Eerste lezing: Handelingen 8,1-8 [I 190];
Evangelie: Johannes 6,35-40 [I 191]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot de menigte:
Ik ben het brood des levens;
wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben,
en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen.
Maar Ik zei u reeds dat gij toch niet gelooft,
hoewel gij Mij hebt gezien.
Al wat de Vader Mij geeft zal tot Mij komen
en wie tot Mij komt zal Ik niet buiten werpen.
Ik ben immers uit de hemel neergedaald,
niet om mijn eigen wil te doen,
maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft.
En dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft:
dat Ik niets van wat Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan,
maar het doe opstaan op de laatste dag.
Dit is de wil van mijn Vader,
dat ieder die, wanneer hij de Zoon ziet en in Deze gelooft,
eeuwig leven bezit.
En Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.
Homilie
Waarom zegt Jezus dat toch: "Al wat de Vader Mij geeft zal tot Mij komen?
En dit is de wil van de Vader, dat Ik niets van wat Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan?
Dit is de wil van mijn Vader, dat ieder die, wanneer hij de Zoon ziet en in Deze gelooft, eeuwig leven bezit?" Waarom legt Jezus zo de nadruk op de Vader? Dat doet Hij omdat Hij de Zoon is. En de Zoon is Iemand die het leven ontvangt, die het niet voor het zeggen heeft, die alles krijgt, die niets kan uit Zichzelf. "De Zoon kan niets uit Zichzelf, maar alleen datgene wat Hij de Vader ziet doen. En alles wat Deze doet, doet de Zoon insgelijks (Joh 5,19). De Zoon kan dus niets uit Zichzelf. Ik kan niets uit Mijzelf: Ik oordeel naar wat Ik hoor en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn eigen wil zoek, maar de wil van Hem die Mij zond (Joh 5,30). En omdát Hij de Zoon is, is Hij ook niet gekomen in zijn eigen Naam. Ik ben gekomen in de Naam van mijn Vader" (Joh 5,43).
Jezus zegt dat niet om zomaar iets over zijn eigen wezen te zeggen, maar omdat Hij gezegd had: "Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben
" Toch zien de mensen Jezus voor zich staan, niet anders dan een mens als andere mensen. De Joden werpen in het verloop van deze 'broodrede' dan ook op: "Is dat niet Jezus, de Zoon van Jozef, en kennen wij zijn vader en moeder niet? (Joh 6,42) 'Hij is net zo iemand als wij.' En toch zegt Hij: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen."
Hij zegt dat omdat Hij mens is, omdat Hij als aardse mens de vertaling wil zijn van de goddelijke Zoon. Wat Zoon-zijn is in de hemel, dat is Jezus als mens op aarde. Wat is een kleine mens, wat is een heel kleine mens, wat is de kleinste mens, wat is de kleinste in het Rijk der hemelen? De kleinste in het Rijk der hemelen is helemaal niets uit Zichzelf, maar Iemand die de goedheid van de Vader in de wereld brengt. "Wie Mij ziet, ziet de Vader" (Joh 14,9).
Daarmee wil Jezus bij ons geen illusies wekken alsof Hij iets aan dat klein zijn zou kunnen of willen doen; alsof Hij iets zou willen doen aan de vernederingen van het klein zijn, aan het kleine mens zijn in deze wereld. Nee, Hij zegt dit niet om verwachtingen te wekken, alsof Hij de wereld zou komen oordelen, en dus ook niet alsof Hij gekomen zou zijn om de wereld te verbeteren. Je hoeft dus niet te verwachten dat Hij de omstandigheden van je leven zal veranderen, dat Hij je medemensen zal veranderen, dat Hij een einde zal maken aan de misstanden in de wereld: de honger, de terreur, de slechte internationale verhoudingen.
Maar wat hebben we dan aan Jezus als Hij niet voor ons doet wat zo nodig is, als Hij niets aan de noden wil veranderen? Hij wíl er wel iets aan veranderen, maar Hij wil dat niet doen buiten ons om. Dat wij als het ware God voor ons karretje spannen, om met zíjn kracht in de wereld allerlei dingen te veranderen die wij eigenlijk zelf zouden moeten veranderen.
Als mensen iets aan God vragen, bijvoorbeeld: om een einde te maken aan zoiets afschuwelijks als de honger, dat moeders geen eten hebben voor hun kinderen, of dat er een einde zou komen aan de gewelddadigheid waarvan onschuldige mensen het slachtoffer worden, dan verhoort Hij dat gebed niet op die manier, maar Hij verhoort dat gebed zó dat Hij de mensen ingeeft zelf soberder te gaan leven, zelf te veranderen, zelf een einde te maken aan verspilling en verkwisting, zuiverder en gezonder te leven. Want langs díe weg komen de rechtvaardige verhoudingen in de wereld.
Als mensen vragen of ze beter mogen opschieten met hun medemensen, dan verhoort Hij dat gebed niet op die manier, maar geeft Hij hun in zélf te groeien in het vermogen om te dragen. Hij geeft het vermogen om te groeien in vrede, in vergevingsgezindheid. Voor het draagvermogen van de mensen geeft Hij kracht, dáárvoor geeft Hij licht, dáárvoor geeft Hij vrede. Zo kunnen de menselijke verhoudingen inderdaad veranderen, maar alleen voor degene die daar echt behoefte aan heeft.
Hij geeft dus allereerst de behoefte in om zelf te veranderen volgens het alom bekende motief: 'Verbeter de wereld, begin bij jezelf.' Langs díe weg verbetert Hij de wereld. Dat is ook de weg waarop wij nu geplaatst worden, want zó heeft Jezus de wereld verbeterd en verlost, door het kwaad van onze wereld eerst zelf te dragen.
Wat wij van de eucharistie mogen verwachten, van zijn Lichaam en Bloed, van dat geestelijke voedsel, is, dat wij groeien in kracht om onze eigen gebreken én de gebreken van onze medemensen te kunnen dragen.