Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Vierde zondag in de Veertigdagentijd


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan
een man die blind was van zijn geboorte af.
6 Hij spuwde op de grond,
maakte met het speeksel slijk,
bestreek daarmee de ogen van de man
7 en zei tot hem:
"Ga u wassen in de vijver van Siloam,"
- wat betekent: gezondene. -
Hij ging ernaar toe, waste zich
en kwam er ziende vandaan.
8 Zijn buren nu
en degenen die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden:
"Is dat niet de man, die zat te bedelen?"
9 Sommigen zeiden:
"Inderdaad, hij is het."
Anderen:
"Neen, hij lijkt alleen maar op hem."
Hijzelf zei:
"Ik ben het."
13 Men bracht nu de man die blind geweest was
bij de Farizeeën;
14 de dag waarop Jezus slijk had gemaakt
en zijn ogen geopend,
was namelijk een sabbat.
15 Ook de Farizeeën vroegen hem dus,
hoe hij het gezicht herkregen had.
Hij zei hun:
"De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen,
ik waste mij en ik zie."
16 Toen zeiden sommige Farizeeën:
"Die man komt niet van God,
want Hij onderhoudt de sabbat niet."
Anderen zeiden:
"Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?"
Zo was er verdeeldheid onder hen.
17 Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen:
"Wat zegt gijzelf van Hem,
daar Hij u toch de ogen geopend heeft?"
Hij antwoordde:
"Het is een profeet."
34 Zij voegden hem toe:
"In zonden ben je geboren,
zo groot als je bent,
en jij wilt ons de les lezen?"
Toen wierpen ze hem buiten.
35 Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had
en toen Hij hem aantrof, zei Hij:
"Gelooft ge in de Mensenzoon?"
36 Hij antwoordde: "Wie is dat, Heer?
Dan zal ik in Hem geloven."
37 Jezus zei hem: "Gij ziet Hem,
het is Degene die met u spreekt."
38 Toen zei hij: "Ik geloof, Heer."
En hij wierp zich voor Hem neer.
Johannes 9, 1.6-9.13-17.34-38

Bij de genezing van de blindgeborene neemt Jezus het initiatief. Juist zoals bij de zon gaat het licht van de wereld vanzelf op. Ik hoef en kan daar zelfs niets aan doen. Zo is het ook met het gebed. Bidden is Jezus voor je laten opgaan als het licht van de wereld. Niet zelf iets willen doen, niet zelf je licht laten schijnen. Nee, in de duisternis zitten, niets willen weten of zien. Alleen maar vertrouwen, dat Hij ook voor mij het licht zal zijn. Daartoe eerst de geest laten rusten bij Hem.

Bij de plaats van het gebed, staande je zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, leven onder het licht van zijn aanschijn. Een gebaar maken van eerbied en geloof zoals de blindgeborene: "Toen zei hij: Ik geloof, Heer. En hij wierp zich voor Hem neer."

Dan neem ik de houding van het gebed aan, liggend, zittend of geknield, in een houding van ontvankelijkheid en openheid voor het licht van de wereld. Ik ben pas helemaal in de goede gesteltenis als ik niet alleen nu, maar ook gedurende heel mijn leven in de dienst van God wil staan. Ik kan deze oriëntatie van heel mijn leven op de dienst van God verdiepen door dit nu als een genade te vragen: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Altijd was God voor de gelovige Jood een licht, een vuurzuil in de nacht. Maar nu neemt dat licht een blijvende gestalte aan in Jezus, "het licht dat in de duisternis schijnt" (Joh 1,4.5); "Jezus, het ware Licht dat iedere mens verlicht" (Joh 1,9), een zon die nooit meer ondergaat.
De geschiedenis is dat in de genezing van de blindgeborene Jezus zich toont als het ware licht. Het zijn de Joden die niet zien. Ze zijn ziende blind.

De plaats: ergens in Jeruzalem. En ook de plaats zien waar ik zelf van mijn Godsverduistering ben genezen, de kerk waar ik gedoopt ben. En eventueel een plaats waar ik een bijzondere verlichting van God heb mogen ontvangen.

Nu probeer ik voeling te krijgen met mijn eigen hart of er daar zo'n verlangen leeft dat ik Jezus nog beter mag zien. Als dat het geval is, kan ik nu vragen om de bijzondere genade, om Jezus Christus beter te mogen leren kennen, met een innerlijke kennis, een geloofskennis, dat is een kennis die mij engageert in een werkelijke navolging.

 
In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af.

