Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Tweede zondag in de veertigdagentijd


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
28 In die tijd nam Jezus
Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee
en besteeg de berg Tabor om er te bidden.
29 Terwijl Hij in gebed was, veranderde zijn gelaat van
aanblik en werden zijn kleren verblindend wit.
30 En zie, twee mannen waren met Hem in gesprek;
het waren Mozes en Elia
31 die in heerlijkheid verschenen waren,
en zij spraken over zijn heengaan
dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken.
32 Petrus en zijn metgezellen waren intussen door slaap
overmand. Klaar wakker geworden zagen zij zijn
heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden.
33 Toen dezen van Hem heen wilden gaan zei Petrus tot
Jezus: "Meester, het is goed dat wij hier zijn.
Laten wij drie tenten bouwen,
een voor U, een voor Mozes en een voor Elia."
Maar hij wist niet wat hij zei.
34 Terwijl hij zo sprak, kwam er een wolk
die hen overschaduwde.
Toen de wolk hen omhulde,
werden zij door vrees bevangen.
35 Uit de wolk klonk een stem die sprak:
"Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene,
luistert naar Hem."
36 Terwijl de stem weerklonk
bemerkten zij dat Jezus alleen was.
Zij zwegen erover en verhaalden in die tijd aan niemand
iets van wat zij gezien hadden.
Lucas 9,28b-36

De geest laten rusten bij Hem. Zoals de drie leerlingen als vanzelf deden, toen ze door Hem werden uitgenodigd om mee te gaan de berg op. Zij gingen met Hem mee. Nu ga ik met Jezus mee. Hij neemt het initiatief. Hij gaat voor. Ik volg. Ik laat me opnemen in een gebeuren van Godswege.

Staande, een paar passen van de plaats waar ik ga bidden, me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen: Zien hoe Hij me ziet. Hoe ziet Hij me? Zoals Hij Jezus zag: "Mijn Zoon, de Uitverkorene." Ik ben in zijn ogen een uitverkorene: "Zou God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen...?" (18,7) Ik ben enig, uniek voor Hem. Dat brengt mij vanzelf tot eerbied, die ik ook tot uiting mag brengen in een gebaar, zoals de drie apostelen stelden, toen "de wolk hen omhulde" en zij door heilige vrees werden bevangen.

Dan pas de houding van het gebed aannemen, zittend, liggend of geknield, maar niet bewegen en zoveel mogelijk niets zien bewegen, om zodoende vrij te komen voor wat er innerlijk in mij beweegt.
Dat vraag ik ook als een genade: dat ik mij in mijn leven door niets anders mag laten bewegen, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik haal me de geschiedenis voor de geest: in drie fases: 1. De berg op (zich losmaken, zich afkeren). 2. Zich inkeren: Terwijl Hij in gebed was - het gesprek met Mozes en Elia ... over zijn heengaan in Jeruzalem (lijden) - de overschaduwing, de stem van de Vader. 3. Afdaling met Jezus alleen. Deze drie fases zijn in elke handeling en in elke gebeurtenis terug te vinden.

De plaats zien: de berg en ook mijn eigen geestelijke plaats: de situaties waarin ik alleen ben met God, in ziekte, tegenslag, het gebed.

Voor die situaties én voor deze gebedstijd vraag ik om de bijzondere genade van een innerlijke kennis van de Heer, waardoor ik Hem meer ga liefhebben en Hem meer zal navolgen.

 
"In die tijd nam Jezus Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee, en besteeg de berg Tabor om er te bidden."

Meegenomen worden door Jezus (de Zoon) om te bidden tot de Vader, ziedaar heel Jezus' bedoeling met ons. De vraag is: wil ik me door Hem met zich mee laten nemen? In het gebed maken wij altijd iets van een gedaanteverandering mee, doordat wij in Jezus iets gaan zien, doordat zijn aardse mensengestalte voor ons doorzichtig wordt naar zijn goddelijk wezen. In het gebed krijgen wij een voorproefje van de hemelse heerlijkheid, een onderpand van de toekomst, die ons van Godswege geschonken wordt, een voorschot van de hemelse zaligheid om stand te kunnen houden in de aardse beproevingen.

 
"Terwijl Hij in gebed was, veranderde zijn gelaat van aanblik en werden zijn kleren verblindend wit."

Jezus keert zich in naar binnen. Hij brengt zich de liefde van zijn Vader te binnen. Jezus baadt zich in de liefde van zijn Vader. Hij herbront zich in de Bron van de liefde. Jezus voelt de blik van zijn Vader vol van genegenheid op Hem rusten. Daar wordt Hij zelf gelukkig van, mateloos gelukkig, zo gelukkig, dat het geluk als een wit licht naar buiten breekt.
Gelovig-zijn is zich bemind weten, persoonlijk en eindeloos: heel die liefde voor mij alleen. De beperkingen zitten niet bij Hem, maar bij mij: bij mijn beperkte mogelijkheden om te ontvangen.
Nu in het gebed laat ik die liefde van de Vader ook over mij neerdalen. Net zolang tot ik me er helemaal door verzadigd weet en alle weerstanden en reserves in mij overwonnen zijn.

 
"En zie, twee mannen waren met Hem in gesprek, het waren Mozes en Elia, die in heerlijkheid verschenen waren, en zij spraken over zijn "heengaan" dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken."

Het mag misschien een bovenaardse toestand lijken, alsof we met ons hoofd in de wolken zitten en we niet meer met beide benen op de grond staan. Het lijkt hier een wat wereldvreemd geluk. Maar "waarover spraken zij", waarover ging dit zonovergoten gesprek met die twee gebedsmannen, Mozes en Elia?
"Zij spraken over zijn heengaan, dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken." Dit hemelse gesprek gaat dus over dat duistere gebeuren aan het einde van zijn leven. Ten behoeve van dat moeitevolle einde ontvangt Jezus in het gebed boven op de berg de liefdeskracht van de hemelse Vader. Voor de beproevingen in het leven ontvang ook ik kracht van God in het gebed.

 
"Twee mannen... Mozes en Elia..."

Waarom Mozes en Elia? Omdat Jezus niet de mindere mag zijn, van niemand, ook niet van Mozes en Elia, die golden als hoogste leiders van het volk. Voor de ogen van de leerlingen wordt Jezus opgenomen in de kring van de leiders van het volk. Daardoor krijgt Jezus' woord voor hen dezelfde bindende kracht als de Wet (Mozes) en de profeten (Elia). Door de huidige leiders verworpen wordt Jezus door de ouden in hun kring opgenomen.
Maar bovendien wordt Jezus door de Eeuwige met uniek gezag bekleed. Dat wordt ingeleid door de wolk.

 
"Terwijl hij zo sprak, kwam er een wolk die hen overschaduwde. Toen de wolk hen omhulde, werden zij door vrees bevangen."

De wolk maakt de sfeer geladen, geladen met het besef van Gods heilige tegenwoordigheid. Alles staat nu op haren en snaren gespannen op de Heilige: "door vrees bevangen". Nu eerst kan God spreken. Vóór ik begin te luisteren of te spreken in het gebed, moet ik me eerst doordringen van Gods heilige tegenwoordigheid. Steeds weer opnieuw.

 
"Uit de wolk klonk een stem die sprak: Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem."

De kerk leeft van het evangelie, van Jezus. Maar de kerk heeft het evangelie niet zelf uitgevonden. Hij is een hemelkind ("mijn Zoon") met een hemelwoord waaraan de aarde moet gehoorzamen (=luisteren: "luistert naar Hem").

 
"Zij zwegen erover en verhaalden in die tijd aan niemand iets van wat zij gezien hadden."

De gedaanteverandering in de glorie wordt het zwijgen opgelegd ten bate van een gedaanteverandering in verwerping en vernedering: in het graf.

Aan het eind de gesprekjes houden om niet zomaar uit het gebed op te staan. De bedoeling is me zo in dit gezelschap te laten opnemen, dat ik ook na het gebed nog dikwijls aan hen moet terugdenken. Met de leerlingen, met Mozes en Elia, met Jezus als vrienden onder elkaar, met of zonder woorden. Door Jezus laat ik me dan bij de Vader brengen. Ik stort mijn hart uit bij Hem. Een Onze Vader bidden.

Dan schrijf ik het antwoord op bij de vragen van de reflexie.

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Waarmee was ik verstrooid tijdens de afgelopen gebedstijd? Waarvan kon of wilde ik me niet losmaken? Waar bleef ik aan de voet van de berg hangen?
  2. Waar waren we wél bij elkaar? Waren er momenten dat ik in Hem iets ging zien, dat Hij voor mij van gedaante veranderde?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Zoals de apostelen vol waren van het gebeuren op de berg, zozeer, dat hun het zwijgen opgelegd moest worden.

Jezus, Elia en Mozes