Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Witte donderdag : Avondmis


U it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Johannes
1 Het paasfeest was op handen.
Jezus,
die wist dat zijn uur gekomen was
om uit deze wereld over te gaan naar de Vader,
en die de zijnen in de wereld bemind had
gaf hun een bewijs van zijn liefde
tot het uiterste toe.
2 Onder de maaltijd,
toen de duivel reeds
aan Judas Iskariot, de zoon van Simon,
het plan had ingegeven om Hem over te leveren,
stond Jezus van tafel op.
3 In het bewustzijn
dat de Vader Hem alles in handen had gegeven
en dat Hij van God was uitgegaan
en naar God terugkeerde,
4 legde Hij zijn bovenkleren af,
nam een linnen doek en omgordde zich daarmee.
5 Daarop goot Hij water in de wasbekken
en begon de voeten van de leerlingen te wassen
en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen.
6 Zo kwam Hij bij Simon Petrus
die echter tot Hem zei:
"Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?"
7 Jezus gaf hem ten antwoord:
"Wat Ik doe, begrijpt ge nu nog niet,
maar later zult gij het inzien."
8 Toen zei Petrus tot Hem:
"Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen!"
Jezus antwoordde hem:
"Als gij u niet door Mij laat wassen,
kunt gij mijn deelgenoot niet zijn."
9 Daarop zei Simon Petrus tot Hem:
"Heer, dan niet alleen mijn voeten
maar ook mijn handen en hoofd."
10 Maar Jezus antwoordde:
"Wie een bad heeft genomen,
behoeft zich niet meer te wassen
tenzij de voeten,
hij is immers helemaal rein.
Ook gij zijt rein,
ofschoon niet allen."
11 Hij wist immers wie Hem zou overleveren.
Daarom zei Hij:
"Niet allen zijt gij rein."
12 Toen Hij dan hun voeten had gewassen,
zijn bovenkleren had aangetrokken
en weer aan tafel was gegaan,
sprak Hij tot hen:
"Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb?
13 Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer,
en dat doet gij terecht, want dat ben Ik.
14 Maar als Ik,
de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen,
dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen.
15 Ik heb u een voorbeeld gegeven,
opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb."
Johannes 13,1-15

Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. In ons gebed gaat Jezus door met zijn nederige dienstbetoon aan ons, aan mij. Ik mag mij geborgen weten in het weten van Jezus: "Jezus die wist..." Zelf hoef ik niet zoveel te weten. Hij heeft weet van mij. Hij weet ervan. Hij weet raad.

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, blijf ik stilstaan, de blik omhoog, zien hoe Hij mij ziet en hoe Hij verlangt dat ik "zijn deelgenoot" zal zijn. Een gebaar van eerbied, me klein maken voor zijn grote liefde die ik niet waard ben te ontvangen.

Dan neem ik de houding aan van het gebed, zorgvuldig erop lettend hoe ik Hem het beste kan vinden. De houding is van groot belang, want daardoor wordt de geest in een bepaalde richting georiënteerd. De houding van het lichaam stut en schraagt de oriëntatie van mijn geest. De houding van mijn lichaam zal er een zijn van eerbied en ontvankelijkheid. Dat zou ook mijn algemene levenshouding moeten zijn. Dat vraag ik nu dan ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Dienen zoals Jezus zelf niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.

Nu bereid ik me erop voor het geheim van Jezus binnen te gaan, het geheim dat de Vader verborgen heeft voor wijzen en verstandigen, maar geopenbaard aan wie klein zijn (Joh 11,25). Daartoe breng ik mij eerst de geschiedenis te binnen: hoe Jezus van de Vader is uitgegaan en hoe dat een vernedering insluit. Hij vernedert zich hier tot onder onze voeten. Zo probeert Hij ons opstandige en hoogmoedige hart te winnen en terug te voeren naar zijn en onze Vader. Dit geschiedt tegen een achtergrond van verraad (Judas) en ongeloof (Petrus).

Ik doe het mysterie van de menswording pas helemaal recht, wanneer ik me ook de plaats voor ogen stel: de zaal van het laatste avondmaal en de eigen kerk waar Hij zich steeds opnieuw grenzenloos vernedert. En ook mijn eigen hart.

De plaats is de buitenkant die ik nodig heb om door te dringen naar de binnenkant van het geheim en dat is het Hart van Jezus. Ik vraag om de bijzondere genade Hem te mogen leren kennen met een inwendige kennis, hoe Hij zich aan mij verkocht heeft en niet meer zonder mij kan. Ik vraag Hem mij te verwonden met zijn liefde voor mij, die een wonde is geworden in zijn heilig Hart.

 
"Het paasfeest was op handen."

"Het paasfeest was op handen." Dat is méér dan een loutere tijdsbepaling. Als met een gongslag wordt door het vermelden van die datum heel het lot van Jezus opgeroepen. "Het paasfeest van de Joden was nabij" bij de tempelreiniging, toen Jezus "sprak over de tempel van zijn lichaam" (Joh 2,13-21) die zou worden afgebroken en in drie dagen zou worden hersteld. Ook was het "kort voor Pasen" bij de broodvermenigvuldiging waarbij Jezus een soortgelijke uitleg geeft als bij de tempelreiniging: "Ik ben het brood van het leven... Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees,...ten bate van het leven van de wereld" (Joh 6,4.48.51). Bij de zalving in Betanië was het "zes dagen vóór Pasen". En deze zalving geschiedde "met het oog op de dag van mijn begrafenis" (Joh 12,1.7). Als er nu bij de voetwassing vermeld wordt dat het paasfeest op handen was, dan komt die voetwassing in het teken te staan van "zijn liefde tot het uiterste toe".
Het evangelie is niet zomaar een geschiedenisboek. Het is "heilige" geschiedenis, "heils"-geschiedenis. En de feesten van de kerk zijn vieringen van heils-feiten. Pasen is ook in de maatschappij wel een feest, een rustdag, en ook de maatschappij kent de zondag. Maar dat is een heel andere zondag dan de zondag van de kerk. De zondag van de kerk is een klein pasen, een pasen in het klein. Daarmee wordt heel de week en worden alle weken van het jaar in het licht gezet van het ene grote pasen. En dat grote pasen is het feest van "zijn liefde tot het uiterste toe".
Wat een voorrecht van de christenen, dat zij jaarlijks naar het pasen mogen toeleven en elke week uit het paasfeest mogen leven, als het feest van de liefde van God. Daardoor komt heel hun leven in het teken te staan van de liefde, de liefde van God. Voel ik me zo bevoorrecht?

 
"Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader..."

Jezus weet. Dat weten is nodig om zijn lot uit te tillen boven het noodlot. Doordat Jezus weet heeft van wat Hem zou overkomen, is Hij in staat er een daad van liefde van te maken. Mensen zeggen wel eens: "Als ik tevoren had geweten wat het me allemaal zou gaan kosten, was ik er misschien nooit aan begonnen." Er is zo'n uitlating zelfs van de heilige Don Bosco. Toen zijn stichting levensvatbaarheid begon te krijgen, heeft hij eens gezegd: "Had ik geweten hoeveel het me zou kosten, ik weet niet of ik er wel aan begonnen zou zijn." Jezus wist en Hij is er toch aan begonnen. Dat is het grote verschil tussen het lijden van de mensen en het lijden van Jezus. Dit voorafweten heeft Jezus zijn hele leven doen lijden. Zijn bewustzijn van het lijden heeft van zijn hele leven één kruisweg gemaakt, één groot, levenslang liefdesoffer. In het licht van het geloof wordt Jezus' naderende einde dan ook voorgesteld als een overgang "naar de Vader". Jezus loopt niet weg. Zijn levensweg loopt niet dood. Dat is alleen maar de buitenkant waarop de ongelovigen zich blindstaren. Nee, Jezus geeft zich in liefde over aan zijn hemelse Vader.
Hoe kijk ik tegen de gebeurlijkheden van het leven aan? Als dingen die mij overkomen door een samenspel van de krachten van natuur en geschiedenis? Of als een uitnodiging om mij in liefde over te geven aan de Vader? Want het evangelie wil in het beschrijven van Jezus' leven tevens een model aanbieden voor het leven van de christenen. In elk offer gaat de christen uit deze wereld over naar de Vader.

 
"... en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe."

"Tot het uiterste toe." Tot welk uiterste, tot het uiterste waarvan? Het evangelie zelf geeft het antwoord: "Toen Jezus van de zure wijn genomen had, zei Hij: Het is volbracht" (Joh 19,30). Zijn dood op het kruis (altijd in eenheid gezien met de verrijzenis) is de hoogste voltooiing van Jezus' liefde voor de zijnen. Wat hierna verteld wordt, is dus de geschiedenis van de volkomen liefde, van een goddelijke liefde. De kruisdood waarvan de voetwassing een symbool is, is een uiting van goddelijke liefde. Met die liefde heeft Jezus het kwaad overwonnen, ook het kwaad van het verraad.

 
"Onder de maaltijd, toen de duivel reeds aan Judas Iskariot, de zoon van Simon, het plan had ingegeven om Hem over te leveren,..."

Met zijn liefde tot het uiterste treedt Jezus ook het kwaad tegemoet, het plan van overlevering dat de duivel Judas had ingegeven. In plaats van er hard tegen in te gaan, laat Jezus zich in liefde door het kwaad overwinnen en zo stopt Hij het kwaad af. Elke andere manier om het kwaad te bestrijden maakt het kwaad groter, bijvoorbeeld:

  1. zich kwaad maken over het kwaad;
  2. het kwaad wreken (iemand iets "dubbel en dwars" betaald zetten);
  3. zelfmedelijden (men wordt er zelf door verteerd);
  4. het kwaad (ont)vluchten.
Jezus heeft een manier gevonden om het kwaad innerlijk te ontkrachten, namelijk door eraan te lijden. Hij zou de kwaden kunnen straffen, maar er komt een ander gevoel in zijn hart naar boven. In plaats van de kwaden met kwaad te vergelden, levert Hij zich in een overmaat van liefde aan hen uit. Zo stond het al bij de profeet Hosea:
"Hoe zou Ik echter u kunnen prijsgeven, Efraïm,
u kunnen overleveren, Israël?
Hoe zou Ik u kunnen prijsgeven, alsof gij Adma waart,
of met u kunnen doen zoals met Seboïm?
Mijn hart slaat om,
heel mijn binnenste wordt week.

Neen, Ik zal mijn vlammende toorn toch niet koelen,
Efraïm niet ten gronde richten,
want Ik ben God, Ik ben geen mens,
Ik ben de Heilige in uw midden.
Ik laat Mij niet gaan in mijn toorn" (Hos 11,8-9).

Met andere woorden: zoiets kan alleen God verzinnen. Ook hier wordt het doen van Jezus alleen verhaald, opdat de christenen die mogelijkheden in zichzelf zouden aanboren. De vraag is hier dus: Hoe ga ik om met het kwaad? Met het kwaad in mijzelf en bij anderen, het kleine en het grote kwaad?

 
"... stond Jezus van tafel op. In het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, legde Hij zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en omgordde zich daarmee. Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen."

"Onder de maaltijd stond Jezus van tafel op." Zij waren al aan tafel. Het gaat dus niet om een gewone wassing om de voeten te reinigen, maar om een teken-handeling. De wassing waarvoor Jezus van tafel opstond, houdt verband met het verraad en met Jezus' reactie op het verraad: de vrijwillige aanvaarding uit liefde van de kruisdood. Jezus wordt niet door een blind noodlot overvallen. Integendeel, Hij heeft het hele gebeuren volledig in de hand. Zoals Jezus hier is getekend, lijkt Hij sprekend op het beeld dat Hij elders van zichzelf geeft: "Vurig heb Ik verlangd, eer Ik ga lijden, dit paasmaal met u te eten" (Lc 22,15). Of zoals Hij in dit evangelie zegt: "Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het later weer terug te nemen. Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf. Macht heb Ik om het te geven en macht om het terug te nemen: dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen" (Joh 10,17-18). Zoals Jezus zijn bovenkleed aflegt en het later weer opneemt, zo legt Hij ook zijn leven af om het later weer terug te nemen. In volle vrijheid en souvereiniteit. De vrijheid en de souvereiniteit van een goddelijk-vrije, bovenmenselijke liefde. Dit zich buigen tot slavendienst geschiedt in vrijheid. Jezus liet zich "rabbi" (meester) noemen. Hij liet zich gewoonlijk door zijn leerlingen dienen en bedienen. Dat was de gewoonte onder de leerlingen van een "rabbi". Zij dienden hun leermeester. Het gold als een gouden regel: geen kennis van de Wet zonder het dienen van de leraar van de Wet: "Ieder die zijn leerling belet hem te bedienen, is iemand die hun de liefde weigert." Precies dat heeft Jezus gedaan bij het laatste avondmaal: Hij heeft zijn leerlingen verhinderd Hem te bedienen. Hij is in hun midden als iemand die bedient: "Ik ben onder u als degene die bedient" (Lc 22,27).
Deze nederige dienstbaarheid is de inzet van zijn zending: "De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Joh 20,28). De slavendood aan het kruis is hoogste uiting van Jezus' nederige liefde voor de zijnen.
Daarom kiest Hij de slavendienst van de voetwassing als symbool. Slavendienst als teken van zijn slavendood. Jezus aan het laatste avondmaal, Jezus in de eucharistie, dat is nederige liefde. Niet zomaar liefde, maar nederige liefde. Nederigheid is eigen aan de echte liefde. Want in de liefde ervaart men een zekere armoede, een zekere kwetsbaarheid. Want men moet toegeven, dat men niet zonder de ander kan. Spreekt men niet van een "zwak hebben voor iemand"? En van liefdespijlen die het hart wonden? Daarom is echte liefde en echte vriendschap nooit mogelijk zonder nederigheid. Anders is het een 'verpletterende' liefde. Die bestaat ook: de liefde die dooddrukt aan het eigen hart. Maar van de echte liefde geldt het woord van een monnik: "Het is aan de vriendschap eigen om nederig te zijn voor zijn vrienden."

 
"Zo kwam Hij bij Simon Petrus die echter tot Hem zei: Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?"

God openbaart zijn Majesteit in zijn nederigheid. Daar staat ieder mensenverstand bij stil. Niet alleen zijn Majesteit is grenzenloos, ook zijn nederigheid is zonder maat. Petrus is de woordvoerder die stem geeft aan onze verbazing. Alles bij hem en bij ons komt in opstand bij een God in knechtsgestalte. Steeds heeft Petrus er moeite mee leerling van die meester te zijn: "Ben ook jij niet een van zijn leerlingen? Hij ontkende het en zei: Welneen" (Joh 18,25). Verloochening komt bijna altijd tot stand in vernedering.

 
"Jezus gaf hem ten antwoord: Wat Ik doe, begrijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien."

Jezus geeft toe: Dit teken is ook niet te begrijpen, als je niet de werkelijkheid gezien hebt waarvan het een teken wil zijn. Zijn slavendienst is teken van zijn slavendood. Pas als je die hebt gezien en in geloof aanvaard, kun je het teken begrijpen. Als je eenmaal gezien hebt, dat het dienen het wezen uitmaakt van Jezus' zending, kun je het teken van zijn slavendienst begrijpen en aanvaarden.

 
"Toen zei Petrus tot Hem: Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen! Jezus antwoordde hem: Als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn."

Wie Jezus' vrijwillige overgave in liefde aan de slavendood van het kruis aanvaardt, krijgt aandeel aan Hem. Eigenlijk staat er hetzelfde als in de toespraak over het brood die Jezus te Kafarnaüm hield: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u... Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem" (Joh 6,54-57). Langs deze weg heeft Jezus gemeenschap gezocht met ons. Voor ons is er geen andere weg om gemeenschap te hebben met Hem.

 
"Daarop zei Simon Petrus tot Hem: Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd. Maar Jezus antwoordde: Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen tenzij de voeten; hij is immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen. Hij wist immers wie Hem zou overleveren. Daarom zei Hij: Niet allen zijt gij rein."

Petrus schijnt zich gewonnen te geven, maar het is schijn. Want wat hij nog steeds niet begrijpt, dat is dat het niet om de wassing zelf gaat als wel om de reinigende dienst van Jezus' verlossing brengend lijden en sterven. Daarvan is de voetwassing het teken.
Dat het niet de voetwassing zelf is die reinigt, blijkt ook uit het feit dat na de voetwassing niet allen rein zijn en niet allen gemeenschap met Hem hebben. Dat is de verschrikkelijke mogelijkheid van Judas en allen die tot op de dag van vandaag wel zijn uitverkoren, maar zich niet overgeven aan zijn liefde. Het is reden om altijd waakzaam te blijven.

 
"Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan, sprak Hij tot hen: Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik. Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb."

Hoe komt onder de leerlingen, de christenen, onder ons, de eenheid met elkaar tot stand? Door onze eenheid met Hem. De leerlingen moeten niet slechts doen zoals de Meester het deed, maar vooral omdat Hij zo deed. De nederige vriendschapsliefde die het verkeer tussen de christenen onderling moet kenmerken, is niet terug te voeren op bepaalde ethische beginselen waarbij het voorbeeld van Jezus dan als illustratie dient, maar enkel en alleen op de handelwijze van de Heer zelf. Het ontvangen van zijn nederig dienstbetoon opent voor de leerlingen een nieuwe mogelijkheid van het met-elkaar-zijn. Wij zien op een dag als Witte Donderdag de sereniteit en de innigheid van de betrekkingen van christenen onder elkaar opbloeien als de vrucht van Jezus' nederige liefde voor hen.

Aan het einde gesprekken voeren, zoals Petrus met Jezus: eerlijk en vertrouwelijk. Jezus wil mij immers nabij zijn. Ik Hem dan niet? Dan mij door Jezus naar de Vader laten brengen. Zelf ben ik immers de inzet van zijn nederige afdaling. Ik stort mijn hart uit bij de Vader en leg mijn geest in zijn handen, zoals ik eens aan het eind van mijn leven zal doen. Een Onze Vader, langzaam en eerbiedig.

Het moment na afloop van het gebed leent zich bij uitstek om te onderscheiden welke geesten er zich in mij bewegen. In mijn verstrooiingen word ik door een andere geest geleid dan door de geest van Jezus en in mijn gevoelens voor Hem word ik door een andere geest geleid dan in mijn verstrooiingen.

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Laat ik me in mijn verstrooiingen leiden door een verlangen groot te willen zijn, opgeblazenheid, krampachtigheid in het vasthouden aan zorgen, aan ijdele verwachtingen?
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waren er momenten waarin ik me bewust werd deelgenoot van Jezus te zijn?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor
  4. Hem? Voel ik me nu nog steeds deelgenoot van Hem?