Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 5 | en kwam zo aan een stad van Samaria, Sichar genaamd, dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven. |
| 6 | en vermoeid van de tocht ging Jezus zo maar bij deze bron zitten. Het was rond het middaguur. |
| 7 | zei Jezus tot haar: "Geef Mij te drinken." |
| 8 | om levensmiddelen te kopen. |
| 9 | "Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?" - Joden namelijk onderhouden geen betrekkingen met de Samaritanen. - |
| 10 | "Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en als ge wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven." |
| 11 | "Heer, Ge hebt niet eens een emmer en de put is diep: waar haalt Ge dan dat levende water vandaan? |
| 12 | die ons de put gaf en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?" |
| 13 | "Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst, |
| 14 | krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven." |
| 15 | "Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en hier niet meer moet komen om te putten. |
| 19b | |
| 20 | en gij, Joden, zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet." |
| 21 | - zei Jezus haar, - er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. |
| 22 | wij aanbidden wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden komt. |
ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden. |
|
| 24 | moeten Hem in geest en waarheid aanbidden." |
| 25 | "Ik weet dat de Messias - dat wil zeggen: de Gezalfde - komt, en wanneer Die komt zal Hij ons alles verkondigen." |
| 26 | "Dat ben Ik, die met u spreek." |
| 39a | |
| 40 | verzochten zij Hem bij hen te blijven. |
| 41 | en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof. |
| 42 | "Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is." |
| Johannes 4, 5-15.19b-26.39a.40-42 |
Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem, zoals Jezus rustte bij de bron van Jakob. Jezus is onze bron waaruit wij "rust en verkwikking" putten (Joh 11,28). Alle andere bronnen van leven, van informatie, van levensgeluk loslaten om God alleen mijn enige geluksbron te laten zijn.
Een paar passen vóór de plaats van het gebed, staande een ogenblik mij zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, hoe Hij werft om mijn geloof zoals Hij geworven heeft om het geloof van de Samaritaanse. Ik laat mijn eerbied tot voltooiing brengen door een gebaar van eerbied te maken.
Dan neem ik de houding aan van het gebed, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen, zodat ik kan letten op de innerlijke bewegingen.
Het gaat natuurlijk om die innerlijke houding van beschikbaarheid en openheid voor de dienst van God waarvan heel mijn levenshouding doordrongen moet zijn. Dat vraag ik dan nu ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Nu bereid ik me erop voor nog dieper het geheim van Gods zelfmededeling binnen te gaan, hoe Hij namelijk in Jezus zich helemaal heeft uitgesproken en meegedeeld. Hier is dat de geschiedenis van Jezus, hoe de beweging rond Hem de autoriteiten verontrust. Om maatregelen tegen Hem te voorkomen, trekt Jezus vanuit het Zuiden naar het Noorden, weg uit het gezicht van de centrale autoriteiten in Judea. Weg dus uit Judea, dat is: het Jodenland, naar Galilea, het land van de heidenen. Onderweg komt Hij door Samaria. Daar in Samaria is Jezus als een voorbijganger in een geloofsvijandig land. Daar heeft Hij een schijnbaar toevallige ontmoeting met een vrouw bij de put van Jakob. Wat een moeite doet Jezus om alleen maar die ene vrouw te winnen voor het echte geloof! Haar bekering wordt aanschouwelijk in het achterlaten van de kruik. Om die kruik met water te vullen was zij gekomen. Nu hoeft het niet meer. Haar leven is vol geworden van iets anders. Zo vol, dat zij ook anderen daarvan weet te overtuigen. Haar bekering heeft de bekering van "veel meer" tot gevolg.
De plaats is Samaria waar de Samaritanen wonen. Dat is in de ogen van de Joden geen echt volk ofwel "het dwaze volk dat te Sichem woont". Verachtelijk zoals de Edomieten en Filistijnen. Samaritaan was een scheldwoord, ongeveer gelijk met "van de duivel bezeten": "De Joden gaven Jezus ten antwoord: zeggen wij niet met recht, dat Gij een Samaritaan zijt en van de duivel bezeten?" (Joh 8,48) Jezus vertoeft in Samaria als een vreemdeling. Maar als een ongewenste vreemdeling. Maar aan het einde ontpopt Hij zich als "de redder van de wereld" (Joh 4,42). Zo is Jezus nog steeds: in een geloofsvijandige wereld wordt Hij door gelovigen aangehangen als "de Redder van de wereld".
