Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Derde zondag in de Veertigdagentijd


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
5 Jezus moest door Samaria
en kwam zo aan een stad van Samaria,
Sichar genaamd,
dichtbij het stuk grond
dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
6 Daar bevond zich de bron van Jakob
en vermoeid van de tocht
ging Jezus zo maar bij deze bron zitten.
Het was rond het middaguur.
7 Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten
zei Jezus tot haar:
"Geef Mij te drinken."
8 De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan
om levensmiddelen te kopen.
9 De Samaritaanse zei tot Hem:
"Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij,
een Samaritaanse?"
- Joden namelijk onderhouden geen betrekkingen
met de Samaritanen. -
10 Jezus gaf ten antwoord:
"Als ge enig begrip hadt van de gave Gods
en als ge wist wie het is, die u zegt:
Geef Mij te drinken,
zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd
en Hij zou u levend water hebben gegeven."
11 Daarop zei de vrouw tot Hem:
"Heer, Ge hebt niet eens een emmer
en de put is diep:
waar haalt Ge dan dat levende water vandaan?
12 Zijt Ge soms groter dan onze vader Jakob
die ons de put gaf
en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?"
13 Jezus antwoordde haar:
"Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst,
14 maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven,
krijgt in eeuwigheid geen dorst meer;
integendeel, het water dat Ik hem zal geven,
zal in hem een waterbron worden,
opborrelend tot eeuwig leven."
15 Hierop zei de vrouw tot Hem:
"Heer, geef mij van dat water,
zodat ik geen dorst meer krijg
en hier niet meer moet komen om te putten.
19b Ik zie dat Gij een profeet zijt.
20 Onze vaderen aanbaden op die berg daar,
en gij, Joden, zegt
dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet."
21 "Geloof Mij, vrouw,
- zei Jezus haar, -
er komt een uur dat gij noch op die berg
noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.
22 Gij aanbidt wat gij niet kent;
wij aanbidden wat wij kennen,
omdat het heil uit de Joden komt.
Maar er zal een uur komen,
ja het is er al,
dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden
in geest en waarheid.
De Vader toch
zoekt mensen die Hem zo aanbidden.
24 God is geest, en wie Hem aanbidden,
moeten Hem in geest en waarheid aanbidden."
25 De vrouw zei Hem:
"Ik weet dat de Messias
- dat wil zeggen: de Gezalfde -
komt, en wanneer Die komt
zal Hij ons alles verkondigen."
26 Jezus zei tot haar:
"Dat ben Ik, die met u spreek."
39a Vele Samaritanen uit de stad geloofden in Hem.
40 Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren,
verzochten zij Hem bij hen te blijven.
41 Hij bleef er dan ook twee dagen
en door zijn woord
kwamen er nog veel meer tot het geloof.
42 Tot de vrouw zeiden ze:
"Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt,
want wij hebben Hem zelf gehoord
en wij weten,
dat Deze werkelijk de redder van de wereld is."
Johannes 4, 5-15.19b-26.39a.40-42

Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem, zoals Jezus rustte bij de bron van Jakob. Jezus is onze bron waaruit wij "rust en verkwikking" putten (Joh 11,28). Alle andere bronnen van leven, van informatie, van levensgeluk loslaten om God alleen mijn enige geluksbron te laten zijn.

Een paar passen vóór de plaats van het gebed, staande een ogenblik mij zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, hoe Hij werft om mijn geloof zoals Hij geworven heeft om het geloof van de Samaritaanse. Ik laat mijn eerbied tot voltooiing brengen door een gebaar van eerbied te maken.

Dan neem ik de houding aan van het gebed, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen, zodat ik kan letten op de innerlijke bewegingen.

Het gaat natuurlijk om die innerlijke houding van beschikbaarheid en openheid voor de dienst van God waarvan heel mijn levenshouding doordrongen moet zijn. Dat vraag ik dan nu ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Nu bereid ik me erop voor nog dieper het geheim van Gods zelfmededeling binnen te gaan, hoe Hij namelijk in Jezus zich helemaal heeft uitgesproken en meegedeeld. Hier is dat de geschiedenis van Jezus, hoe de beweging rond Hem de autoriteiten verontrust. Om maatregelen tegen Hem te voorkomen, trekt Jezus vanuit het Zuiden naar het Noorden, weg uit het gezicht van de centrale autoriteiten in Judea. Weg dus uit Judea, dat is: het Jodenland, naar Galilea, het land van de heidenen. Onderweg komt Hij door Samaria. Daar in Samaria is Jezus als een voorbijganger in een geloofsvijandig land. Daar heeft Hij een schijnbaar toevallige ontmoeting met een vrouw bij de put van Jakob. Wat een moeite doet Jezus om alleen maar die ene vrouw te winnen voor het echte geloof! Haar bekering wordt aanschouwelijk in het achterlaten van de kruik. Om die kruik met water te vullen was zij gekomen. Nu hoeft het niet meer. Haar leven is vol geworden van iets anders. Zo vol, dat zij ook anderen daarvan weet te overtuigen. Haar bekering heeft de bekering van "veel meer" tot gevolg.

De plaats is Samaria waar de Samaritanen wonen. Dat is in de ogen van de Joden geen echt volk ofwel "het dwaze volk dat te Sichem woont". Verachtelijk zoals de Edomieten en Filistijnen. Samaritaan was een scheldwoord, ongeveer gelijk met "van de duivel bezeten": "De Joden gaven Jezus ten antwoord: zeggen wij niet met recht, dat Gij een Samaritaan zijt en van de duivel bezeten?" (Joh 8,48) Jezus vertoeft in Samaria als een vreemdeling. Maar als een ongewenste vreemdeling. Maar aan het einde ontpopt Hij zich als "de redder van de wereld" (Joh 4,42). Zo is Jezus nog steeds: in een geloofsvijandige wereld wordt Hij door gelovigen aangehangen als "de Redder van de wereld".

Het uiterlijke van de geschiedenis en de plaats willen binnenvoeren naar het innerlijk, dat is het geheim van Jezus' Persoon. Daarheen probeert Jezus steeds weer opnieuw de aandacht van de vrouw terug te leiden: "Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en als ge wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken...wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven...Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid...de Gezalfde... Dat ben Ik, die met u spreek." Is er in mij een verlangen naar die kennis van Jezus? Dat dan vragen als een bijzondere genade.

 
Jezus moest door Samaria en kwam zo aan een stad van Samaria, Sichar genaamd, dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven. Daar bevond zich de bron van Jakob.

Dit deel van Israël was al sinds de verovering door Assyrië en de daarop volgende deportatie van de elite van het land een smeltkroes geweest. Na de ballingschap kwam het tot een definitief schisma. De Samaritanen bouwden een eigen tempel op de berg de Gerizzim, behielden de vijf boeken van Mozes en geloofden in de komst van een Messias. Aan de voet van de Gerizzim aan de oostkant ligt de put van Jakob. Jakob had hier een stuk grond gekocht van de Sichemieten (Gen 33,19). Later schonk hij dit stuk aan Jozef. Deze werd op dit stuk land begraven (Jozua 24,32). Een Jood komt hier in deze vlakte als een ketter in een heiligdom.
Maar Jezus laat zich niet opsluiten binnen de grenzen die mensen oprichten. Terwijl de Joden Hem niet beter vinden dan een Samaritaan, vindt Jezus zich niet te slecht voor de Samaritanen. Het is juist eigen aan zijn liefde om zich niet te laten opsluiten in de kring van hen wier liefde exclusief uitgaat naar hen van wie zij liefde ontvangen (Joh 5,46).
Jezus' liefde is grensoverschrijdend, zelfs ten aanzien van de grenzen die wijzelf tegen Hem oprichten.

 
...en vermoeid van de tocht ging Jezus zo maar bij deze bron zitten. Het was rond het middaguur.

Het is ongeveer twaalf uur in de middag, wanneer de zon op zijn krachtigst is. De bron biedt een koel plekje en ook schaduwrijk vanwege het afdak boven de put. Jezus is "vermoeid van de tocht", maar zelf is Hij in zijn geest niet bezig met deze gewoon menselijke vermoeidheid, maar met een heel andere, bovenmenselijke vermoeienis, het goddelijke lijden waaraan Hij zal zwoegen, opdat anderen er zonder zwoegen vruchten van dragen: "Ik stuurde u uit om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd en gij plukt van hun zwoegen de vruchten" (Joh 4,38).

De bron die Jezus is, nodigt mij uit om bij Hem uit te rusten: "Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken... Gij zult rust vinden voor uw zielen" (Joh 11,28-29).

 
Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten, zei Jezus tot haar: "Geef Mij te drinken."

Het is de omgekeerde wereld: Jezus verschijnt hier als "menselijk" behoeftig en vragend, terwijl Hij op goddelijke wijze onze dorst zal lessen. Jezus zal tot op het kruis als dorstig verschijnen: "Ik heb dorst" (Joh 19,28), boete plegend voor onze onverzadigbare dorst naar menselijke verkwikking. Dat Hij pas na zijn dood onze dorst zal lessen, betekent ook, dat Hij het zal doen vanuit de goddelijke bron die Hij zelf is: "Wie in Mij gelooft, hij drinke! Zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Hiermee doelde Hij op de Geest die zij die in Hem geloofden, zouden ontvangen, want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt (= gestorven en verrezen) was" (Joh 7,38-39). Verheerlijkt houdt in: gestorven en verrezen.

 
De Samaritaanse zei tot Hem: "Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?" ... Jezus gaf ten antwoord: "Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en als ge wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven."

De eigenlijke werkelijkheid is steeds tegenovergesteld aan de getoonde: de dorstige Jezus drenkt en de drenkende (vrouw) dorst. Zo is het ook tussen Jezus en elk van ons. Wij hebben dorst naar gewoon water en naar alles wat daarvoor kan worden ingevuld: erkenning, geborgenheid, genegenheid, afwisseling, prestatie, eer, comfort, genoegen enz. Die dorst is onlesbaar. Dat is te zien aan de Samaritaanse. Haar dorst drijft haar van de ene naar de andere man. Rusteloos en onverzadigbaar. "Want", zegt Augustinus, "Gij hebt ons gemaakt naar U toe, en rusteloos blijft ons hart totdat het zijn rust vindt in U". Deze dorst drijft ook ieder van ons van de ene verstrooiing naar de andere.

Hier word ik uitgenodigd om met mijn dorst naar bezit, eer, levensgeluk naar Jezus te gaan: "Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; wie in Mij gelooft, hij drinke" (Joh 7,37-38).
Maar Jezus is alleen in staat onze dorst te lessen, wanneer wij het opgeven naar een ander te zoeken. Daarop loopt elk gesprek met de Samaritaanse vast. Jezus leidt haar steeds naar de erkenning dat Hij de Enige is. Steeds maakt zij zich uit zijn leiding los en zoekt het weer bij de gewone menselijke betekenis van dingen en gebruiken.
De Gave Gods is Jezus naar de geest, naar zijn bovenmenselijke, goddelijke betekenis. We moeten eraan wennen alles te beoordelen vanuit Hem, zoals in dit evangelie: de bron, de vermoeienis, de dorst, het water, het uur, de spijs, het voedsel, het licht.

 
De vrouw zei Hem: "Ik weet dat de Messias - dat wil zeggen: de Gezalfde - komt, en wanneer Die komt, zal Hij ons alles verkondigen." Jezus zei tot haar: "Dat ben Ik, die met u spreek."

Jezus had tot de vrouw gezegd: "...er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid." Dat uur is er nu al, want de stem waarmee Jezus de vrouw toespreekt, is dezelfde als die welke eens bij het eindoordeel zal worden gehoord. Het heeft dus echt geen zin meer om te discussiëren over het wettige heiligdom, nu het enige heiligdom in levende lijve voor haar staat. Maar de vrouw probeert er weer langs te komen door met het gesprek de hoogte en de verre toekomst in te gaan over een Messias die ooit eens zal komen en dan alles in het reine zal brengen. Maar Jezus antwoordt, dat zij niet op de Messias hoeft te wachten. Hij staat voor haar: "Dat ben Ik, die met u spreek." In al zijn menselijkheid neemt Jezus de Godsnaam van het Oude Verbond in de mond: "Ik ben." De ondoorgrondelijkheid van God en de nabijheid van zijn trouw komen ons op ondoorgrondelijke wijze in Jezus nabij. Het gebed is de situatie om mij voor zijn verheven nabijheid open te stellen.

 
Vele Samaritanen uit de stad geloofden in Hem... Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren, verzochten zij Hem bij hen te blijven. Hij bleef er dan ook twee dagen en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof. Tot de vrouw zeiden ze: "Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is."

Omdat Hij is "Ik-ben", de volle openbaring van Gods trouw in menselijke gestalte, geloven de Samaritanen niet meer op het wonderverhaal van de vrouw, maar op gezag van Jezus.
Op die manier geloven ook wij: niet op gezag van mensen, maar op Gods eigen gezag die door hun verkondiging ons aanspreekt. Is het immers niet God zelf die in Jezus Christus en in de leerlingen van Jezus spreekt en zonder iets van zijn goddelijke verhevenheid in te boeten, ons toch in mensen nabij is. Jezus is het vaste punt op de woelige levenszee: "Het meer werd woelig... maar Jezus sprak tot hen: Ik ben het, weest niet bang" (Joh 6,18.20). Als wij Hem op onze levenstocht aan boord nemen, zijn wij vlak bij de kust van de eeuwigheid: "Zij wilden Hem aan boord nemen, maar vlak daarop bereikte de boot de kust, waarheen zij op weg waren" (Joh 6,21).

Aan het eind gesprekjes voeren met Jezus, zo gewoon en zo direct als het gebeurde bij de put van Jakob. Ik kan de vraag van de vrouw herhalen, maar nu met meer geloof: "Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg."
Van Jezus ga ik dan naar zijn Vader, van wie Jezus de gave is in eigen Persoon: "Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken..."
Jezus is de gave van de Vader aan ons. In ons gebed geven wij Hem terug. In het Onze Vader geven wij ook ons gesprek aan Hem af, want het is niet ons eigen gebed, maar het gebed van de Heer.

De tijd na afloop van het gebed is zeer geschikt om zicht te krijgen op de geesten die ons beheersen. De verkeerde geest houdt zich schuil onder of achter wat verstrooit, dat is wat ons van God afhoudt. Dat is dan ook de eerste vraag van de reflexie:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In dit evangelie zien we hoe de vrouw steeds weer afwijkt van wat Jezus haar wil zeggen, dus steeds weer verstrooid is.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Op een gegeven ogenblik werd de vrouw zo door Jezus geraakt, dat zij vergeet waarvoor zij gekomen was: de kruik, die symbool is voor de wereld waarmee zij verstrooid was.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Dat is eigen aan een contact met Jezus. Het is aanbidding in geest en waarheid, dat wil zeggen: niet gebonden aan de uiterlijke vorm van het gebed. Het gebed in geest en waarheid neemt tenslotte de vorm aan van het leven, ook van het leven na afloop van het gebed.
Vijf broden en twee vissen