Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 1 | bij Jezus om naar Hem te luisteren. |
| 2 | zeiden: "Die man ontvangt zondaars en eet met hen." |
| 3 | |
| 11 | |
| 12 | Vader, geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb. En de vader verdeelde zijn vermogen onder hen. |
| 13 | en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven. |
| 14 | kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. |
| 15 | die hem het veld instuurde om varkens te hoeden. |
| 16 | met de schillen die de varkens aten, niemand gaf ze hem. |
| 17 | Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik verga hier van de honger. |
| 18 | Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; |
| 19 | maar neem mij aan als een van uw dagloners. |
| 20 | Zijn vader zag hem al in de verte aankomen en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. |
| 21 | Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten. |
| 22 | Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan. |
| 23 | laten we eten en feestvieren, |
| 24 | geworden, hij was verloren en is teruggevonden." Ze begonnen dus feest te vieren. |
| 25 | Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. |
| 26 | betekenen had. |
| 27 | en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen." |
| 28 | Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong |
| 29 | "Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. |
| 30 | die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten." |
| 31 | "Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou. |
| 32 | omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden." |
| Lucas 15,1-3.11-32 |
De goede gang van het gebed hangt grotendeels af van de inzet. De inzet van het gebed ligt niet bij de tekst en mijn gedachten erover, maar bij Hem. Anders loop ik de kans om met al mijn mooie gedachten toch om mijzelf te blijven heen draaien, zoals de oudste zoon met al zijn plichtsbetrachting toch in zijn eigen kringetje is gebleven, in de kring van zijn vrienden, geen notie hebbend van wat er omging in het hart van zijn vader. Daarom eerst de geest wat laten rusten bij Hem.
Bij de plaats van het gebed, een paar passen ervandaan, staande me onder Gods aanschijn plaatsen, zien hoe Hij mij ziet. Zoals de vader van de verloren zoon hem al in de verte zag aankomen en bij het zien door medelijden werd bewogen. Een gebaar maken van eerbied.
Dan het gebed ingaan door de houding van het gebed aan te nemen, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen, zodat ik erop kan letten hoe ik bewogen wórd. Op die inwendige leiding door de heilige Geest zal ik in mijn gebed afgaan. En ook in mijn leven. Dat vraag ik nu als een genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
De geschiedenis: Jezus ontvangt tollenaars en zondaars en eet met hen. Hij viert verzoeningsmaaltijden namens zijn hemelse Vader. Farizeeën en schriftgeleerden morden daarover. Om zijn gedrag uit te leggen, vertelt Jezus drie parabels: het verloren schaap, de verloren drachme, de verloren zoon. In de parabel van de verloren zoon wordt er ook een plaatsje ingeruimd voor de morrende kritici, nl. in de oudste zoon. Hoe de jongste en de oudste gereageerd hebben op de tegemoettredende behandeling van hun vader, vertelt de parabel niet. Want de geschiedenis gaat door in de toehoorders, in mij. Hoe ga ik om met het woord over Gods barmhartigheid? En hoe ga ik om met Jezus' verwijt van mijn zelfgenoegzaamheid?
De plaats: Een boerderij in Palestina, van een zekere afmeting met stallen en schuren, personeel en slaven. De arbeiders worden er goed betaald. De kinderen leiden er een goed, maar sober bestaan. De zonen zijn nog jong, want nog ongetrouwd. Palestina was toen betrekkelijk arm. Het jongste kind in het erfrecht onderbedeeld (eerstgeboorterecht). Dat was de reden, dat de jongere kinderen er dikwijls op uittrokken om in het buitenland (diaspora) hun geluk te beproeven.
Ik vraag om de bijzondere genade: om een innerlijke kennis van Christus mijn Heer, dat ik Hem niet alleen van de buitenkant mag kennen zoals de jongste zoon zijn vader kende als een rechtvaardige werkgever en zoals de oudste zoon zijn vader alleen maar oppervlakkig kende als een strenge meester, maar dat ik Hem ook van binnen mag kennen, in zijn goddelijk Hart, bewogen door gevoelens van medelijden met de zondaars.
"Een man had twee zonen. Nu zei
de jongste van hen tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van
het bezit waarop ik recht heb. En de vader verdeelde zijn
vermogen onder hen. Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles
bij elkaar en vertrok naar een ver land."
Dit veronderstelde geen breuk met zijn vader. Het is het rechtmatig gebruik maken van de vrijheid. Het is geen zonde om op eigen benen te willen staan. Daarvoor heeft God ons een vrije wil gegeven. Wel loopt Hij het risico dat wij misbruik maken van onze vrijheid. Maar liever groot risico dan geen vrijheid. Hoe maak ik gebruik van de vrijheid die God me schonk? Respecteer ik de vrijheid van anderen? Of heb ik de neiging anderen overmatig te beschermen tegen de feitelijke risico's van de vrijheid? Wil ik de inrichting van de schepping corrigeren? Maar ook is het mogelijk om de schouders van mensen (jongeren en nog niet uitgerijpte personen) te belasten met verantwoordelijkheid die ze nog niet kunnen dragen.
"Daar verkwistte hij zijn bezit
in een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een
verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te
lijden. Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden. En al had hij
graag zijn buik willen vullen met de schillen die de varkens
aten, niemand gaf ze hem."
De benen van de jonge man zijn te zwak om de weelde van de kersverse vrijheid te dragen. In plaats van aan de slag te gaan, begint hij een leven van losbandigheid en jaagt er in korte tijd zijn bezit doorheen. Eerst nu breekt hij met de zijnen. Want hij had het geld dat hij zomaar gekregen had, vrucht moeten laten dragen. De verkwisting geschiedt op een voor de Joden bijzonder hatelijke manier: door een leven van ontucht met slechte vrouwen (15,30). Een ernstige vorm van verloochening van de morele en religieuze tradities van Israël. Alles keert zich nu tegen hem: zijn vrienden bleken geen vrienden van hem, maar van zijn portemonnaie te zijn. Hongersnood. In dienst bij een der inwoners van het land, dus als een werknemer bij een heiden (iemand die geen rekening houdt met de joodse levenswijze van sabbat en kosher vlees). En bijzonder hatelijk voor een jood: hij moest zwijnen hoeden, onreine beesten. Ja, hij was nog minder dan de zwijnen, want maar al te graag had hij zijn lege maag willen vullen met de schillen die de varkens aten. Met andere woorden: hij was nog minder dan de varkens. Dat is het beeld van de gevolgen van de zonde: nog onder de beesten!
"Toen kwam hij tot nadenken en
zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed en
ik verga hier van de honger. Ik ga weer naar mijn vader..."
"Tot nadenken." Eigenlijk staat er: "toen kwam hij tot zichzelf." Hij die zichzelf gezocht had, had zichzelf toch niet gevonden. Op zijn weg naar binnen toe, komt hij weer zijn vader tegen. Eigenlijk niet zijn vader als vader, maar meer als rechtvaardige werkgever die zijn dagloners eten geeft in overvloed. De jongeman is nog niet van zijn zelfzucht af, want hij heeft eigenlijk alleen maar oog voor "het eten in overvloed" en dus voor zijn eigen buik. Wat er in het hart van de vader moet zijn omgegaan, komt niet bij hem op.
"en ik zal hem zeggen: Vader, ik
heb misdaan tegen de hemel en tegen u"
Tegen de hemel? Hoe kan dat nu? Als wij verkeerd doen, misdoen we tegen de naaste of tegen onszelf. Hoe kunnen we daarmee ingaan tegen God, tegen de hemel? Dat kan, omdat God niet ver weg is, maar dichtbij, nog dichter bij ons dan wij bij elkaar zijn, ja "nog dichter bij ons dan wij bij onszelf zijn" (Augustinus). Zonde richt zich altijd eerst tegen Degene die het dichtste bij ons is, onze Schepper en Heer. Iets is dus niet zonde, wanneer mensen het verkeerd vinden. Soms vinden de mensen het goede verkeerd en het verkeerde goed.
"Hij ging dus op weg naar zijn
vader. Zijn vader zag hem al in de verte aan komen en hij werd
door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de
hals en kuste hem hartelijk."
Hier draait het verhaal als om een as. De vader neemt het initiatief over en blijft nu tot aan het einde het heft in handen houden. Hij zag zijn zoon al in de verte aankomen. Wellicht had de zoon zijn terugkomst al gemeld en was de vader rond de tijd van zijn terugkeer op de uitkijk gaan staan. Hoe het ook zij, in elk geval heeft de vader zijn zoon nooit uit het oog verloren. Zijn wij ver van God, God is daarom nog niet ver van ons. Ja, deze vergelijkingen leren ons, dat het hart van God meer in het bijzonder uitgaat naar de verloren schapen, de verloren kinderen. Het is goed om dit besef in het gebed te verlevendigen door me na een verstrooiing voor te houden: in de tijd dat ik verstrooid was, was Hij het niet. "Zijn vader zag hem... door medelijden bewogen, snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk": de miserie van zijn zoon daalde door zijn ogen neer in zijn vaderhart en bracht daar een hevige beweging van medelijden teweeg. Deze beweging van medelijden wordt vanuit het hart overgedragen op het hele lichaam, en doet hem op een drafje zijn zoon tegemoet snellen om tenslotte rust en uiteindelijk volledige ontplooiing te vinden in omhelzing en kussen op de wang, dat wil zeggen een gebaar van volledige gelijkstelling en verzoening.
Heb ik me ooit wel eens na een zonde zo door Jezus laten omhelzen?
"Maar de zoon zei tot hem: Vader,
ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard
uw zoon te heten. Doch de vader gelastte zijn knechten: Haalt
vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring
aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan. Haalt het gemeste kalf
en slacht het; laten we eten en feestvieren, want deze zoon van
mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is
teruggevonden."
De zoon krijgt geen gelegenheid zijn schuldbelijdenis af te maken. De vader gaat er met geen woord op in. Hij wendt zich nu tot zijn slaven en geeft hun een aantal opdrachten om de zoon nu ook uiterlijk te tooien met de tekenen van de herwonnen waardigheid als kind des huizes: "het mooiste kleed" uit de verzameling feestgewaden die iedere joodse vader erop na hield om er huisgenoten en gasten bij de feestelijke gelegenheden van het jaar mee te tooien. Het allermooiste was nu voor hem. Een ring aan zijn vingers, versierd wellicht met het wapen van het huis en dus symbool van de volle macht; sandalen aan de voeten als het teken van de vrije man, om hem juist te onderscheiden ten opzichte van de dagloners in wier gezelschap de verloren zoon zich wilde laten opnemen en die op blote voeten rondliepen. En als feestelijke afronding: het kalf, bewaard voor het grootste feest van het jaar, moest worden geslacht. Zoals honger, slavendienst bij, ja nog onder de onreine varkens dienden om de aftakeling uit te beelden, waarmee de zonde gepaard gaat, zo functioneren nu feestgewaad, ring, sandalen en gemeste kalf om de volledige verzoening aanschouwelijk te maken. De reden voor deze uitbundige blijdschap wordt weergegeven in twee parallelle tegenstellingen: dood - levend geworden; verloren - teruggevonden. De vader is zó blij, dat hij zich wel haast in absolute tegenstellingen moet uiten. Het is dezelfde tegenstelling die Paulus gebruikt om de verandering te beschrijven die Christus teweegbrengt in elke christen: "Maar God die rijk is aan erbarming, heeft om de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons die dood waren in onze afdwalingen, met Christus levend gemaakt" (Ef 2,4-5). Ieder van ons kan dus zeggen: ik was dood en ik ben weer levend gemaakt.
"Ze begonnen dus feest te vieren.
Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter
terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij
riep één van de knechten en vroeg wat dat te betekenen had.
Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het
gemeste kalf laten slachten omdat hij hem gezond en wel heeft
teruggekregen. Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen."
Hier begint de tweede pointe van de parabel. Van het land
komende tegen het invallende duister zal deze zoon eerst
opvallend veel licht ontwaard hebben en een meer dan normale
bedrijvigheid rond de stallen. Dichterbij komende hoorde hij ook
nog muziek en dans. Hij schiet één van de knechten aan en
vraagt hem wat er te doen is. Deze doet een objectief verslag van de
feiten zoals een buitenstaander die kon waarnemen. Dus een heel
ander verslag dan de vader van het gebeurde gaf: "gezond en wel
terug" tegenover: "was dood en is weer levend geworden."
Deze mededeling valt verkeerd en hij uit dat door buiten te
blijven. Hij wil zich niet overgeven aan de barmhartigheid van de
vader. Dat wilde er bij hem niet in. Dat is wat
niet-christenen overkomt wanneer zij een kerk passeren waar het
geheim van Gods barmhartigheid gevierd wordt: door de
glas-in-loodramen dringt zacht licht naar buiten en hoort men
muziek en zang. Wordt de wereld daar nu beter van, mompelt de
ongelovige met de oudste zoon mee? En welt er bij mij zelf ook
nooit ongeduld op met Gods eindeloze geduld?
"Toen zijn vader naar buiten kwam
en bij hem aandrong, gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel
jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt
gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest
te vieren. En nu die zoon van u is gekomen die uw vermogen heeft
verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf
laten slachten."
Een kerngezonde redenering: de een heeft er alles doorgejaagd en men viert feest; de ander heeft gezwoegd als een slaaf en beging nooit de geringste overtreding en voor hem kon er niet eens een bokje af, terwijl voor de zondaar het gemeste kalf wordt geslacht! De oudste is zo boos, dat het woord 'broer' hem nog niet over de lippen komt. Hij spreekt over "die zoon van u". En zíjn "vrienden" laat hij heel fijntjes contrasteren met de "slechte vrouwen" van zijn broer. Hij kan en wil er niet in komen. Niet in het huis, niet in het hart van de vader. Hij leefde trouwens tevoren al in het huis van zijn vader een eigen leven, zonder deelname aan het hart van de vader: bekommerd om zijn dienstjaren, zijn werk, zijn vrienden. Een ego-centrisch leven. Wel braaf. Maar dat kan ook zijn zelfgenoegzaamheid versterkt hebben. Zoals bij de adressaten van de parabel, schriftgeleerden en Farizeeën en alle brave mensen. De vader is al weer zo goed om naar buiten te komen om zijn zoon te overreden zich neer te leggen bij zijn barmhartige gezindheid. Is dat niet Jezus? Is Jezus niet de hemelse Vader zelf die naar buiten trad om zijn barmhartige gezindheid jegens ons te openbaren?
"Toen antwoordde de vader:
Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook
van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer
van je dood was en levend is geworden, verloren was en
teruggevonden."
De vader legt zijn hele antwoord al in dat ene woordje:
"Jongen", letterlijk: "Kind". Deze zoon wilde zijn vader niet met
"vader" aanspreken. Dat deed de jongste zoon nog wel, zowel voor
zijn heengaan (15,12) als bij zijn terugkeer (15,18 en 21). De
oudste wil zijn broer niet meer als broer aannemen ("die zoon van
u", 15,30); de vader zijn ontrouw geworden kinderen wel als kind.
Ook dit kind. Ook de Farizeeën en schriftgeleerden dus die immers
in dit kind model staan. Door zijn verklarend woord aan het adres
van de oudste herrinert Jezus hen en mij aan onze grootste
waardigheid: kind te zijn van de Vader in de hemel in Wiens
goddelijke leven wij mogen delen: "jij bent altijd bij me en
alles van mij is ook van jou." Wat koop ik daarvoor, bromt de
oudste misschien! En dat bokje dan om eens met mijn vrienden
feest te vieren? Dat kon er dan toch niet vanaf! Wie als zoon des
huizes zo denkt en spreekt, bewijst nog niet te zijn
doorgedrongen in zijn hoogste waardigheid en nog te zijn blijven
steken in wat hij verwijt aan zijn jongere broer. Juist zoals
voor zijn broer was het leven in het huis van zijn vader ook voor
hem een drukkende last. De dienst in het vaderhuis was hem een
obstakel voor zijn onderdrukte, verborgen verlangens naar precies
zo'n leventje als zijn jongere broer buitenshuis heeft kunnen
leiden. Midden in het vaderlijke huis was ook hij een verloren
zoon voor wie het onderhouden van het vaderlijke gebod een
vreugdeloze last was. Eigenlijk was hij net zo vervreemd van zijn
vader als de jongste. Vergaat het zo ook niet vele gelovigen die
van jongsaf aan zijn opgegroeid in het geloof? Beseffen zij
eigenlijk wel de onbeschrijflijke rijkdommen van hun geloof? Dat
zij God zelf rijk zijn! Een schat in de hemel al hier op aarde!
Een schat waarbij alle aardse schatten in glans verbleken,
waarbij alle dienstjaren en alle ontberingen voor niets te tellen
zijn: "ik beschouw alles als verlies vergeleken bij de
allesovertreffende kennis van Christus Jezus, mijn Heer" (Fil
3,8). Jongere broer en oudere, jongere generatie en oudere, ze
lijden aan dezelfde bekoring: om zich aan het innerlijke leven
met de Vader te onttrekken door zich te concentreren op zichzelf,
de een in bandeloze vrijheid, de ander in een streng,
gereglementeerd leven, met het hart bij lust en last, in hebben
of begeren te hebben, maar niet bij de Vader die van zijn kant
wel altijd helemaal bij ons is: "Alles van mij is ook van jou."
Heeft de vader zijn zoon kunnen overtuigen? De parabel laat het
open. Want ik ben degene tot wie de parabel zich richt. De vraag
is: kan Jezus mij overtuigen?
Mochten tijdens de overweging de gedachten nu en dan de overhand hebben gekregen boven het directe gesprek, dan is het aan het eind van het gebed zaak terug te keren tot het onmiddellijke contact. Gesprekjes met Jezus in de stijl van dit evangelie: direct, eerbiedig en met genegenheid. Dan naar de Vader van Jezus namens Wie Jezus spreekt en handelt. Op de manier van de personen in deze parabel spreken met de Vader: "Vader", "Kind, jij bent bij me en alles van mij is ook van jou." Een Onze Vader.
In de reflexie of terugblik kan ik nagaan waar ik in
mijn leven nog over mij zelf ben heengebogen én waar Jezus al vat
op mij kreeg:
