Woensdag in de tweede week van Pasen
Heilige Franciscus de Paola, kluizenaar


Eerste lezing: Handelingen 5,17-26 [I 178]
Evangelie: Johannes 3,16-21 [I 179]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot Nikodémus:
“Zozeer heeft God de wereld liefgehad
dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven,
opdat al wie in Hem gelooft, niet verloren zal gaan
maar eeuwig leven zal hebben.
God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden
om de wereld te oordelen,
maar opdat de wereld door Hem zou worden gered.
Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld,
maar wie niet gelooft is al geoordeeld,
omdat hij niet heeft geloofd
in de Naam van de eniggeboren Zoon Gods.
Hierin bestaat het oordeel:
het licht is in de wereld gekomen,
maar de mensen beminden de duisternis meer dan het licht,
omdat hun daden slecht waren.
Ieder die slecht handelt heeft een afschuw van het licht
en gaat niet naar het licht toe
uit vrees dat zijn werken openbaar gemaakt worden.
Maar wie de waarheid doet gaat naar het licht,
opdat van zijn daden moge blijken dat zij in God zijn gedaan.”

Homilie  

“Zozeer heeft God de wereld lief gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven."
Je zoon geven, en dat nog wel uit liefde, dat dóe je toch niet! Dat kán toch niet!
Wij weten wat geven is, daar zijn we mee opgevoed, dat kennen we allemaal. Ouders geven hun kinderen op hun verjaardag een cadeautje om de kinderen op die manier te laten voelen dat ze van hen houden. Zo kweken ze bij hun kinderen voor hun leven een soort cadeautjesgevoel, het gevoel dat zij er mogen zijn, voor niets, uit liefde, dat liefde hen omgeeft. Maar Jezus zegt: God heeft zijn Zoon aan de wereld gegeven, uit liefde voor de wereld. Hoe zit het dan met zijn liefde voor zijn Zoon?

Dit gebaar van God heeft bij de mensen het cadeautjesgevoel enorm versterkt. Het kan eigenlijk niet meer stuk als Hij zijn eniggeboren Zoon al gegeven heeft. Toen sint Paulus in zijn brief aan de Romeinen nog eens voor de geest haalde dat God zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, riep hij uit: "Indien God (zo) vóór ons is, wie zal dan (nog) tegen ons zijn? Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken? (Rom 8,31-33) “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht, of nood, vervolging, honger, naaktheid, levensgevaar of het zwaard?" (Rom 8,35) Niets van dat alles.

Maar hoe zit het nu met de Zoon? Als een vader zoiets met zijn zoon doet, dan is het toch uit met de liefde! Zoiets kun je je zoon toch niet aandoen? Heeft de Vader de mensen dan méér lief dan zijn eigen Zoon? Natuurlijk niet! Zijn Zoon uit liefde geven is alleen mogelijk als de Zoon één is met zijn Vader in dat geven, als Hij zo één is met zijn Vaders liefde voor de wereld, voor ons mensen, dat Hij Zichzelf wíl overleveren. Dat kan alleen als het honderd procent de wil van de Vader is en honderd procent de wil van de Zoon. Als dat níet het geval was, dan zou het inderdaad geen liefde zijn, maar wreedheid. Een kinderoffer, zoals de heidenen deden. Rituelen waaraan ook de Joden zich hebben schuldig gemaakt, maar dat was dan ook wel op het dieptepunt van hun verhouding met God. Gruwelijk!

Het is niet zo dat God de Vader van de Zoon heeft geëist wat mensen ten ene male niet zouden kunnen opbrengen. Ondeelbaar heeft de Vader zijn Zoon gegeven én heeft de Zoon Zichzelf gegeven. Met de overlevering door Judas, die Hem passief is overkomen, gaf Jezus Zichzelf over, in één vloeiende beweging, omdat Hij Zich daarin één weet met de Vader in de heilige Geest.

Dat nodigt ons uit tot een oefening om te zien. Achter de priester Jezus zien, achter Jezus de Vader zien, opdat u, wanneer het lijden u overkomt, wanneer u aan het lijden wordt overgeleverd,   geleerd hebt te doorzien, geleerd hebt er doorheen te kijken, want weer levert de Vader dan zijn kind over uit liefde. Dat u mag zien en geloven dat er liefde achter zit.
Niet het lijden zelf dat iemand overkomt, komt van de Vader. Niet dat lijden zelf wordt iemand door de Vader aangedaan; dát komt van de mensen, van de omstandigheden, dat komt van de verrader, zoals Jezus' lijden. Maar de Vader kan dat wat iemand overkomt, een nieuwe, diepere zin geven. Mensen kunnen dat in zichzelf gewaar worden, doordat zij in zichzelf een beweging van overgave ervaren, van: nee, ik wil niet, naar: ja, ik wil, uw wil geschiede. Ik wil uw wil! Als iemand dit in zichzelf gewaar wordt, mag hij weten: het is de heilige Geest die zoiets in hem bewerkt. De heilige Geest die de Zoon met de Vader verbindt én de vele zonen en dochters, de vele kinderen, verbindt met de Vader.

Dat is wat wij hier vieren, iedere keer opnieuw, totdat wij uit de gevangenis van het lijden, zoals we dat vandaag in de eerste lezing hebben gehoord, worden bevrijd, niet door een engel, maar door de heilige Geest. Dat we in de gevangenis van ons eigen 'ik', waarin we worden opgesloten door het lijden en door onze tegenzin, door de heilige Geest een beweging gewaar worden van vrijheid, van overgave, van ruimte.