ziet en zijn engelen voor mij laat zorgen zoals voor Jezus. Want ik ben zijn kind. In een gebaar van liefdevolle eerbied buig ik mij voor Hem neer.
De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, de houding die mij het meeste helpt om het besef van zijn tegenwoordigheid in me levendig te houden, en in die houding vraag ik om de genade, dat het dienend kind-van-God-zijn heel mijn leven moge bepalen, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Nu bereid ik me erop voor het geheim binnen te gaan waarlangs God
zich aan ons heeft meegedeeld: in Jezus, zijn eigen Zoon. Eerst
haal ik me de geschiedenis voor de geest: De Geest die in
volheid over Jezus was gekomen bij de Jordaan "voert" Hem naar de
woestijn met de bedoeling de werkelijke betekenis van zijn titel
Zoon van God duidelijk te maken. Jezus maakt zich solidair met
zijn volk dat een tijd van veertig jaar doorbracht in de
woestijn, met de leiders van zijn volk, Mozes en Elia; Mozes
bracht veertig dagen en veertig nachten in gebed door op de
Sinaï, en Elia was veertig dagen en veertig nachten onderweg
naar de berg Horeb, de berg van God. Wanneer de honger Jezus'
natuur heeft verzwakt, is zijn gevoeligheid voor de bekoring het
grootst. Daar maakt de verleider gebruik van. Inzet van de
bekoring is de interpretatie van de titel van Zoon van God. Voor
de duivel is dit een titel om iets van God te eisen en ergens
aanspraak op te kunnen maken. Jezus stelt daar het dienen
tegenover. Er zijn drie bekoringen: een economische, een
kerkelijke en een politieke.
Deze geschiedenis gaat door tot op de dag van vandaag. In elke
zonde gebruikt de mens de titel Zoon (kind) van God als een titel
om iets te eisen.
Om de volle kracht van Jezus' uitstraling te ondergaan is het nodig dat ik samen met Hem op één plaats ben. Ik stel me de plaats voor ogen: de woestijn en de woestijnachtige plaatsen in het leven van de kerk en van mij persoonlijk: perioden van onvruchtbaarheid, teleurstelling, armoede, conflicten, ziekte.
Ik vraag om de bijzondere genade, dat ik Jezus beter mag leren kennen, zodat ik beter mijn eigen mogelijkheden leer zien om op een adequate wijze op de bekoring te reageren.
Daarna werd Jezus door de Geest naar de woestijn
gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden.
Jezus wordt gedreven door een Ander aan Wie Hij gehoorzaamt. Blijkbaar is gehoorzaamheid een deugd binnen de heilige Drieëenheid: door de Zoon aan de Vader in de heilige Geest. Jezus is één van Geest met de Vader. Dat is de ziel van al zijn handelingen, ook als dit er niet uitdrukkelijk bijstaat. Dat is nu juist het unieke van Jezus: dat Hij honderd procent kind van de mensen en voor de volle honderd procent Zoon van de Vader is. Dit is ook mijn opgave: mijn beslissingen treffen op inspiratie van de heilige Geest en ze uitvoeren in de kracht van de heilige Geest, dat wil zeggen in verbondenheid met God. We worden daarbij gehinderd door de vijand van de menselijke natuur die gebruik maakt van de zwakheid van de mens. Om die tegenkracht te overwinnen, verbleef Jezus in de woestijn.
Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had
gevast, kreeg Hij honger.
Veertig is een code-getal. Het is de periode waarin een
verlangen tot rijpheid groeit. Het is de lengte van een
geestelijke incubatie-periode. Daarin is Jezus solidair met zijn
volk dat een tijd van veertig, veertig jaar in de woestijn moest
doorbrengen alvorens het beloofde land te kunnen binnengaan. In
onze veertigdagentijd verenigen wij ons met het volk, in het
bijzonder met Jezus. In zijn veertigdagentijd heeft Jezus zich
verenigd met ons, met onze woestijntijden en perioden van
troosteloosheid en frustratie: "Want wij hebben geen hogepriester
die niet in staat is mee te voelen met onze zwakheden; Hij heeft
volkomen dezelfde beproevingen gekend als wij, maar Hij heeft
niet gezondigd" (Hebr 4,15).
In de honger, in de frustratie nadert de bekoorder. We hoeven het
ons niet zo voor te stellen alsof Jezus pas honger kreeg, nadat
Hij veertig dagen had gevast. Maar toen aan het einde was Hij één
en al honger, was honger zijn allesbeheersende gesteltenis. Na
veertig dagen vlamde de honger in Hem op. Een willige prooi voor
de bekoorder. De bekoorder nadert ons op onze zwakke plekken en
momenten. Maar dan is niet alleen de bekoorder in de buurt. Ook
God is in de nabijheid. Daarom hebben mensen vrijwillig gevast,
zoals Jezus. Zij hebben gemerkt: wanneer wij ons ontdoen van
eigen kracht en ons zwak maken voor God, worden wij gevoeliger
voor wat God aan ons doet: "Die hongeren overlaadt Hij met gaven
en rijken zendt Hij heen met lege handen" (Lc 1,53). En Jezus
maakt er een zaligspreking van: "Zalig die nu honger lijdt, want
gij zult verzadigd worden" (Lc 6,12). Vasten en gebed hebben dat
met elkaar gemeen: zich leegmaken voor God. Zij dienen dus niet
zozeer een ascetische levenswijze, maar de vereniging met God
zoals meteen duidelijk is aan het eucharistische vasten (een uur
vóór de communie geen vast voedsel en geen drinken) om zich zo
beter te kunnen verenigen met Hem in de communie.
Nu trad de verleider op Hem toe en sprak: "Als Gij de
Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood
veranderen."
De duivel hanteert de titel "Zoon van God" die bij het doopsel over Jezus werd uitgesproken, als een titel om iets te eisen: "beveel dan". Honger, frustratie, vergeefsheid, daar moet zo snel mogelijk een eind aan gemaakt worden. Maar de veertig dagen waren toch voorbij! Jezus mocht toch eten! Jawel. Maar nu wordt Hem ingeblazen dit uit eigen macht te doen, in de geest van onafhankelijkheid. Zoon van God zijn betekent integendeel in volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader handelen. De duivel probeert Jezus ertoe te verleiden een eigen rijk op te bouwen. Hier leren we van Jezus dat gelovig-zijn betekent: in alles Gods wil laten geschieden. Geloof is geloofsgehoorzaamheid.
Hij gaf ten antwoord: "Er staat geschreven: Niet van
brood alleen leeft de mens, maar van elk woord dat komt uit de
mond van God."
Jezus antwoordt met een woord uit de Schrift. Ook hierin bewijst Hij zijn nederigheid. Hij bedenkt niet zelf iets, maar laat zich het woord van de Vader aanreiken zoals het in de Schrift zijn neerslag heeft gevonden. Daarmee geeft Hij te kennen, dat de Schrift het antwoord geeft in alle denkbare omstandigheden.
5Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige
stad, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort en sprak
tot Hem: "Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden,
want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een
bevel geven, dat zij U op de handen nemen, opdat ge uw voet niet
zult stoten aan een steen." Jezus zei tot hem: "Er staat ook
geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen."
Willen dat je op handen gedragen wordt, is een duivelse bekoring. Niemand zal onverhuld aan deze bekoring toegeven, maar op een bedekte manier kun je daar heel gemakkelijk aan toegeven, bijvoorbeeld wanneer er vragen gesteld worden als: "Waarom moet ik onderdoen?... Dat hoef ik toch niet te nemen?... Ik ben je dienstknecht of dienstmeisje niet!" enz. Aandacht vragen kan gemakkelijk aandacht eisen worden. Dikwijls zit daar iets onder van het niet kunnen aanvaarden, dat men als kind geen aandacht kreeg, toen men daarop aangewezen was. Niemand kan eisen, dat hij in het samenzijn nooit eens een bluts oploopt. Ja, zelfs kun je ernstige ziele-kwetsuren hebben opgelopen, waarvan je je hele leven de nasleep moet merken. Je bent wel een kind van God, maar dat wil niet zeggen dat jou bespaard wordt wat Jezus ook niet is bespaard geworden. Hier valt er misschien het een en ander te slikken, voordat ik met de volgende bekoring verderga.
Tenslotte nam de duivel Hem mee naar een heel hoge
berg, vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toonde in hun
heerlijkheid. En hij zei: "Dat alles zal ik U geven, als Gij in
aanbidding voor mij neervalt." Toen zei Jezus hem: "Weg, satan; er
staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen
dienen."
Alle bekoringen komen op hetzelfde neer: Vader willen zijn in plaats van Zoon, dienaar. Zo ook hier: In één keer alle koninkrijken van de wereld. Wat zou men daarmee een hoop goed kunnen doen! Maar het eigenlijke goed is, dat men zich alles alleen door de Vader laat geven. Daarom laat Jezus zich niet door de mensen tot koning uitroepen: "Daar Jezus begreep, dat zij zich van Hem meester wilden maken om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen, trok Hij zich weer in het gebergte terug, geheel alleen" (Joh 6,15). Pas als Jezus van alle macht beroofd is, komt Hij voor zijn koninklijke waardigheid uit: "Pilatus hernam: Gij zijt dus toch koning? Jezus antwoordde: Ja, koning ben Ik" (Joh 18,37).
Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen
om Hem te dienen.
Dat de duivel Jezus met rust liet, betekent, dat hij geen vat op Hem kreeg en dat Jezus dus ook niet in het minste had toegegeven. Sint Jan de Doper had met recht gezegd: "Hij die na mij komt, is sterker dan ik" (3,11). En zelf heeft Hij zich aangeduid als de Sterkere: "Komt er echter iemand die sterker is dan hij en die hem overwint, dan rooft deze zijn volle uitrusting, waarop hij zijn vertrouwen stelde, en verdeelt wat hij bezit als buit" (Lc 11,22). Daarom is het goed om "elke bekoring te pletter te gooien tegen de Rots die Christus is" (Regel van Benedictus).
Aan het eind gesprekjes voeren met de engelen die getuige waren van dit adembenemend duel; met Jezus, de Sterkere, met de Vader. Misschien zou ik de Vader kunnen bedanken, dat Hij ons Jezus gaf: de juiste Man op de juiste plaats. Een Onze Vader.
De vragen van de reflexie volgen de structuur van dit
evangelie en van elke andere evangelie-pericope: