Vrijdag in het Paasoctaaf
Eerste lezing: Handelingen 4,1-12 [I 170]
Evangelie: Johannes 21,1-14 [I 171]


Inleiding  

'Eduxit, Hij heeft de uittocht geleid.' Hij is hen voorgegaan in de uittocht. De Heer heeft zijn volk uitgeleide gedaan, met hoop, reikhalzend naar een nieuwe toekomst, naar het Beloofde Land. Dat heeft Hij eens gedaan met de Joden, dat was een beeld van wat Hij opnieuw heeft gedaan met Pasen. Sindsdien houdt Hij daar niet mee op zolang er nog mensen zijn die gevangen zitten in de slavernij van het 'ik'. Hij gaat vóór om je daaruit te bevrijden, een nieuwe uittocht. Dat doet Hij in iedere eucharistie. Hij heeft het gedaan en Hij blijft het doen. Het beslissende begin is gemaakt en daarvan is de eucharistie het sacrament, het genadegevend teken.
Belijden wij dan eerst onze schuld aan de sporen van zelfzucht, aan slavernij van ons eigen ik, om deze heilige Geheimen waarin God ons gaat bevrijden, goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd verscheen Jezus opnieuw aan de leerlingen
bij het meer van Tiberias.
De verschijning verliep als volgt:
Er waren bijeen: Simon Petrus,
Thomas die ook Didymus genoemd wordt,
Natanaël uit Kana in Galilea,
de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen.
Simon Petrus zei tot hen:
“Ik ga vissen.”
Zij antwoordden:
“Dan gaan wij mee.”
Zij gingen dus op weg en klommen in de boot,
maar ze vingen die nacht niets.
Toen het reeds morgen begon te worden, stond Jezus aan het strand,
maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was.
Jezus sprak hen aan: “Vrienden, hebben jullie soms wat vis?”
“Neen,” zeiden ze.
Toen beval Hij hun:
“Werpt het net uit rechts van de boot, daar zult ge iets vangen.”
Nadat ze dit gedaan hadden, waren ze niet meer bij machte
het net op te halen vanwege de grote hoeveelheid vis.
Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus:
“Het is de Heer!”
Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was,
trok hij zijn bovenkleed aan - want hij droeg slechts een onderkleed -
en sprong in het meer.
De andere leerlingen kwamen met de boot,
want zij waren niet ver uit de kust,
slechts ongeveer tweehonderd el,
en sleepten het net met de vissen achter zich aan.
Toen zij aan land waren gestapt,
zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd
met vis erop en brood.
Jezus sprak tot hen:
“Haalt wat van de vis, die gij juist gevangen hebt.”
Simon Petrus ging weer aan boord en sleepte het net aan land.
Het was vol grote vissen, honderddrieënvijftig stuks,
en ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet.
Jezus zei hun: “Komt ontbijten.”
Wetend dat het de Heer was,
durfde geen van de leerlingen Hem vragen: “Wie zijt Gij?”
Jezus trad dichterbij, nam het brood en gaf het hun, en zo ook de vis.
Dit nu was de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen
sinds Hij uit de doden was opgestaan.

Homilie  

Ik weet niet hoe het u vergaan is toen u dit evangelie hoorde voorlezen. “Er waren bijeen:  Simon Petrus, Thomas, Natanaël, de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen. Simon Petrus zei tot hen: ik ga vissen en ze antwoordden: Dan gaan wij mee. Ze gingen dus op weg en klommen in de boot maar ze vingen die nacht niets." De eerste reactie kan zijn: wat moeten wij daar nu mee? Al die details, al die bijzonderheden: hoe ze heetten, wat ze tegen elkaar zeiden, dat ze in de boot klommen, en dat er later iemand zei: "Het is de Heer", waarop Petrus in het water sprong. Moeten wij dat nu na tweeduizend jaar nog horen? Moet zoiets per se worden voorgelezen in de hele wereld? We hebben toch echt wel wat anders aan ons hoofd. Natuurlijk was voor die mensen vissen heel belangrijk, dat was hun levenstaak. Ze waren er van vader op zoon mee vergroeid, met het water, het strand, het weer met zijn wisselvalligheden, de vangst met zijn vreugde en verdriet. Heel hun gevoelswereld was ermee verbonden. Maar wat voor hen alles betekende, hoeft voor ons niet zoveel te betekenen? Als je nooit hebt gevist of je hebt misschien zelfs watervrees, wat zegt je dan zo'n evangelie?

Toch kan dit evangelie juist daarom ons zoveel te zeggen hebben over wie God is. Als wij er door de verregaande concrete beschrijving van de details op het eerste gezicht niets mee te maken lijken hebben, kunnen we er juist daarom zo veel mee doen. Voor ons kan het een effect van vervreemding hebben, deze concreetheid en dit ingaan op details, maar voor deze mensen in hun beroepsbezigheid heeft dat nu juist zijn bijzondere charme. God werkt niet in het algemeen, Hij werkt niet met grote structuren, Hij werkt in het klein. Hij werkt op de schaal van het gewone menszijn. God werkt niet grootschalig, Hij werkt kleinschalig.

Hij is begonnen met het kleinste van alle volkeren, een dreumes tussen de nabuurvolken, Babyloniërs, Egyptenaren, Assyriërs. Dat waren grootmachten en daartussen was het volk Israël maar een heel klein volkje, nog wel een slavenvolk. Maar van het wel en wee van dat slavenvolk zegt de Schrift, zegt God: "Ik heb het schreien van mijn volk in Egypte gehoord" (Ex 3,7). Ik heb zijn onderdrukking gezien en Ik ga er wat aan doen. Zo is het gebleven. Mensen, die in hun kleinheid aan de grens van hun wezen stonden, van hun leven, van hun machteloosheid, bemerkten ineens dat er Iemand was aan de andere kant van de grens, die Zich met hen inliet, die hun naam kende en hen bij hun naam noemde: Mozes, Abraham, Zacheüs, Maria, Jezus.

Gewone namen van gewone mensen staan hier dan ook: Simon Petrus, Thomas, Didymus genaamd, Natanaël. Voor die mensen in die tijd klonken die namen zoals namen in onze tijd de namen Piet, Jan, Kees, klinken. Gewone namen, gewone mensen, daar ziet Hij iets in. Hij laat Zich in met het leven van gewone mensen. Weet u dat er geen geschiedschrijving bestond buiten de geschiedschrijving Israël? In Israël is de geschiedschrijving begonnen. Je had kronieken, de Assyriërs hadden kronieken en de Egyptenaren hadden kronieken en waar bestonden die uit? Uit wat de koning deed en dan alleen zijn successen en overwinningen. Hoeveel vijanden hij had verslagen. En de rest? Daar interesseerden de mensen zich niet voor. Ze interesseerden zich zelfs niet voor hun eigen leven en niet voor het leven van hun buren. Dat vonden ze niet de moeite waard om op te tekenen.

De mens zonder God is niets. Alleen God maakt de mens de moeite waard, de moeite waard om zich te herinneren, de moeite waard om op te merken en opgemerkt te worden. Maar niet alleen wat hij met God meemaakt is de moeite waard, niet alleen wat God doet, maar ook dat waardoor er licht komt te vallen op het menselijke leven zelf, ook zonder God.
Dat is nu eigenlijk de verrijzenis. Dat Jezus Zich terugtrekt achter de coulissen van de geschiedenis en het werk van God overneemt, als een verborgen aanwezigheid, en dat Hij elke keer vanachter die coulissen van de geschiedenis, waarachter Hij verborgen blijft, tevoorschijn komt met attenties, surprises, verrassingen. Ineens is Hij er weer. Hij komt met dingen die Hij alleen kan weten, heel nabij en heel vertrouwd en tegelijkertijd heel verheven, eerbiedwekkend. Ze durfden zelfs niet te vragen wie Hij wás. Jezus kwam naderbij; was Hij er al of was Hij er niet?

Dat zijn de twee kanten van onze God: heel verheven en heel nabij. Hij komt van heel ver, vanuit een ontoegankelijke verte, vlak bij zijn volk, bij wat er in hen leeft, in hen verborgen is, hun nood en ellende en daar gaat Hij iets mee gaat doen. Hij wil ze er uit redden, zoals Hij Mozes uit het water gered had, zo redt Hij  het volk uit de slavernij. Zo laat Hij ook ons wegtrekken. Een nieuwe uittocht begint, zoals we gezongen hebben: 'Eduxit'. Een nieuwe uittocht uit de slavernij van de zonden, de slavernij van ons eigen 'ik'. Hij is ermee bezig en Hij voert het tot een goed einde.