Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 1 | een man die blind was van zijn geboorte af. |
| 6 | maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de man |
| 7 | "Ga u wassen in de vijver van Siloam," - wat betekent: gezondene. - Hij ging ernaar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan. |
| 8 | en degenen die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden: "Is dat niet de man, die zat te bedelen?" |
| 9 | "Inderdaad, hij is het." Anderen: "Neen, hij lijkt alleen maar op hem." Hijzelf zei: "Ik ben het." |
| 13 | bij de Farizeeën; |
| 14 | en zijn ogen geopend, was namelijk een sabbat. |
| 15 | hoe hij het gezicht herkregen had. Hij zei hun: "De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie." |
| 16 | "Die man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet." Anderen zeiden: "Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?" Zo was er verdeeldheid onder hen. |
| 17 | "Wat zegt gijzelf van Hem, daar Hij u toch de ogen geopend heeft?" Hij antwoordde: "Het is een profeet." |
| 34 | "In zonden ben je geboren, zo groot als je bent, en jij wilt ons de les lezen?" Toen wierpen ze hem buiten. |
| 35 | en toen Hij hem aantrof, zei Hij: "Gelooft ge in de Mensenzoon?" |
| 36 | Dan zal ik in Hem geloven." |
| 37 | het is Degene die met u spreekt." |
| 38 | En hij wierp zich voor Hem neer. |
| Johannes 9, 1.6-9.13-17.34-38 |
Bij de genezing van de blindgeborene neemt Jezus het initiatief. Juist zoals bij de zon gaat het licht van de wereld vanzelf op. Ik hoef en kan daar zelfs niets aan doen. Zo is het ook met het gebed. Bidden is Jezus voor je laten opgaan als het licht van de wereld. Niet zelf iets willen doen, niet zelf je licht laten schijnen. Nee, in de duisternis zitten, niets willen weten of zien. Alleen maar vertrouwen, dat Hij ook voor mij het licht zal zijn. Daartoe eerst de geest laten rusten bij Hem.
Bij de plaats van het gebed, staande je zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, leven onder het licht van zijn aanschijn. Een gebaar maken van eerbied en geloof zoals de blindgeborene: "Toen zei hij: Ik geloof, Heer. En hij wierp zich voor Hem neer."
Dan neem ik de houding van het gebed aan, liggend, zittend of geknield, in een houding van ontvankelijkheid en openheid voor het licht van de wereld. Ik ben pas helemaal in de goede gesteltenis als ik niet alleen nu, maar ook gedurende heel mijn leven in de dienst van God wil staan. Ik kan deze oriëntatie van heel mijn leven op de dienst van God verdiepen door dit nu als een genade te vragen: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Altijd was God voor de gelovige Jood een licht, een vuurzuil in
de nacht. Maar nu neemt dat licht een blijvende gestalte aan in
Jezus, "het licht dat in de duisternis schijnt" (Joh 1,4.5);
"Jezus, het ware Licht dat iedere mens verlicht" (Joh 1,9), een
zon die nooit meer ondergaat.
De geschiedenis is dat in de genezing van de blindgeborene
Jezus zich toont als het ware licht. Het zijn de Joden die niet
zien. Ze zijn ziende blind.
De plaats: ergens in Jeruzalem. En ook de plaats zien waar ik zelf van mijn Godsverduistering ben genezen, de kerk waar ik gedoopt ben. En eventueel een plaats waar ik een bijzondere verlichting van God heb mogen ontvangen.
Nu probeer ik voeling te krijgen met mijn eigen hart of er daar zo'n verlangen leeft dat ik Jezus nog beter mag zien. Als dat het geval is, kan ik nu vragen om de bijzondere genade, om Jezus Christus beter te mogen leren kennen, met een innerlijke kennis, een geloofskennis, dat is een kennis die mij engageert in een werkelijke navolging.
In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man die
blind was van zijn geboorte af.
Onze ogen laten opengaan voor wat wij zijn: "ziende blind". Als
ik zie, dat ik zelf veel van die blindgeborene heb, dan ben ik
ziende.
Ik kan bij mij zelf nagaan hoe ik me soms blindstaar (op
erkenning, gezondheid, status, luxe, comfort, contact, op de
fouten van de ander of op mijn eigen fouten, op idealen en
idolen), hoe ik in den blinde rondtast over de betekenis van
voorvallen in mijn leven, de toekomst. Alle vormen van
geestelijke blindheid zijn terug te brengen tot
Godsblindheid. Wij zien God niet staan, dat wil zeggen:
wij geloven niet echt in Hem. Daar kan ik me nu op betrappen bij
het bidden. Maar ook elke keer wanneer ik in de omgang met de
ander blijf staan bij de eigenschappen van die ander en niet
doordring naar het geheim van zijn wezen: hoe hij bemind wordt
door God, vrijgekocht door het bloed van Jezus.