Het uiterlijke van de geschiedenis en de plaats willen binnenvoeren naar het innerlijk, dat is het geheim van Jezus' Persoon. Daarheen probeert Jezus steeds weer opnieuw de aandacht van de vrouw terug te leiden: "Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en als ge wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken...wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven...Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid...de Gezalfde... Dat ben Ik, die met u spreek." Is er in mij een verlangen naar die kennis van Jezus? Dat dan vragen als een bijzondere genade.
Jezus moest door Samaria en kwam zo aan een stad van
Samaria, Sichar genaamd, dichtbij het stuk grond dat Jakob aan
zijn zoon Jozef had gegeven. Daar bevond zich de bron van
Jakob.
Dit deel van Israël was al sinds de verovering door Assyrië en de
daarop volgende deportatie van de elite van het land een
smeltkroes geweest. Na de ballingschap kwam het tot een
definitief schisma. De Samaritanen bouwden een eigen tempel op de
berg de Gerizzim, behielden de vijf boeken van Mozes en
geloofden in de komst van een Messias. Aan de voet van de
Gerizzim aan de oostkant ligt de put van Jakob. Jakob had hier
een stuk grond gekocht van de Sichemieten (Gen 33,19). Later
schonk hij dit stuk aan Jozef. Deze werd op dit stuk land
begraven (Jozua 24,32). Een Jood komt hier in deze vlakte als een
ketter in een heiligdom.
Maar Jezus laat zich niet opsluiten
binnen de grenzen die mensen oprichten. Terwijl de Joden Hem niet
beter vinden dan een Samaritaan, vindt Jezus zich niet te slecht
voor de Samaritanen. Het is juist eigen aan zijn liefde om zich
niet te laten opsluiten in de kring van hen wier liefde exclusief
uitgaat naar hen van wie zij liefde ontvangen (Joh 5,46).
Jezus' liefde is grensoverschrijdend, zelfs ten aanzien van de grenzen
die wijzelf tegen Hem oprichten.
...en vermoeid van de tocht ging Jezus zo maar bij
deze bron zitten. Het was rond het middaguur.
Het is ongeveer twaalf uur in de middag, wanneer de zon op zijn krachtigst is. De bron biedt een koel plekje en ook schaduwrijk vanwege het afdak boven de put. Jezus is "vermoeid van de tocht", maar zelf is Hij in zijn geest niet bezig met deze gewoon menselijke vermoeidheid, maar met een heel andere, bovenmenselijke vermoeienis, het goddelijke lijden waaraan Hij zal zwoegen, opdat anderen er zonder zwoegen vruchten van dragen: "Ik stuurde u uit om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd en gij plukt van hun zwoegen de vruchten" (Joh 4,38).
De bron die Jezus is, nodigt mij uit om bij Hem uit te rusten: "Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken... Gij zult rust vinden voor uw zielen" (Joh 11,28-29).
Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten, zei
Jezus tot haar: "Geef Mij te drinken."
Het is de omgekeerde wereld: Jezus verschijnt hier als "menselijk" behoeftig en vragend, terwijl Hij op goddelijke wijze onze dorst zal lessen. Jezus zal tot op het kruis als dorstig verschijnen: "Ik heb dorst" (Joh 19,28), boete plegend voor onze onverzadigbare dorst naar menselijke verkwikking. Dat Hij pas na zijn dood onze dorst zal lessen, betekent ook, dat Hij het zal doen vanuit de goddelijke bron die Hij zelf is: "Wie in Mij gelooft, hij drinke! Zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Hiermee doelde Hij op de Geest die zij die in Hem geloofden, zouden ontvangen, want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt (= gestorven en verrezen) was" (Joh 7,38-39). Verheerlijkt houdt in: gestorven en verrezen.
De Samaritaanse zei tot Hem: "Hoe kunt Gij als Jood nu
te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?" ... Jezus gaf ten
antwoord: "Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en als ge wist
wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, zoudt ge het aan Hem
hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven."
De eigenlijke werkelijkheid is steeds tegenovergesteld aan de getoonde: de dorstige Jezus drenkt en de drenkende (vrouw) dorst. Zo is het ook tussen Jezus en elk van ons. Wij hebben dorst naar gewoon water en naar alles wat daarvoor kan worden ingevuld: erkenning, geborgenheid, genegenheid, afwisseling, prestatie, eer, comfort, genoegen enz. Die dorst is onlesbaar. Dat is te zien aan de Samaritaanse. Haar dorst drijft haar van de ene naar de andere man. Rusteloos en onverzadigbaar. "Want", zegt Augustinus, "Gij hebt ons gemaakt naar U toe, en rusteloos blijft ons hart totdat het zijn rust vindt in U". Deze dorst drijft ook ieder van ons van de ene verstrooiing naar de andere.
Hier word ik uitgenodigd om met mijn dorst naar bezit, eer,
levensgeluk naar Jezus te gaan: "Als iemand dorst heeft, hij kome
tot Mij; wie in Mij gelooft, hij drinke" (Joh 7,37-38).
Maar Jezus is alleen in staat onze dorst te lessen, wanneer wij
het opgeven naar een ander te zoeken. Daarop loopt elk gesprek
met de Samaritaanse vast. Jezus leidt haar steeds naar de
erkenning dat Hij de Enige is. Steeds maakt zij zich uit zijn
leiding los en zoekt het weer bij de gewone menselijke betekenis
van dingen en gebruiken.
De Gave Gods is Jezus naar de geest, naar zijn bovenmenselijke,
goddelijke betekenis. We moeten eraan wennen alles te beoordelen
vanuit Hem, zoals in dit evangelie: de bron, de vermoeienis, de
dorst, het water, het uur, de spijs, het voedsel, het licht.
De vrouw zei Hem: "Ik weet dat de Messias - dat wil
zeggen: de Gezalfde - komt, en wanneer Die komt, zal Hij ons
alles verkondigen." Jezus zei tot haar: "Dat ben Ik, die met u
spreek."
Jezus had tot de vrouw gezegd: "...er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid." Dat uur is er nu al, want de stem waarmee Jezus de vrouw toespreekt, is dezelfde als die welke eens bij het eindoordeel zal worden gehoord. Het heeft dus echt geen zin meer om te discussiëren over het wettige heiligdom, nu het enige heiligdom in levende lijve voor haar staat. Maar de vrouw probeert er weer langs te komen door met het gesprek de hoogte en de verre toekomst in te gaan over een Messias die ooit eens zal komen en dan alles in het reine zal brengen. Maar Jezus antwoordt, dat zij niet op de Messias hoeft te wachten. Hij staat voor haar: "Dat ben Ik, die met u spreek." In al zijn menselijkheid neemt Jezus de Godsnaam van het Oude Verbond in de mond: "Ik ben." De ondoorgrondelijkheid van God en de nabijheid van zijn trouw komen ons op ondoorgrondelijke wijze in Jezus nabij. Het gebed is de situatie om mij voor zijn verheven nabijheid open te stellen.
Vele Samaritanen uit de stad geloofden in Hem... Toen
dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren, verzochten zij Hem bij
hen te blijven. Hij bleef er dan ook twee dagen en door zijn
woord kwamen er nog veel meer tot het geloof. Tot de vrouw zeiden
ze: "Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij
hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat Deze werkelijk de
redder van de wereld is."
Omdat Hij is "Ik-ben", de volle openbaring van Gods trouw in
menselijke gestalte, geloven de Samaritanen niet meer op het
wonderverhaal van de vrouw, maar op gezag van Jezus.
Op die manier geloven ook wij: niet op gezag van mensen, maar op
Gods eigen gezag die door hun verkondiging ons aanspreekt. Is het
immers niet God zelf die in Jezus Christus en in de leerlingen
van Jezus spreekt en zonder iets van zijn goddelijke verhevenheid
in te boeten, ons toch in mensen nabij is. Jezus is het vaste
punt op de woelige levenszee: "Het meer werd woelig... maar Jezus
sprak tot hen: Ik ben het, weest niet bang" (Joh 6,18.20). Als
wij Hem op onze levenstocht aan boord nemen, zijn wij vlak bij de
kust van de eeuwigheid: "Zij wilden Hem aan boord nemen, maar
vlak daarop bereikte de boot de kust, waarheen zij op weg waren"
(Joh 6,21).
Aan het eind gesprekjes voeren met Jezus, zo gewoon en zo
direct als het gebeurde bij de put van Jakob. Ik kan de vraag
van de vrouw herhalen, maar nu met meer geloof: "Heer, geef mij
van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg."
Van Jezus ga ik
dan naar zijn Vader, van wie Jezus de gave is in eigen Persoon:
"Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en wist wie het is, die
u zegt: Geef Mij te drinken..."
Jezus is de gave van de Vader aan
ons. In ons gebed geven wij Hem terug. In het Onze Vader geven
wij ook ons gesprek aan Hem af, want het is niet ons eigen gebed,
maar het gebed van de Heer.
De tijd na afloop van het gebed is zeer geschikt om zicht te
krijgen op de geesten die ons beheersen. De verkeerde geest houdt
zich schuil onder of achter wat verstrooit, dat is wat ons van
God afhoudt. Dat is dan ook de eerste vraag van de
reflexie:
