Vrijdag in het Paasoctaaf
Eerste lezing: Handelingen 4,1-12
Evangelie: Johannes 21,1-14


Inleiding    

'Eduxit eos Dominus in spe.' 'De Heer heeft zijn volk in veiligheid uitgeleide gedaan', weggevoerd uit de slavernij van de farao. Waar heeft Hij zijn volk naar toe gebracht? Naar het Beloofde Land! Heeft Hij dat gedaan om hun eigen wil te laten doen? Nee, om Jahweh te dienen. Ze gingen dus over van faraodienst naar Jahwehdienst. Wat is dat voor een ruil? De ene is een slavendienst en de andere is een herendienst, een dienst aan de Heer. De ene is een dienst in onvrijheid, de andere is een dienst in vrijheid en in liefde. Het is de Heer zelf die wij dienen én die ons bedient, dat is het verschil. Wij dienen een Heer die Zichzelf opstelt als een dienaar. "Hij is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Mt 20,28; vgl. Mc 10,45).
Dat is wat wij hier vieren. Hij geeft Zichzelf, Hij omgordt Zichzelf en gaat de rij langs om ons te bedienen met Zichzelf.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd verscheen Jezus opnieuw aan de leerlingen
bij het meer van Tiberias.
De verschijning verliep als volgt:
Er waren bijeen:
Simon Petrus, Thomas die ook Didymus genoemd wordt,
Natanaël uit Kana in Galilea,
de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen.
Simon Petrus zei tot hen:
“Ik ga vissen.”
Zij antwoordden:
“Dan gaan wij mee.”
Zij gingen dus op weg en klommen in de boot,
maar ze vingen die nacht niets.
Toen het reeds morgen begon te worden
stond Jezus aan het strand,
maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was.
Jezus sprak hen aan:
“Vrienden, hebben jullie soms wat vis?”
“Nee,” zeiden ze.
Toen beval Hij hun:
“Werpt het net uit rechts van de boot,
daar zult ge iets vangen.”
Nadat ze dit gedaan hadden,
waren ze niet meer bij machte het net op te halen
vanwege de grote hoeveelheid vis.
Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus:
“Het is de Heer!”
Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was,
trok hij zijn bovenkleed aan
- want hij droeg slechts een onderkleed -
en sprong in het meer.
De andere leerlingen kwamen met de boot,
want zij waren niet ver uit de kust,
slechts ongeveer tweehonderd el,
en sleepten het net met de vissen achter zich aan.
Toen zij aan land waren gestapt,
zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd
met vis erop en brood.
Jezus sprak tot hen:
“Haalt wat van de vis, die gij juist gevangen hebt.”
Simon Petrus ging weer aan boord en sleepte het net aan land.
Het was vol grote vissen, honderddrieënvijftig stuks,
en ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet.
Jezus zei hun:
“Komt ontbijten.”
Wetend dat het de Heer was,
durfde geen van de leerlingen Hem vragen:
“Wie zijt Gij?”
Jezus trad dichterbij,
nam het brood en gaf het hun,
en zo ook de vis.
Dit nu was de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen
sinds Hij uit de doden was opgestaan.

Homilie    

“Er waren bijeen: Simon Petrus, Thomas, Natanaël, de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen. Simon Petrus zei tot hen: Ik ga vissen en zij antwoordden: Dan gaan wij mee. Ze gingen dus op weg en klommen in de boot, maar ze vingen die nacht niets."
Wat moeten wij daar nu toch mee? Al die details, al die bijzonderheden, al die namen van gewone mensen, wat ze tegen elkaar hebben gezegd en dat ze in de boot klommen. Moeten wij tweeduizend jaar later daar nog notitie van nemen? Moet ons dat nog steeds verkondigd worden? Hebben we echt niets anders aan ons hoofd? Moet dat nu nog aan miljoenen mensen worden voorgehouden? We begrijpen natuurlijk wel dat voor díe mensen visvangst heel belangrijk was, dat het meer voor hun van belang was, zo ook hun bezigheden en het onder elkaar zijn. Maar wat heeft dat ons te zeggen?

Toch kan dit evangelie ons juist daarom veel zeggen over wie God is. Wat voor ons al gauw een effect van vervreemding kan hebben, die concreetheid, dat ingaan op details van deze mensen in hun beroepsbezigheden, dat kan ons juist heel veel zeggen wie ónze eigenlijk God is. Onze God is een God van mensen, van mensen in hun eigen concrete setting van 'huisje-boompje-beestje'. Wij doen daar een beetje verachtelijk over, zo'n leven willen wij niet leiden. Maar God wil juist voor zulke gewone mensen in hun gewone bestaan, God zijn. Nog voordat Hij Zich Jahweh liet noemen, was Hij de God die niet anders kon worden aangeduid als "de God van onze vaderen, de God van Abraham, van Isaäk, van Jakob" (Ex 3,11; vgl Hnd 3,13)). God werkt kleinschalig. Dat doet Hij nog steeds. Voordat Hij de God is van ons volk, voordat Hij de God is van hemel en aarde, is Hij eerst de God van je vader en moeder, van je ouders. Zo gaat Hij ook te werk. God werkt niet in het algemeen, in grote structuren, ja, ook wel, maar altijd via het menselijk hart, op de schaal van het kleinste in de kleine mens, op de schaal van het gewone menszijn.

God werkt niet grootschalig, maar kleinschalig. Hij werkt met een klein volkje, het kleinste volkje, zeiden ze achteraf, ingeklemd als het lag tussen de grootmachten, de Egyptenaren aan de ene kant, de Babyloniërs en de Assyriërs aan de andere kant. Israël, een dreumes tussen die grootmachten van die tijd. Het was een slavenvolkje, het was niet eens vrij. "Ik heb het schreien van mijn volk in Egypte gehoord" (Ex 3,7), Ik heb zijn onderdrukking gezien en Ik ga er iets aan doen. Daarop volgde de doortocht door de Rode Zee. 'Eduxit eos Dominus.' Hij heeft hen weggevoerd, onze Heer heeft Zich dat volk aangetrokken met telkens weer dat verrassingseffect: Hij. Iedere keer als het volk in nood is, ís Hij er, elke keer weer, hun hele geschiedenis door.

De geschiedschrijving heeft zelf ook een geschiedenis, een wordingsgeschiedenis. Hoe is die geschiedschrijving begonnen? Wanneer begonnen mensen het de moeite waard te vinden hun belevenissen vast te leggen voor het nageslacht? Dat is begonnen bij de Joden. Geschiedenis wordt pas geschreven vanaf het moment dat God Zich inliet met gewone mensen. Tot dan toe had je geen geschiedschrijvers, maar kroniekschrijvers. De gebaren, de woorden, van hetgeen alleen de koning en de generaals hadden gedaan, werden door hofschrijvers bijeengeraapt en opgeschreven. De vorsten der volkeren lieten zich weldoeners noemen. Dat stond zelfs op de Romeinse munten: 'Julius Caesar, benefactor populi'. Volgens Jezus laten "hun machthebbers zich weldoeners noemen" (Lc 22,25), maar het volk kwam er niet aan te pas. Geschiedenis werd pas geschreven als God Zich inlaat met de mensen; zij vinden hun eigen geschiedenis pas de moeite waard vanaf het moment dat God hén de moeite waard vindt.

In het evangelie gedraagt die vreemdeling aan het strand zich precies zoals zij van hun God gewend waren. "De leerling van wie Jezus veel hield zei tot Petrus: Het is de Heer!"  Waaraan herkende die leerling nu de Heer? Aan zijn uiterlijk? Aan zijn kleding, aan zijn accent? Nee, want dan hadden die anderen Hem ook wel herkend. Dat deze leerling wist dat die vreemdeling Jezus, de Heer, was, herkende hij aan zijn manier van doen, aan zijn optreden, door de diepste wensen van hun vissershart te raden én overvloedig te vervullen. God is een God van verrassingen, van attenties, van liefdevolle attenties. En elke keer als hen zoiets overkwam, wisten ze: Het is de Heer. Daar heb je Hem weer.

Dat geldt hetzelfde voor Jezus' verrijzenis. De verrijzenis is, dat Jezus Zich terugtrekt achter de coulissen van de mensengeschiedenis, om van daaruit, zoals Jezus hier aan de oever van het meer, te voorschijn te treden met zijn surprises, met zijn verrassingen, zijn attenties. Heel persoonlijk. Alleen Hij kan dat weten; Hij is heel nabij en tegelijkertijd op afstand.
Die twee zijn eigen aan onze God: nabij én heel ver weg. Hij is onze God, mijn God, de God van mijn hart. God is Heer van hemel en aarde, Hij is een familiegod, vertrouwelijk, heel nabij én toch ook ver weg. Van heel ver weg komt Hij ons heel nabij. "Wetend dat het de Heer was durfde geen van zijn leerlingen Hem te vragen: Wie zijt Gij?”

“Jezus trad dichterbij, nam het brood en gaf het hun."
Precies zoals Hij hier ook verschijnt: heel eenvoudig met de tekenen van brood en wijn, heel nabij, maar als een afbeelding van de hemelse liturgie: "Waardig is het Lam dat geslacht werd. Aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht" (Apk 5,12.13). Eer aan de eerloze.

Dit is een beeld van de eigen geschiedenis. Het bloed van het eerste Paaslam op hun deurposten gestreken, liet de toorn van de engel van de Heer aan hun deuren voorbijgaan (Ex 12,1-14). Onze God is een genadige God, een verzoenende God, een barmhartige God voor mensen van niets, voor vissers die een nacht lang niets hebben gevangen. Het is ergens een korte samenvatting van heel het menszijn, een mislukking, zinloos, uitlopend op niets. Want als Jezus hun vraagt naar wat vis, naar iets voor bij de boterham, moeten ze zeggen: "Nee", we hebben niets, we hebben zelfs dát beetje niet. Wat een vernedering.
Maar dat is nu net iets voor onze God. Hij is een God voor mensen van niets. Voor de eerlozen, voor de vernederden, die de vernederingen van het menselijk bestaan hebben aangenomen, om van Hem de verheffing te ontvangen.