Maar Jezus houdt me in die blindgeborene alleen een spiegel voor
om me van die Godsblindheid te genezen.
Hij spuwde op de grond, maakte met het speeksel
slijk, bestreek daarmee de ogen van de man en zei tot hem: "Ga u
wassen in de vijver van Siloam", - wat betekent: gezondene. - Hij
ging ernaar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan.
Jezus wil ons ziende maken. Hij doet dit door het doopsel, vroeger ook wel genoemd: "het sacrament van de verlichting". Van dit sacrament wordt hierin de genezing van de blindgeborene de ritus beschreven: eerst de zalving van de ogen en dan de onderdompeling in de vijver van Siloam, wat betekent: gezondene, dat is Christus. Door mij in Jezus onder te dompelen, gaan mijn ogen open voor God. Door Jezus te zien, zie ik de Vader: "Wie Mij ziet, ziet de Vader" (Joh 14,9); "Wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft" (Joh 12,45).
Men bracht nu de man die blind geweest was bij de
Farizeeën; de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen
geopend, was namelijk een sabbat.
Jezus heeft als volgt geredeneerd: op sabbat mag men wel niet
werken, maar dat geldt niet voor God zelf. Door op de sabbat te
genezen laat Hij zien, dat dit het werk van God is: "Omdat Jezus
dergelijke dingen op sabbat deed, begonnen de Joden Hem te
vervolgen... Hij tastte immers niet slechts de sabbat aan, maar
Hij noemde zelfs God zijn eigen Vader en maakte daardoor
Zichzelf aan God gelijk" (Joh 5,15-18).
Bij ons, evenals bij Jezus, gaat het niet om het goede werk op
zich: "Het zijn juist de werken die de Vader Mij gegeven
heeft om te volbrengen en die Ik ook volbreng, die van Mij
getuigen, dat Ik door de Vader gezonden ben" (Joh 5,36).
Wát ik doe, is minder belangrijk dan hóe ik het doe, met wat voor
een intentie: "opdat zij uw goede werken zien én uw Vader
verheerlijken die in de hemel is" (5,16).
Toen wierpen ze hem buiten.
Dat hoort erbij. Het hoort erbij, dat je er niet bijhoort. Wie
Jezus' volgeling wordt, kan rekenen op vervolging. Ook in het
ondergaan van de verwerping is een bijzondere gemeenschap te
beleven met Hem die Zelf verworpen werd: "Hij, de steen die de
bouwlieden hebben afgekeurd" (21,42; Psalm 118,22).
In die gemeenschap met de Uitverkorene wordt de verwerping zelf
een uitverkiezing, een zaligheid: "Zalig zijt gij, wanneer
omwille van de Mensenzoon de mensen u haten, wanneer zij u
uitstoten, u beschimpen en uw naam uit de samenleving
bannen als iets verfoeilijks. Als die dag komt, springt dan op
van blijdschap, want groot is uw loon in de hemel" (Lc 6,22-23).
In de vervolging zul je merken: "Al wat de Vader Mij geeft, zal
tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik niet
buitenwerpen" (Joh 6,37). Momenteel is dit het lot van de
gewone katholiek: door de massa-media wordt zijn geloofsbeleving
belachelijk gemaakt. Deze massa-media registreren de
geloofsvijandigheid van onze samenleving, maar versterken deze op
hun beurt, zodat geen milieu er zich meer aan onttrekken kan. De
vraag is echter: heb ik deze situatie al eens met de ogen van
Jezus bekeken?
En de situaties in mijn persoonlijk leven van niet-meetellen,
eruit-liggen, afwijzing ervaren enz.? Hoe verwerk ik die?
Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had en toen
Hij hem aantrof, zei Hij: "Gelooft ge in de Mensenzoon?" Hij
antwoordde: "Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven." Jezus
zei hem: "Gij ziet Hem, het is Degene die met u spreekt." Toen zei
hij: "Ik geloof, Heer. En hij wierp zich voor Hem neer."
Alleen wie in Jezus en in de verwerping iets van God ziet, is ziende.
Aan het eind mag het zijn zoals het was tussen de ziende geworden blindgeborene en Jezus: de totale overgave van het geloof. Me dan door Jezus naar de Vader laten leiden, naar Hem die woont in het ontoegankelijke licht. Een Onze Vader bidden.
De vragen van de reflexie dienen ervoor om te
onderscheiden door wat voor geesten of lichten ik werd geleid: