Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | volgens Johannes |
| 1 | Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader, en die de zijnen in de wereld bemind had gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe. |
| 2 | toen de duivel reeds aan Judas Iskariot, de zoon van Simon, het plan had ingegeven om Hem over te leveren, stond Jezus van tafel op. |
| 3 | dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, |
| 4 | nam een linnen doek en omgordde zich daarmee. |
| 5 | en begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen. |
| 6 | die echter tot Hem zei: "Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?" |
| 7 | "Wat Ik doe, begrijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien." |
| 8 | "Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen!" Jezus antwoordde hem: "Als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn." |
| 9 | "Heer, dan niet alleen mijn voeten maar ook mijn handen en hoofd." |
| 10 | "Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen tenzij de voeten, hij is immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen." |
| 11 | Daarom zei Hij: "Niet allen zijt gij rein." |
| 12 | zijn bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan, sprak Hij tot hen: "Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? |
| 13 | en dat doet gij terecht, want dat ben Ik. |
| 14 | de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. |
| 15 | opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb." |
| Johannes 13,1-15 |
Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. In ons gebed gaat Jezus door met zijn nederige dienstbetoon aan ons, aan mij. Ik mag mij geborgen weten in het weten van Jezus: "Jezus die wist..." Zelf hoef ik niet zoveel te weten. Hij heeft weet van mij. Hij weet ervan. Hij weet raad.
Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, blijf ik stilstaan, de blik omhoog, zien hoe Hij mij ziet en hoe Hij verlangt dat ik "zijn deelgenoot" zal zijn. Een gebaar van eerbied, me klein maken voor zijn grote liefde die ik niet waard ben te ontvangen.
Dan neem ik de houding aan van het gebed, zorgvuldig erop lettend hoe ik Hem het beste kan vinden. De houding is van groot belang, want daardoor wordt de geest in een bepaalde richting georiënteerd. De houding van het lichaam stut en schraagt de oriëntatie van mijn geest. De houding van mijn lichaam zal er een zijn van eerbied en ontvankelijkheid. Dat zou ook mijn algemene levenshouding moeten zijn. Dat vraag ik nu dan ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Dienen zoals Jezus zelf niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.
Nu bereid ik me erop voor het geheim van Jezus binnen te gaan, het geheim dat de Vader verborgen heeft voor wijzen en verstandigen, maar geopenbaard aan wie klein zijn (Joh 11,25). Daartoe breng ik mij eerst de geschiedenis te binnen: hoe Jezus van de Vader is uitgegaan en hoe dat een vernedering insluit. Hij vernedert zich hier tot onder onze voeten. Zo probeert Hij ons opstandige en hoogmoedige hart te winnen en terug te voeren naar zijn en onze Vader. Dit geschiedt tegen een achtergrond van verraad (Judas) en ongeloof (Petrus).
Ik doe het mysterie van de menswording pas helemaal recht, wanneer ik me ook de plaats voor ogen stel: de zaal van het laatste avondmaal en de eigen kerk waar Hij zich steeds opnieuw grenzenloos vernedert. En ook mijn eigen hart.
De plaats is de buitenkant die ik nodig heb om door te dringen naar de binnenkant van het geheim en dat is het Hart van Jezus. Ik vraag om de bijzondere genade Hem te mogen leren kennen met een inwendige kennis, hoe Hij zich aan mij verkocht heeft en niet meer zonder mij kan. Ik vraag Hem mij te verwonden met zijn liefde voor mij, die een wonde is geworden in zijn heilig Hart.
"Het paasfeest was op handen."
"Het paasfeest was op handen." Dat is méér dan een loutere
tijdsbepaling. Als met een gongslag wordt door het vermelden van
die datum heel het lot van Jezus opgeroepen. "Het paasfeest van
de Joden was nabij" bij de tempelreiniging, toen Jezus "sprak
over de tempel van zijn lichaam" (Joh 2,13-21) die zou worden
afgebroken en in drie dagen zou worden hersteld. Ook was het
"kort voor Pasen" bij de broodvermenigvuldiging waarbij Jezus een
soortgelijke uitleg geeft als bij de tempelreiniging: "Ik ben het
brood van het leven... Het brood dat Ik zal geven, is mijn
vlees,...ten bate van het leven van de wereld" (Joh
6,4.48.51). Bij de zalving in Betanië was het "zes dagen vóór Pasen". En deze zalving geschiedde "met het oog op de dag van
mijn begrafenis" (Joh 12,1.7). Als er nu bij de voetwassing
vermeld wordt dat het paasfeest op handen was, dan komt die
voetwassing in het teken te staan van "zijn liefde tot het
uiterste toe".
Het evangelie is niet zomaar een geschiedenisboek. Het is
"heilige" geschiedenis, "heils"-geschiedenis. En de feesten van
de kerk zijn vieringen van heils-feiten. Pasen is ook in de
maatschappij wel een feest, een rustdag, en ook de maatschappij
kent de zondag. Maar dat is een heel andere zondag dan de zondag
van de kerk. De zondag van de kerk is een klein pasen, een pasen
in het klein. Daarmee wordt heel de week en worden alle weken van
het jaar in het licht gezet van het ene grote pasen. En dat grote
pasen is het feest van "zijn liefde tot het uiterste toe".
Wat een voorrecht van de christenen, dat zij jaarlijks naar het
pasen mogen toeleven en elke week uit het paasfeest mogen leven,
als het feest van de liefde van God. Daardoor komt heel hun leven
in het teken te staan van de liefde, de liefde van God. Voel ik
me zo bevoorrecht?
"Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze
wereld over te gaan naar de Vader..."
Jezus weet. Dat weten is nodig om zijn lot uit te tillen boven
het noodlot. Doordat Jezus weet heeft van wat Hem zou overkomen,
is Hij in staat er een daad van liefde van te maken. Mensen
zeggen wel eens: "Als ik tevoren had geweten wat het me allemaal
zou gaan kosten, was ik er misschien nooit aan begonnen." Er is
zo'n uitlating zelfs van de heilige Don Bosco. Toen zijn
stichting levensvatbaarheid begon te krijgen, heeft hij eens
gezegd: "Had ik geweten hoeveel het me zou kosten, ik weet niet
of ik er wel aan begonnen zou zijn." Jezus wist en Hij is er
toch aan begonnen. Dat is het grote verschil tussen het lijden
van de mensen en het lijden van Jezus. Dit voorafweten heeft
Jezus zijn hele leven doen lijden. Zijn bewustzijn van het lijden
heeft van zijn hele leven één kruisweg gemaakt, één groot,
levenslang liefdesoffer. In het licht van het geloof wordt Jezus'
naderende einde dan ook voorgesteld als een overgang "naar de
Vader". Jezus loopt niet weg. Zijn levensweg loopt niet dood. Dat
is alleen maar de buitenkant waarop de ongelovigen zich
blindstaren. Nee, Jezus geeft zich in liefde over aan zijn
hemelse Vader.
Hoe kijk ik tegen de gebeurlijkheden van het leven aan? Als
dingen die mij overkomen door een samenspel van de krachten van
natuur en geschiedenis? Of als een uitnodiging om mij in liefde
over te geven aan de Vader? Want het evangelie wil in het
beschrijven van Jezus' leven tevens een model aanbieden voor het
leven van de christenen. In elk offer gaat de christen uit deze
wereld over naar de Vader.
"... en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun
een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe."
"Tot het uiterste toe." Tot welk uiterste, tot het uiterste waarvan? Het evangelie zelf geeft het antwoord: "Toen Jezus van de zure wijn genomen had, zei Hij: Het is volbracht" (Joh 19,30). Zijn dood op het kruis (altijd in eenheid gezien met de verrijzenis) is de hoogste voltooiing van Jezus' liefde voor de zijnen. Wat hierna verteld wordt, is dus de geschiedenis van de volkomen liefde, van een goddelijke liefde. De kruisdood waarvan de voetwassing een symbool is, is een uiting van goddelijke liefde. Met die liefde heeft Jezus het kwaad overwonnen, ook het kwaad van het verraad.
"Onder de maaltijd, toen de duivel reeds aan Judas
Iskariot, de zoon van Simon, het plan had ingegeven om Hem over
te leveren,..."
Met zijn liefde tot het uiterste treedt Jezus ook het kwaad tegemoet, het plan van overlevering dat de duivel Judas had ingegeven. In plaats van er hard tegen in te gaan, laat Jezus zich in liefde door het kwaad overwinnen en zo stopt Hij het kwaad af. Elke andere manier om het kwaad te bestrijden maakt het kwaad groter, bijvoorbeeld:
"Hoe zou Ik echter u kunnen prijsgeven, Efraïm,Met andere woorden: zoiets kan alleen God verzinnen. Ook hier wordt het doen van Jezus alleen verhaald, opdat de christenen die mogelijkheden in zichzelf zouden aanboren. De vraag is hier dus: Hoe ga ik om met het kwaad? Met het kwaad in mijzelf en bij anderen, het kleine en het grote kwaad?
u kunnen overleveren, Israël?
Hoe zou Ik u kunnen prijsgeven, alsof gij Adma waart,
of met u kunnen doen zoals met Seboïm?
Mijn hart slaat om,
heel mijn binnenste wordt week.Neen, Ik zal mijn vlammende toorn toch niet koelen,
Efraïm niet ten gronde richten,
want Ik ben God, Ik ben geen mens,
Ik ben de Heilige in uw midden.
Ik laat Mij niet gaan in mijn toorn" (Hos 11,8-9).
"... stond Jezus van tafel op. In het bewustzijn dat
de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was
uitgegaan en naar God terugkeerde, legde Hij zijn bovenkleren af,
nam een linnen doek en omgordde zich daarmee. Daarop goot Hij
water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te
wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen."
"Onder de maaltijd stond Jezus van tafel op." Zij waren al aan
tafel. Het gaat dus niet om een gewone wassing om de voeten te
reinigen, maar om een teken-handeling. De wassing waarvoor Jezus
van tafel opstond, houdt verband met het verraad en met Jezus'
reactie op het verraad: de vrijwillige aanvaarding uit liefde van
de kruisdood. Jezus wordt niet door een blind noodlot
overvallen. Integendeel, Hij heeft het hele gebeuren volledig in
de hand. Zoals Jezus hier is getekend, lijkt Hij sprekend op het
beeld dat Hij elders van zichzelf geeft: "Vurig heb Ik verlangd,
eer Ik ga lijden, dit paasmaal met u te eten" (Lc 22,15). Of
zoals Hij in dit evangelie zegt: "Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het later weer terug te nemen.
Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf. Macht heb
Ik om het te geven en macht om het terug te nemen: dat is de
opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen" (Joh 10,17-18).
Zoals Jezus zijn bovenkleed aflegt en het later weer opneemt, zo
legt Hij ook zijn leven af om het later weer terug te nemen. In
volle vrijheid en souvereiniteit. De vrijheid en de
souvereiniteit van een goddelijk-vrije, bovenmenselijke liefde.
Dit zich buigen tot slavendienst geschiedt in vrijheid. Jezus
liet zich "rabbi" (meester) noemen. Hij liet zich gewoonlijk
door zijn leerlingen dienen en bedienen. Dat was de gewoonte
onder de leerlingen van een "rabbi". Zij dienden hun
leermeester. Het gold als een gouden regel: geen kennis van de
Wet zonder het dienen van de leraar van de Wet: "Ieder die zijn
leerling belet hem te bedienen, is iemand die hun de liefde
weigert." Precies dat heeft Jezus gedaan bij het laatste
avondmaal: Hij heeft zijn leerlingen verhinderd Hem te bedienen.
Hij is in hun midden als iemand die bedient: "Ik ben onder u als
degene die bedient" (Lc 22,27).
Deze nederige dienstbaarheid is de inzet van zijn zending: "De
Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te
dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Joh
20,28). De slavendood aan het kruis is hoogste uiting van Jezus'
nederige liefde voor de zijnen.
Daarom kiest Hij de slavendienst van de voetwassing als symbool.
Slavendienst als teken van zijn slavendood. Jezus aan het laatste
avondmaal, Jezus in de eucharistie, dat is nederige liefde. Niet
zomaar liefde, maar nederige liefde. Nederigheid is eigen aan de
echte liefde. Want in de liefde ervaart men een zekere armoede,
een zekere kwetsbaarheid. Want men moet toegeven, dat men niet
zonder de ander kan. Spreekt men niet van een "zwak hebben voor
iemand"? En van liefdespijlen die het hart wonden? Daarom is
echte liefde en echte vriendschap nooit mogelijk zonder
nederigheid. Anders is het een 'verpletterende' liefde. Die
bestaat ook: de liefde die dooddrukt aan het eigen hart. Maar
van de echte liefde geldt het woord van een monnik: "Het is aan
de vriendschap eigen om nederig te zijn voor zijn vrienden."
"Zo kwam Hij bij Simon Petrus die echter tot Hem zei:
Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?"
God openbaart zijn Majesteit in zijn nederigheid. Daar staat ieder mensenverstand bij stil. Niet alleen zijn Majesteit is grenzenloos, ook zijn nederigheid is zonder maat. Petrus is de woordvoerder die stem geeft aan onze verbazing. Alles bij hem en bij ons komt in opstand bij een God in knechtsgestalte. Steeds heeft Petrus er moeite mee leerling van die meester te zijn: "Ben ook jij niet een van zijn leerlingen? Hij ontkende het en zei: Welneen" (Joh 18,25). Verloochening komt bijna altijd tot stand in vernedering.
"Jezus gaf hem ten antwoord: Wat Ik doe, begrijpt ge
nu nog niet, maar later zult gij het inzien."
Jezus geeft toe: Dit teken is ook niet te begrijpen, als je niet de werkelijkheid gezien hebt waarvan het een teken wil zijn. Zijn slavendienst is teken van zijn slavendood. Pas als je die hebt gezien en in geloof aanvaard, kun je het teken begrijpen. Als je eenmaal gezien hebt, dat het dienen het wezen uitmaakt van Jezus' zending, kun je het teken van zijn slavendienst begrijpen en aanvaarden.
"Toen zei Petrus tot Hem: Nooit in der eeuwigheid zult
Gij mij de voeten wassen! Jezus antwoordde hem: Als gij u niet
door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn."
Wie Jezus' vrijwillige overgave in liefde aan de slavendood van het kruis aanvaardt, krijgt aandeel aan Hem. Eigenlijk staat er hetzelfde als in de toespraak over het brood die Jezus te Kafarnaüm hield: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u... Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem" (Joh 6,54-57). Langs deze weg heeft Jezus gemeenschap gezocht met ons. Voor ons is er geen andere weg om gemeenschap te hebben met Hem.
"Daarop zei Simon Petrus tot Hem: Heer, dan niet
alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd. Maar Jezus
antwoordde: Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te
wassen tenzij de voeten; hij is immers helemaal rein. Ook gij
zijt rein, ofschoon niet allen. Hij wist immers wie Hem zou
overleveren. Daarom zei Hij: Niet allen zijt gij rein."
Petrus schijnt zich gewonnen te geven, maar het is schijn. Want
wat hij nog steeds niet begrijpt, dat is dat het niet om de
wassing zelf gaat als wel om de reinigende dienst van Jezus'
verlossing brengend lijden en sterven. Daarvan is de voetwassing
het teken.
Dat het niet de voetwassing zelf is die reinigt, blijkt ook uit
het feit dat na de voetwassing niet allen rein zijn en niet allen
gemeenschap met Hem hebben. Dat is de verschrikkelijke
mogelijkheid van Judas en allen die tot op de dag van vandaag wel
zijn uitverkoren, maar zich niet overgeven aan zijn liefde. Het
is reden om altijd waakzaam te blijven.
"Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn
bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan, sprak
Hij tot hen: Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? Gij spreekt Mij
aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik.
Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan
behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een
voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan
heb."
Hoe komt onder de leerlingen, de christenen, onder ons, de eenheid met elkaar tot stand? Door onze eenheid met Hem. De leerlingen moeten niet slechts doen zoals de Meester het deed, maar vooral omdat Hij zo deed. De nederige vriendschapsliefde die het verkeer tussen de christenen onderling moet kenmerken, is niet terug te voeren op bepaalde ethische beginselen waarbij het voorbeeld van Jezus dan als illustratie dient, maar enkel en alleen op de handelwijze van de Heer zelf. Het ontvangen van zijn nederig dienstbetoon opent voor de leerlingen een nieuwe mogelijkheid van het met-elkaar-zijn. Wij zien op een dag als Witte Donderdag de sereniteit en de innigheid van de betrekkingen van christenen onder elkaar opbloeien als de vrucht van Jezus' nederige liefde voor hen.
Aan het einde gesprekken voeren, zoals Petrus met Jezus: eerlijk en vertrouwelijk. Jezus wil mij immers nabij zijn. Ik Hem dan niet? Dan mij door Jezus naar de Vader laten brengen. Zelf ben ik immers de inzet van zijn nederige afdaling. Ik stort mijn hart uit bij de Vader en leg mijn geest in zijn handen, zoals ik eens aan het eind van mijn leven zal doen. Een Onze Vader, langzaam en eerbiedig.
Het moment na afloop van het gebed leent zich bij uitstek om te
onderscheiden welke geesten er zich in mij bewegen. In mijn
verstrooiingen word ik door een andere geest geleid dan door de
geest van Jezus en in mijn gevoelens voor Hem word ik door een
andere geest geleid dan in mijn verstrooiingen.