Onze ogen laten opengaan voor wat wij zijn: "ziende blind". Als ik zie, dat ik zelf veel van die blindgeborene heb, dan ben ik ziende.
Ik kan bij mij zelf nagaan hoe ik me soms blindstaar (op erkenning, gezondheid, status, luxe, comfort, contact, op de fouten van de ander of op mijn eigen fouten, op idealen en idolen), hoe ik in den blinde rondtast over de betekenis van voorvallen in mijn leven, de toekomst. Alle vormen van geestelijke blindheid zijn terug te brengen tot Godsblindheid. Wij zien God niet staan, dat wil zeggen: wij geloven niet echt in Hem. Daar kan ik me nu op betrappen bij het bidden. Maar ook elke keer wanneer ik in de omgang met de ander blijf staan bij de eigenschappen van die ander en niet doordring naar het geheim van zijn wezen: hoe hij bemind wordt door God, vrijgekocht door het bloed van Jezus.
Maar Jezus houdt me in die blindgeborene alleen een spiegel voor om me van die Godsblindheid te genezen.

 
Hij spuwde op de grond, maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de man en zei tot hem: "Ga u wassen in de vijver van Siloam", - wat betekent: gezondene. - Hij ging ernaar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan.

Jezus wil ons ziende maken. Hij doet dit door het doopsel, vroeger ook wel genoemd: "het sacrament van de verlichting". Van dit sacrament wordt hierin de genezing van de blindgeborene de ritus beschreven: eerst de zalving van de ogen en dan de onderdompeling in de vijver van Siloam, wat betekent: gezondene, dat is Christus. Door mij in Jezus onder te dompelen, gaan mijn ogen open voor God. Door Jezus te zien, zie ik de Vader: "Wie Mij ziet, ziet de Vader" (Joh 14,9); "Wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft" (Joh 12,45).

 
Men bracht nu de man die blind geweest was bij de Farizeeën; de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend, was namelijk een sabbat.

Jezus heeft als volgt geredeneerd: op sabbat mag men wel niet werken, maar dat geldt niet voor God zelf. Door op de sabbat te genezen laat Hij zien, dat dit het werk van God is: "Omdat Jezus dergelijke dingen op sabbat deed, begonnen de Joden Hem te vervolgen... Hij tastte immers niet slechts de sabbat aan, maar Hij noemde zelfs God zijn eigen Vader en maakte daardoor Zichzelf aan God gelijk" (Joh 5,15-18).
Bij ons, evenals bij Jezus, gaat het niet om het goede werk op zich: "Het zijn juist de werken die de Vader Mij gegeven heeft om te volbrengen en die Ik ook volbreng, die van Mij getuigen, dat Ik door de Vader gezonden ben" (Joh 5,36). Wát ik doe, is minder belangrijk dan hóe ik het doe, met wat voor een intentie: "opdat zij uw goede werken zien én uw Vader verheerlijken die in de hemel is" (5,16).

 
Toen wierpen ze hem buiten.

Dat hoort erbij. Het hoort erbij, dat je er niet bijhoort. Wie Jezus' volgeling wordt, kan rekenen op vervolging. Ook in het ondergaan van de verwerping is een bijzondere gemeenschap te beleven met Hem die Zelf verworpen werd: "Hij, de steen die de bouwlieden hebben afgekeurd" (21,42; Psalm 118,22). In die gemeenschap met de Uitverkorene wordt de verwerping zelf een uitverkiezing, een zaligheid: "Zalig zijt gij, wanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten, wanneer zij u uitstoten, u beschimpen en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks. Als die dag komt, springt dan op van blijdschap, want groot is uw loon in de hemel" (Lc 6,22-23).
In de vervolging zul je merken: "Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik niet buitenwerpen" (Joh 6,37). Momenteel is dit het lot van de gewone katholiek: door de massa-media wordt zijn geloofsbeleving belachelijk gemaakt. Deze massa-media registreren de geloofsvijandigheid van onze samenleving, maar versterken deze op hun beurt, zodat geen milieu er zich meer aan onttrekken kan. De vraag is echter: heb ik deze situatie al eens met de ogen van Jezus bekeken?
En de situaties in mijn persoonlijk leven van niet-meetellen, eruit-liggen, afwijzing ervaren enz.? Hoe verwerk ik die?

 
Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had en toen Hij hem aantrof, zei Hij: "Gelooft ge in de Mensenzoon?" Hij antwoordde: "Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven." Jezus zei hem: "Gij ziet Hem, het is Degene die met u spreekt." Toen zei hij: "Ik geloof, Heer. En hij wierp zich voor Hem neer."

Alleen wie in Jezus en in de verwerping iets van God ziet, is ziende.

Aan het eind mag het zijn zoals het was tussen de ziende geworden blindgeborene en Jezus: de totale overgave van het geloof. Me dan door Jezus naar de Vader laten leiden, naar Hem die woont in het ontoegankelijke licht. Een Onze Vader bidden.

De vragen van de reflexie dienen ervoor om te onderscheiden door wat voor geesten of lichten ik werd geleid:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Daar liet ik me leiden door dwaallichten.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Momenten dat ik iets in Jezus zag, dat ik in Hem geloofde.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Liet het gebed een blijvende verlichting in mij achter?