Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Tweede zondag in de Veertigdagentijd


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Zes dagen later nam Jezus
Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee
en bracht hen boven op een hoge berg,
waar zij alleen waren.
2 Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd:
zijn gelaat begon te stralen als de zon
en zijn kleed werd glanzend als het licht.
3 Opeens verschenen hun Mozes en Elia,
die zich met Hem onderhielden.
4 Petrus nam het woord en zei tot Jezus:
"Heer, het is goed dat wij hier zijn.
Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan,
een voor U,
een voor Mozes en een voor Elia."
5 Nog had hij niet uitgesproken
of een lichtende wolk overschaduwde hen
en uit de wolk klonk een stem:
"Dit is mijn Zoon, de Welbeminde,
in wie Ik mijn welbehagen heb gesteld;
luistert naar Hem."
6 Op het horen daarvan
wierpen de leerlingen zich ter aarde neer,
aangegrepen door een hevige vrees.
7 Maar Jezus kwam naar hen toe,
raakte hen aan en zei:
"Staat op en weest niet bang."
8 Toen zij hun ogen opsloegen
zagen zij niemand meer dan alleen Jezus.
9 Onder het afdalen van de berg gelastte Jezus hun:
"Spreekt met niemand over wat ge hebt aanschouwd
voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan."
Matteüs 17, 1-9

De gedaante-verandering vindt niet meteen plaats, maar na een lange, moeizame beklimming van een "hoge berg". Wil ik in het gebed Jezus voor mij van gedaante zien veranderen, zodat ik iets meer in Hem ga zien, dan is het eerst nodig, dat ik mij voorbereid en mij losmaak van alles wat niet op Hem geordend is. Gebed vraagt inzet, honderd procent inzet, maar tegelijk moet ik weten, dat het een werk van genade is, waartoe mijn inzet alleen niet in staat is. Daarom zal ik beginnen mijn geest te laten rusten bij Hem.

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, staande me zijn aanwezigheid bewust maken. Met de ogen van het geloof zien hoe Hij mij ziet, met "welbehagen", zoals Hij Jezus zag. Zo de liefde van de Vader ontvangen. Een gebaar van eerbied en aanbidding zoals de leerlingen maakten: zij "wierpen zich ter aarde neer".

De houding aannemen van het gebed, liggend, zittend of geknield, maar zo min mogelijk bewegen, zodat ik de inwendige bewegingen kan opmerken die Hij in mijn hart opwekt. In deze houding vraag ik om de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Nu tref ik voorbereidingen om het geheim van de Zoon binnen te gaan zoals Hij zich in dit evangelie manifesteert, door me eerst de geschiedenis voor de geest te halen: Jezus heeft aan zijn leerlingen zijn lijden voorspeld, hoe het met Hem zou aflopen. Zes dagen na die woorden neemt Hij drie van hen met zich mee, naar een hoge berg waar Hij van gedaante verandert. Mozes en Elia verschenen hen. Dan volgt een interventie van Petrus waaruit opnieuw blijkt hoe edelmoedig en kortzichtig hij is. Dit alles was nog maar voorspel van wat er dan volgde: de lichtende wolk, de stem uit de wolk waarmee de Vader Jezus als zijn eigen Zoon legitimeert. Tenslotte: Jezus alleen en een zwijggebod juist zoals na de belijdenis van de Messias-titel (Lc 9,21). De geschiedenis herhaalt zich elke keer, wanneer mensen zich in het gebed begeven: zij maken zich los van al het louter aardse, zij keren zich in en brengen zich de liefde van God te binnen en daardoor keren zij als een ander mens terug naar de vlakte van het gewone leven met zijn vreugde en verdriet.
Ik stel me de plaats voor ogen: de berg, het overzicht over het landschap en de dorpen en steden heel ver weg in de diepte. Ook de stilte horen en de geladenheid ervan bij het overschaduwd worden door een lichtende wolk.Ik vraag om de bijzondere genade, dat Jezus ook voor mij van gedaante mag veranderen, zodat ik in mijn leven de mogelijkheden zie om Hem na te volgen en van harte lief te hebben.

 
Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg, waar zij alleen waren.

Zes dagen later: dat is de zevende dag nadat Jezus zijn leerlingen begonnen was duidelijk te maken, dat Hij veel zou moeten lijden. Nadat ze een week lang het vooruitzicht op een moeitevolle, duistere toekomst met zich mee hadden gedragen, krijgen de leiders van het groepje een uitzicht op de komende heerlijkheid. Zoals bij de voorzeggingen van zijn lijden heeft Jezus ook hier helemaal het initiatief: "Hij nam...met zich mee en bracht hen..." Is dat niet de samenvatting van heel ons leven: door Jezus meegenomen worden en naar een hoge hemel gebracht worden? De berg is van ouds een gebedsplaats. Mozes en Elia ontmoetten God op de berg. De berg is de plaats op de wereld waar je voor je gevoel als het ware aan de grens staat. En waar je aan de grens staat, heb je voeling met wat aan de overzijde van de grens ligt, met het hiernamaals. Zo'n grenservaring is niet gebonden aan de berg. Alle grenssituaties hebben zoiets. Komt een mens aan de grens van zijn kunnen, dan kan hij voeling krijgen met God aan de andere kant van de grens. Met andere woorden: nood leert bidden. In de nood houdt God voor ons de genade gereed van de gedaante-verandering, dat wij méér in Hem gaan geloven, doordat wij méér in Hem gaan zien. Ik kan me hier bewust maken van een of andere nood, fysiek, psychisch of moreel.

 
Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd: zijn gelaat begon te stralen als de zon en zijn kleed werd glanzend als het licht.

Wat gebeurt hier? Jezus in gebed (Lc 9,29) keert zich tot God, zijn hemelse Vader. Hij ontvangt de liefde van zijn Vader zoals Hij van alle eeuwigheid in de hemel gewend is. Hoe groot die liefde is, zien de leerlingen aan het witte licht waarin heel Jezus' gestalte begon te delen. Jezus' gelaat bestraald door de vaderlijke liefdeszon, begon te stralen als de zon. Zelfs zijn kleren namen deel aan deze hemelse omvorming. Het verschijnsel is bekend bij de heiligen van oud en nieuw verbond. Wanneer mensen zich tot God keren, keert God zich tot hen; Hij deelt zich aan hen mee en dat wordt voor buitenstaanders "zichtbaar" aan de straling om hun hoofd, in de katholieke traditie in beeld gebracht door de nimbus. Het (ver)schijnsel werd voor de eerste keer vastgelegd bij Mozes: "Toen Mozes van de berg Sinaï afdaalde met de twee stenen platen, de tekst van het verbond, was hij zich niet bewust dat zijn gezicht glansde nu hij met de Heer gesproken had. Maar Aäron en de overige Israëlieten zagen de glans op het gezicht van Mozes wel en zij durfden hem niet te naderen" (Ex 34,29-30). Maar het gaat niet om wat er te zien is, maar om datgene wat onzichtbaar aan de biddende mens wordt geschonken en waaraan ik op dit moment ook deel heb: de liefde van God. Ik breng me de liefde van de Vader te binnen. Wat Hij voor zijn eniggeboren Zoon voelt, dat voelt Hij ook voor mij. Gelovig-zijn is zich door God bemind te weten, persoonlijk en eindeloos. Ik ga niet verder voordat ik me er helemaal aan verzadigd heb en alle weerstanden tegen het bemind worden in mij zijn gesmolten.

 
Opeens verschenen hun Mozes en Elia, die zich met Hem onderhielden. Petrus nam het woord en zei tot Jezus: "Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als Gij wilt, zal ik hier drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia."

Had Jezus een week geleden voorspeld, dat Hij door de huidige leiders van het volk zou worden verworpen, nu verschijnen de hoogste autoriteiten van het verbondsvolk, Mozes en Elia, die zich met Hem onderhielden. Petrus stelt drie tenten voor om in de ervaring van de heerlijkheid te blijven en niet meer terug te gaan naar het gewone leven waarover Jezus zulke vreselijke dingen voorspeld had. Maar het gebed, de omgang met God en de genaden die ermee verbonden zijn, dienen er niet voor om aan de pijnlijke kanten van het menselijke leven te ontsnappen, maar om kracht op te doen, zodat we erin kunnen stand houden. Dit gebeuren op de berg staat dus de verheerlijking ten dienste van het leven beneden in de vlakte. De verheffing in heerlijkheid dient om de vernedering aanvaardbaar te maken. Daarom staat in dit evangelie van Matteüs de verheerlijking op de berg midden tussen twee lijdensvoorspellingen in. Daarom zijn hier dezelfde getuigen meegenomen als bij de ontreddering in de Hof van Olijven. Deze glorierijke gedaante-verandering dient ervoor om de vernederende gedaante-verandering aanvaardbaar te maken.
Ook ik ontvang in het gebed kracht voor de beproevingen van mijn leven. Het is goed en weldoende om die kracht te vragen.

 
Nog had hij niet uitgesproken, of een lichtende wolk overschaduwde hen en uit de wolk klonk een stem: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in Wie Ik mijn welbehagen heb gesteld; luistert naar Hem." Op het horen daarvan wierpen de leerlingen zich ter aarde neer, aangegrepen door een hevige vrees.

Nu verdwijnen alle anderen van het toneel; geen geluid wordt er meer gehoord; de sfeer wordt onder de wolk zwaar geladen met Gods heilige tegenwoordigheid. Dat is wat de Schrift God-vrezend noemt. God vrezen is niet zomaar: bang zijn voor God, maar: ontzag voor God en heilige huiver, omdat Hij uitgaat boven wie of wat dan ook. Wat heeft de Vader te zeggen? Jezus. Jezus is het Woord van God, het Woord waarin de Vader zich helemaal heeft uitgesproken. De Vader in de hemel stelt zichzelf achter Jezus met zijn lijdensboodschap. Een hogere autorisatie kon Jezus niet bedenken.

 
Maar Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: "Staat op, en weest niet bang." Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan alleen Jezus. Onder het afdalen van de berg gelastte Jezus hun: "Spreekt met niemand over wat ge hebt aanschouwd, voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan."

Alleen Jezus. Jezus alleen. Het klinkt ontnuchterend. Met Hem alleen moesten zij het voortaan doen. En over wat zij gezien hadden, mochten zij niet eens spreken, uit vrees dat daardoor die andere boodschap over het lijden in het gedrang zou komen. Want de gedaanteverandering in heerlijkheid en wat wij meemaken in het gebed, dient niet om ons aan het lijden te onttrekken, maar om ons er meer in te doen geloven. De gebedservaring is een voorschot op de toekomst, zodat wij beter in het heden kunnen standhouden.

Aan het einde alle gedachten loslaten en in gesprekjes onmiddellijk bij Jezus proberen te zijn. Een intiem moment beleven met Hem zoals Hij het beleefde met de Vader. Daartoe neemt Hij ons met zich mee. Een Onze Vader bidden. Even terugdenken in een reflexie of terugblik.

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen ben ik bij het beklimmen van de berg blijven steken. Verstrooiingen geven nauwkeurig de dingen in mijn leven aan waarin ik vasthoud aan mijn eigen wil.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar gebeurde er tijdens het gebed zoiets als er in het evangelie gebeurde: dat Jezus voor mij van gedaante veranderde; dat ik door de duistere buitenkant van mijn leven kon heenkijken naar de lichtende binnenkant, de liefde van God voor mij persoonlijk.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Is er bij voorbeeld hoop en vertrouwen in mij achtergebleven?