Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 1 | een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp van Maria en haar zuster Marta. |
| 2 | met geurige olie had gezalfd en zijn voeten met haar haren had afgedroogd. De zieke Lazarus was haar broer. |
| 3 | "Heer, hij die Gij liefhebt, is ziek." |
| 4 | "Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden." |
| 5 | |
| 6 | bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse, |
| 7 | "Laat ons weer naar Judea gaan." |
| 17 | dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. |
| 20 | ging zij Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis. |
| 21 | "Heer, als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. |
| 22 | dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven." |
| 23 | "Uw broer zal verrijzen." |
| 24 | "Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag." |
| 25 | "Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, |
| 26 | zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?" |
| 27 | "Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt." |
| 33 | en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd |
| 34 | "Waar hebt gij hem neergelegd?" Zij zeiden Hem: "Kom en zie, Heer." |
| 35 | |
| 36 | "Zie eens hoe Hij van hem hield." |
| 37 | "Kon Hij, die de ogen van een blinde opende, ook niet maken dat deze niet stierf?" |
| 38 | overviel Jezus opnieuw een huivering. Het was een rotsgraf en er lag een steen voor. |
| 39 | "Neemt de steen weg." Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem: "Hij riekt al, want het is reeds de vierde dag." |
| 40 | "Zei Ik u niet, dat als gij gelooft ge Gods heerlijkheid zult zien?" |
| 41 | Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak: "Vader, ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. |
| 42 | maar omwille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt." |
| 43 | "Lazarus, kom naar buiten!" |
| 44 | voeten en handen met zwachtels gebonden en met een zweetdoek om zijn gezicht. Jezus beval hun: "Maakt hem los en laat hem gaan." |
| 45 | en zagen wat Hij gedaan had, geloofden in Hem. |
| Johannes 11, 1-7.17.20-27.33-45 |
Beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Afdalen in die diepte in mezelf waar ik mijn leven ontvang uit zijn hand. Voorbij en los van andere levensbronnen: eten, werk, contact, nieuws enz.
Aangekomen op de plaats van het gebed, een paar passen vóór die plaats staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zoals Jezus doet voor het graf van Lazarus. Ik maak een gebaar van aanbidding, ik maak me klein voor Hem.
Ik neem de houding aan van het gebed, knielen, zitten of (als ik op mijn kamer ben) eventueel liggend, al naargelang ik vermoed Hem het beste te kunnen vinden; maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen, vrij voor Hem, hoe Hij zich innerlijk in mij beweegt. Leven is zelf-beweging. Hoe merk ik, dat God leeft? Wanneer ik merk, dat Hij zich in mij beweegt. Om dat te kunnen merken is het nodig, dat ik zelf niet tezeer beweeg.
Vóór ik verder ga, eerst vragen om de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit: "om Gods glorie, opdat de Zoon Gods erdoor verheerlijkt moge worden."
Ik haal mij de geschiedenis voor de geest: het lijkt of Jezus zijn vrienden in de steek laat. Elke nood moet echter gezien worden als iets waaraan Hij iets gaat doen. Daarom mag er nooit gewanhoopt worden.
De plaats: het graf in de rots uitgehouwen, met een zware steen ervoor. Menselijkerwijze gesproken het definitieve einde. Ik zie ook de vastgelopen situaties om mij heen en in mijzelf. Voordat ik het geheim dieper binnenga, vraag ik Hem om de bijzondere genade, dat ik Jezus Christus mag leren kennen als "de verrijzenis en het leven".
Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië,
het dorp van Maria en haar zuster Marta. Maria was de vrouw die
de Heer met geurige olie had gezalfd en zijn voeten met haar
haren had afgedroogd. De zieke Lazarus was haar broer.
Het liefdesgebaar van Maria is de omlijsting van het opwekkingsverhaal: aan het begin vermeld en na dit hoofdstuk verteld. Zo komt de opwekking te staan in de balsemgeur van de liefde waartegen de stank van de dood niet is opgewassen.
De zusters van Lazarus stuurden Jezus de boodschap:
Heer, hij die Gij liefhebt, is ziek. Toen Jezus dit hoorde, zei
Hij: "Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie,
opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden." Jezus hield
veel van Marta, haar zuster en Lazarus. Toen Hij dan ook hoorde
dat Lazarus ziek was, bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter
plaatse, maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen: "Laat ons weer
naar Judea gaan."
Lazarus betekent: God helpt. Hier is God. Ze vragen Hem of Hij de naam van Lazarus wil waarmaken en Hij doet niets?! Hij bleef twee dagen wachten, wachten tot het te laat is: "Bij zijn aankomst bevond Jezus dat hij al vier dagen in het graf lag." Dat Jezus Lazarus en ons allemaal laat sterven, openbaart hoezeer zijn levengevende kracht verheven is boven ons levend of dood zijn. Jezus wil niet zozeer ons aardse leven of onze aardse dood, maar dat wij leven door Hem, door in Hem te geloven.
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was, ging zij
Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis. Marta zei tot Jezus:
"Heer, als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven
zijn. Maar zelfs nu weet ik dat wat Gij ook aan God vraagt, God
het U zal geven." Jezus zei tot haar: "Uw broer zal verrijzen."
Marta antwoordde: "Ik weet dat hij zal verrijzen bij de
verrijzenis op de laatste dag." Jezus zei haar: "Ik ben de
verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al
is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in
eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?" Zij zei tot Hem: "Ja,
Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die
in de wereld komt."
In Jezus kom je pas echt tot leven. Je kunt van Hem leven. In Hem leef je pas echt. Gebed kan saai en levenloos lijken; toch is er, als je echt bij Hem bent, daarin meer leven dan in het meest bruisende leven zonder Hem. Zonder Hem, zonder wortels in de Grond van het bestaan ben je levend dood. En van die dood wil Jezus ons redden. Niet van die andere dood waaraan ons leven vanwege de zonde blijft gewijd. Bidden is eigenlijk niets anders dan de dood in je midden halen. Maar midden in de dood zijn wij in het leven. Nu gaan wij zien hoe Jezus het nieuwe leven maakt.
Toen Jezus Maria zag wenen, en eveneens de Joden die
met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep
ontroerd sprak Jezus: "Waar hebt gij hem neergelegd?" Zij zeiden
Hem: "Kom en zie, Heer." Jezus begon te wenen, zodat de Joden
zeiden: "Zie eens hoe Hij van hem hield." Maar sommigen onder hen
zeiden: "Kon Hij, die de ogen van een blinde opende, ook niet
maken dat deze niet stierf?" Bij het graf gekomen overviel Jezus
opnieuw een huivering.
Jezus is de vriend die met ons begaan is. Ons aardse leven en onze dood laten Hem niet onberoerd. Jezus wordt aangedaan. Lijden en dood doen Hem wat. Hij is geen super-mens, verheven boven lijden en dood: "Hij heeft onze zwakheden weggenomen en onze ziekten heeft Hij gedragen" (8,17). Hij neemt ze weg door ze zelf te dragen: "Omdat Hij zelf de proef van het lijden doorstaan heeft, kan Hij allen helpen die beproefd worden" (Hebr 2,18); "In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en geween gebeden en smekingen opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden" (Hebr 4,7); "Wij hebben geen hogepriester die niet in staat is mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde" (Hebr 4,15).
Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak: "Vader, ik
dank U dat Gij Mij verhoord hebt. Ik wist wel, dat Gij Mij altijd
verhoort, maar omwille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd,
opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt."
Niet eigenmachtig doet Jezus het wonder, maar uit de kracht van zijn Vader. Zoals Hij van zichzelf gezegd heeft: "Voorwaar, Ik zeg u: de Zoon kan niets uit zichzelf, maar alleen datgene wat Hij de Vader ziet doen. En alles wat deze doet, doet de Zoon insgelijks... Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil" (Joh 5,19-21). Onze plaats is de plaats van de Zoon. Mens-zijn is zoon-zijn. Niet eigenmachtig, maar alles vragen.
Na deze woorden riep Hij met luide stem: "Lazarus, kom
naar buiten!"
Jezus' stem is luid van inspiratie en geladen met Gods kracht. In zijn stem ligt de kracht van de Schepper:
"Hij heeft de hemel gemaakt door zijn woord,
zijn stem schiep de hemelse machten"...
"Hij sprak slechts een woord en alles ontstond,
Hij gaf zijn bevel en het kwam te voorschijn" (Psalm 33,6 en 9).
Aan het einde gesprekjes voeren zoals in het evangelie: met Marta, met Maria, met Jezus en met de Vader. Een Onze Vader bidden.
Tot onderscheiding komen door de vragen van de reflexie te
beantwoorden: