Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Derde zondag in de veertigdagentijd


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Juist in die tijd waren er bij Jezus enkele mensen
die Hem vertelden van de Galileeërs,
wier bloed Pilatus met dat van hun offerdieren
vermengd had.
2 Daarop zei Hij:
"Denkt ge,
dat onder alle Galileeërs alleen dezen zondaars waren,
omdat zij dat lot ondergaan hebben?
3 Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij u niet bekeert,
zult ge allen op een dergelijke manier omkomen.
4 Of die achttien die gedood werden,
doordat de toren bij de Siloam op hen viel:
denkt ge dat die alleen schuldig waren onder alle mensen
die in Jeruzalem woonden?
5 Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij niet tot bekering komt,
zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen."
6 Hij vertelde nu deze gelijkenis:
"Iemand had een vijgeboom
die in zijn wijngaard geplant stond;
hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets.
7 Toen zei hij tot de wijngaardenier:
"Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgeboom
vruchten zoeken, maar ik vind er geen.
Hak hem om: waartoe put hij nog de grond uit?"
8 Maar de man gaf hem ten antwoord:
"Heer, laat hem dit jaar nog staan;
laat mij eerst de grond er omheen omspitten
en er mest op brengen.
9 Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht;
zo niet, dan kunt ge hem omhakken."
Lucas 13,1-9

Beginnen mijn geest wat te laten rusten bij Hem.
Hij en ik in een onmiddellijke verhouding tot elkaar, niets en niemand er tussen. Zoals eens voor Gods rechterstoel. Niemand om voor mij te pleiten, niets om mij te verontschuldigen of mijn verantwoordelijkheid op af te wentelen voor het feit dat ik almaar de grond uitput zonder vruchten te dragen. De vrees die er bij mij opkomt, kalmeren door Jezus' pleidooi voor mij bij zijn Vader: "laat hem dit jaar nog staan" (v.8). Ik mag leven in een tijd van genade.

Nog niet meteen het gebed ingaan. Het ritme vertragen om tot een grotere diepte te komen. Eerst me er dieper van doordringen tot Wie ik me ga richten. Dan pas horen wát Hij zegt. Het belang van de persoon die spreekt, bepaalt de betekenis van zijn woorden.
Een paar passen van de plaats waar ik ga bidden, breng ik me zijn tegenwoordigheid te binnen, van Hem die mij in zijn wijngaard, zijn kerk, geplant heeft, die mij eens rekenschap zal vragen (zoeken of er vrucht aan zit), die mij kan "omhakken" omdat Hij "macht bezit ons in de hel te werpen" (12,5). Het besef van kleinheid laten uitgroeien in een gebaar van eerbied en aanbidding.

Ingaan in het gebed door de gebedshouding aan te nemen liggend, zittend of geknield, niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen om zodoende vrij te komen voor de innerlijke bewegingen bijvoorbeeld van berouw en bekering. In deze houding vragen om de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden opnieuw georiënteerd mogen worden in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Een korte samenvatting van de geschiedenis: mensen vertellen Jezus iets over een slachtpartij met religieuze en anti-religieuze bijbedoelingen. Jezus voelt dat er bij de vertellers een vooroordeel achter steekt: omdat het zondaars waren, overkwam hen dat. En ons (de vertellers van het verhaal) overkomt zoiets niet, omdat wij geen zondaars zijn. Jezus corrigeert het vooroordeel: allen zijn zondaars. Allen moeten zich bekeren. Anders zal ons bij het eindoordeel, buiten de kaders van de geschiedenis, overkomen wat die soldaten in Galilea en wat die achttien burgers uit Jeruzalem overkwam binnen de kaders van de geschiedenis.
Waarom worden de zondaars niet meteen gestraft? Omdat Jezus een tussentijd van verzoening heeft ingelast. Als die tijd voorbij is, dan komt het uitgestelde oordeel. Van uitstel komt dit maal geen afstel.

De plaats waar zich deze geschiedenis afspeelt: ergens in Galilea en overal waar mensen zich bevinden op weg naar hun eindbestemming, dus ook op deze plaats waar ik nu ben.

De bijzondere genade van deze overweging, dat ik de ernst van mijn situatie mag zien en mij van ganser harte mag bekeren tot Jezus.

 
"Juist in die tijd waren er bij Jezus enkele mensen die Hem vertelden van de Galileeërs, wier bloed Pilatus met dat van hun offerdieren vermengd had."

Het soort verhalen waarmee onze kranten en onze TV-journalen gevuld zijn. Men windt er zich soms een beetje over op of laat het gelaten over zich heengaan. Men ziet veelal niet hoe het vertellen van die gruwelverhalen een rechtvaardigingsfunctie heeft: wat leven wij toch nog betrekkelijk veilig en daarmee sluiten wij de ogen voor de morele gruwelen die bij ons aan de lopende band gebeuren. Hoé men zijn geweten ontlast, doet niet ter zake of men dat nu doet door de schuldtheorie van de Joden (boontje komt om zijn loontje) of door het morele kwaad in eigen kring systematisch te verzwijgen of goed te praten; waar het om gaat is dát men de stem van zijn geweten verstikt.

 
"Daarop zei Jezus: Denkt ge, dat onder alle Galileeërs alleen deze mensen zondaars waren, omdat zij dat lot ondergaan hebben?"

Jezus is geen gemakkelijk gezelschap. Hij laat zich niet de rol opdringen die de mensen Hem toeschuiven, om zo de gevestigde orde door Hem te laten bevestigen. Hij laat zich niet aanpassen of inpassen. Allen moeten zich aanpassen aan Hem: "Niemand scheurt een lap van een nieuw kleed om daarmee een oud te verstellen" ... "Niemand doet jonge wijn in oude zakken" (5,36-37). Jezus laat zich niet voor ons karretje spannen. Hij prikt het onderliggende vooroordeel door: "dat alleen deze mensen zondaars waren", met uitsluiting dus van alle anderen. Jezus heeft het nooit over de anderen, maar altijd over ons, over mij.

 
"Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij u niet bekeert, zult ge allen op een dergelijke manier omkomen."

Ineens worden de buitenstaanders tot betrokkenen. Dat doet Jezus altijd. Zie maar hoe Hij de man van antwoord dient die Hem de vraag voorlegde: "Heer, zijn het er weinig die gered worden?" Jezus antwoordde niet met: veel of weinig, maar "Spant u tot het uiterste in..." (13,24). Daarop berust ook deze manier van overwegen. Zolang je het woord van het evangelie nog niet hebt verstaan als tot je zelf gericht, heb je de eigenlijke betekenis er nog niet van begrepen. Dat hangt samen met Wie Jezus is. Jezus is niet iemand ergens ver weg over Wie je het kunt hebben, maar Hij is altijd en voor iedereen een "Gij", met Wie ieder een onmiddellijke verhouding heeft en dan nog wel een verhouding waarvan elk tot in zijn bestaan afhankelijk is. Dat onderkennen en daarop zijn leven inrichten is "bekering". Bekering is altijd bekering tot Jezus. Zich afkeren van zijn zelfgenoegzaamheid en zich toekeren tot Jezus. Jezus wil mij met zijn donderpreek wakker schudden. Niet om mij schrik in te boezemen, maar om mij aan te sporen zijn reddende hand te grijpen. Want het is mijn laatste kans. Pak ik die kans niet, dan wordt deze genade mij tot veroordeling. Het is uit barmhartigheid dat Jezus dreigt met het oordeel, zoals het barmhartigheid is van de kapitein om tot de passagiers van het zinkende schip te zeggen, dat de reddingsboten hun enige redding is. Alles of niets. Nu of nooit. Na Jezus komt er geen ander meer!

 
"Toen vertelde Hij de volgende gelijkenis: Iemand had een vijgeboom die in zijn wijngaard geplant stond."

Nadat Jezus in de voorgaande interventies mij heeft willen wakker schudden, biedt Hij zich nu aan als Pleitbezorger en Middelaar die voor mij ten beste spreekt. Een vijgeboom in een wijngaard. Dat wil zeggen: het beste plekje voor een vijgeboom. De wijngaard was Israël: "Israël is een weelderige wijnstok" (Hos 10,1)... "Een wijnstok groef Gij los uit Egypte" (Ps 80,9)... "Er was eens een man die een wijngaard aanlegde" (20,9). Die wijngaard van de Heer is nu de kerk, het nieuwe Israël. Beter milieu kan men zich niet denken. Een goddelijk milieu. Alle reden dus om er vrucht van te verwachten.

 
"... hij kwam zoeken of er vrucht aan zat."

Eens zal er rekenschap van mij gevraagd worden. Mijn leven eindigt met een afrekening. Ik doe niet aan het leven mee voor spek en bonen. Hij nodigt mij uit om mee te doen. Hij neemt mij serieus. In de maatschappij kan iemand een figurantenrol spelen, ondergaan in de massa, anoniem. Voor God heeft elk een eigen naam. Bij Hem ben je in tel: "Ja, zelfs de haren op uw hoofd zijn alle geteld" (12,7). Wat is dus de vrucht? Dat ik me door Hem gekend weet.

 
"Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgeboom vruchten zoeken."

Drie jaar, dat is de periode waarna iemand mag zeggen: "nu is het welletjes." Maar ook als het nu toch echt welletjes is, komt Jezus tussenbeide om Gods gerechtvaardigde toorn af te wenden:

 
"Heer, laat hem dit jaar nog staan; laat mij eerst de grond er omheen omspitten en er mest opbrengen. Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht; zo niet, dan kunt ge hem omhakken."

Jezus is de vleesgeworden gestalte van Gods geduld en barmhartigheid.

"Neen, Ik zal mijn vlammende toorn toch niet koelen,
Efraïm niet opnieuw te gronde richten,
want Ik ben God, Ik ben geen mens,
Ik ben de Heilige in uw midden.
Ik laat Mij niet gaan in mijn toorn" (Hos 11,8-9).

Jezus is voor ons de garantie, dat dit geen voorbijgaande opwellingen zijn van God of alleen maar geldend voor bepaalde personen: "Hem heeft God voor wie gelooft, aangewezen als zoenoffer door zijn bloed. God wilde zo zijn gerechtigheid tonen, want Hij had in zijn verdraagzaamheid de zonden van het verleden laten passeren" (Rom 3,25).

Aan het eind van het gebed me eerst nog eens persoonlijk in een gesprekje tot Jezus richten, mijn pleitbezorger en middelaar bij de Vader. Aan Hem heb ik alles te danken. Zonder Hem zou ik nergens geweest zijn. Jezus begeleidt me tot bij de Vader. Bij Hem doet Hij een goed woordje voor me: "laat hem ... nog staan." Dan me tot de Vader wenden. In dankbaarheid of in welk ander gevoel dat in mij opwelt. In een Onze Vader mijn geest neerleggen.

In een wat andere houding zodat ik wat kan schrijven een terugblik of reflexie houden door de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen beleef ik de wereld als nog niet bekeerd, opgesloten in mij zelf, zelfgenoegzaam en Jezus als een derde.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar werd ik van een buitenstaander een betrokkene?
  3. En nu na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Dat is een teken van echte vruchtbaarheid: "vruchten die blijvend zijn" (Joh 15,16).