Woensdag in het Paasoctaaf
Eerste lezing: Handelingen 3,1-10
Evangelie: Lucas 24,13-35


Inleiding  

'Venite, benedicti Patris mei.' … 'Komt, gezegenden van mijn Vader.' Dat wordt ons vandaag gezegd op deze vierde dag van het Paasoktaaf. "Ontvangt het rijk dat voor u is gereed gehouden vanaf de grondvesting van de wereld" (Mt 25,34). Ontvangt het rijk? Dat wordt toch pas tegen ons gezegd, wanneer wij bij het laatste oordeel door God worden ontvangen bij zijn troon van glorie. En toch wordt het ons nu al gezegd. Blijkbaar leven wij nu al in de tijd van het oordeel. Ja, dat is ook zo, want het oordeel is al gemaakt door Jezus. Hij heeft afgerekend met de zonde en wij die Hem volgen, Hem gehoorzamen, zijn woord, zijn zelfgave ontvangen, zijn niet meer onder het gewone oordeel. Het is een uitsparing in de geschiedenis, of een vooruitgrijpen op de laatste geschiedenis binnen deze geschiedenis. Dat is eigenlijk eucharistie vieren. We worden van de gewone voorwaarden van tijd en ruimte losgemaakt om nu al te leven in de toekomst. De toekomst vooruit genomen!
Onze schuld is, dat wij die andere geschiedenis waarin wij nu zijn opgenomen, te weinig laten doordringen in onze gewone geschiedenis, omdat onze gewone geschiedenis voor ons de eigenlijke is. Maar zo is het dus niet. De geschiedenis van Jezus is de eigenlijke geschiedenis.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Op de eerste dag van de week waren er twee leerlingen van Jezus op weg naar een dorp,
dat Emmaüs heette en zestig stadiën van Jeruzalem lag.
Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen.

Terwijl zij zo aan het praten waren
en van gedachten wisselden,
kwam Jezus zelf op hen toe en liep met hen mee.
Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.
Hij vroeg hun:
“Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?”
Met een bedrukt gezicht bleven ze staan.
Een van hen, die Kléopas heette, nam het woord en sprak tot Hem:
“Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem,
dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?”
Hij vroeg hun:
“Wat dan?”
Ze antwoordden hem:
“Dat met Jezus de Nazarener,
een man die profeet was,
machtig in daad en woord
in het oog van God en heel het volk;
hoe onze hogepriesters en overheidspersonen
Hem hebben overgeleverd
om Hem ter dood te laten  veroordelen
en hoe zij Hem aan het kruis hebben geslagen.
En wij leefden in de hoop,
dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!
Maar met dit al is het reeds de derde dag
sinds die dingen gebeurd zijn.
Wel hebben een paar vrouwen uit ons midden
ons in de war gebracht;
ze waren in de vroegte naar het graf geweest,
maar hadden zijn lichaam niet gevonden
en kwamen zeggen,
dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad,
die verklaarden dat Hij weer leefde.
Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan
en zij bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden,
maar Hem zagen ze niet.”
Nu sprak Hij tot hen:
“O onverstandigen,
die zo traag van hart zijt
in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben!
Moest de Messias dat alles niet lijden
om in zijn glorie binnen te gaan?”
Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten
wat in al de Schriften op Hem betrekking had.

Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen,
maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan.
Zij drongen bij Hem aan:
“Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde.”
Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven.
Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij het brood,
sprak de zegen uit,
brak het en reikte het hun toe.
Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem,
maar Hij verdween uit hun gezicht.
Toen zeiden ze tot elkaar:
“Brandde ons hart niet in ons,
terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?”
Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug.
Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen.
Deze verklaarden:
“De Heer is werkelijk verrezen,
Hij is aan Simon verschenen.”
En zij van hun kant vertelden wat er onderweg gebeurd was
en hoe Hij door hen herkend werd
aan het breken van het brood.

Homilie  

“O onverstandigen, die zo traag van hart zijt."
Hoezo onverstandig? Ze waren nu net zo verstandig bezig geweest, ze waren aan het overleggen en wisselden van gedachten. En maar praten, ernstig en vervuld van zorg, begaan met de wereld en met de Kerk. Ze keren de feiten om en om en steeds weer lopen ze vast. Hoe is het toch mogelijk? "En we leefden in de hoop, we hadden nog zo gedacht, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!" Dat Hij de Messias zou zijn.

Maar één ding stond bij hen als een paal boven water: 'Zo gaan wij niet verder op deze weg, dit leidt tot niks.' En met de tekenen die erop zouden wijzen dat er toch iets zou zijn, daarmee rekenen zij af. "Wel hebben een paar vrouwen ons in de war gebracht." Lariekoek, vrouwenpraat, gebeuzel.
Wat moet je, als je iemand als gesprekspartner hebt, waarmee je onmogelijk door één deur kunt? Gefixeerd op hun gelijk, hun manier van kijken, hun logica, hun levenservaring, hun gezonde verstand en zich daarin gesteund weten door alle weldenkende mensen.
Ga je er meteen tegenin, dan geef je die anderen het gevoel dat je niet goed hebt geluisterd naar hun argumenten. Of erger, dat je zelf gefixeerd bent op een bepaalde zienswijze, waarin je nog helemaal alleen staat ook, want de wijsheid die Jezus aan hen moest verkopen was wel zo extreem, zo bizar, dat iemand wel heel veel welwillendheid moest opbrengen om dat überhaupt in zich toe te laten. Wat nu gedaan? Wat is wijsheid?

Eerst maar eens beginnen met niets te zeggen, en met maar eens een vraag te stellen: "Wat dan?" Maar beter nog is het om te luisteren, niet naar wát ze zeggen, maar te luisteren naar de geest waarin ze spreken, en dan vooral rustig blijven en niet meegaan met hun gevoelens. Wel je gesprekspartners bevestigen als personen, niet veroordelen, maar ook niet met hen meepraten. Het is goed om hun gevoel, hun zienswijze er eerst helemaal te laten zijn, om helemaal af te dalen met hen tot onder in de put. En pas als ze helemaal uitgepraat zijn, komt het moment waar alles van afhangt. Dat is het moment waar er voor Jezus een kans ligt.
Gaat u maar na: iemand komt bij een ander met zo'n verhaal aan, zo'n verhaal als waarmee die twee leerlingen op weg naar Emmaüs bij Jezus aankwamen. Heb je dat gehoord? Er is een aanslag gepleegd, daar en daar, er zijn zoveel gewonden, zoveel doden, allemaal onschuldige mensen, kinderen. Of: heb je al gehoord wat er in mijn familie is gebeurd? Er heeft zich een ernstige ziekte geopenbaard, bij die en die, er zijn tal van complicaties opgetreden, en er volgt een hele geschiedenis van onheil. Als je dat vertelt, verwacht je bij diegene aan wie je het vertelt een reactie, zoals: wat erg, wat verschrikkelijk, wat afschuwelijk.

Maar Jezus is niet zo. Het blijft eerst stil. Hij is betrokken, rustig, liefdevol, open en toch niet op dezelfde golflengte. Hij leeft mee, maar gaat er niet in onder. Hij gaat er ook niet tegenin, zo van: 'Het ligt allemaal heel anders, jullie zien het niet goed.' Nee, Hij zegt: 'Jullie zijn gelovige mensen en daarom kan Ik aankomen met de levenswijsheid van jullie volk, met de ervaring die jullie in de loop der eeuwen hebben opgedaan met God, met de ervaring die jullie hebben met lijden en sterven, met de gebeurtenissen van het leven.' Daarmee kan Jezus dus aankomen, omdat zij gelovige mensen zijn. Hij probeert hun te laten zien, dat bij alles wat zij van hun geloofsgeschiedenis weten en waaraan zij gehoorzamen, zij uiteindelijk toch niet goed geluisterd hebben. Dat "ze zo traag van hart zijn in het geloof aan alles wat de profeten hebben gezegd."

Jezus spreekt in de geest van: Jullie kennen de Schrift niet. Jullie kennen God, en daarop koersen jullie, maar Ik moet toch zeggen, dat een bepaalde trend in de openbaring jullie toch is ontgaan. Daar hebben jullie als het ware een blinde vlek voor; dat zie je steeds maar over het hoofd; daar lezen jullie altijd overheen. Trouwens, dat was ook al zo tijdens mijn onderrichtingen over het lijden van Mij. Zo gauw Ik daarover begon te spreken, was Ik mijn leerlingen kwijt. Je zag ze gewoon afwezig worden, de blik gericht op een punt in de verte, en wegdromen op eigen gedachten. Op zo'n moment kreeg Ik geen toegang, dan waren ze niet bij de les. Soms reageerden ze zelfs allergisch op wat Ik zei over het lijden van de Mensenzoon, over zijn verwerping.
Mijn tegendraadse opstelling in die dingen was jullie vreemd, die ging er niet in bij jullie. Ik toonde jullie de weg omlaag en jullie onder elkaar gingen de weg omhoog. Jullie maakten ruzie over wie de grootste was, tot in de zaal van het Laatste Avondmaal toe. Aan alles was te merken dat jullie het niet aan wilden nemen. Daarom moest eerst helemaal met Mij gebeuren hetgeen Ik voorspeld had, zodat jullie die weg die Ik moest gaan nu eens helemaal ten einde konden overzien, de totale afrekening met de wijsheid van de wereld. Dat de wijsheid van God het over een heel andere boeg gooit, dat het een heel ander soort wijsheid is, waarbij vergeleken het menselijk denken maar onnozelheid is.

Zo is Hij bij hen gebleven, in die gestalte, in die wereldvreemde gedaante, zijn Lichaam brekend om te delen, niet tot zelfbehoud, maar tot zelfverlies. Dát is de wijsheid van God om de wereld opnieuw op te bouwen, en dat ging er bij hen in: "Brandde ons hart niet in ons, terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot." Daar was hun hart gevoelig voor. Ze waren opeens niet meer tragen van hart. Ze waren niet meer gesloten, of doof van hart. Ze waren open en toegankelijk geworden, toegankelijk gemaakt door de heilige Geest.

Er is iets gebeurd in de diepte van hun menselijk wezen, in hun hart. Jezus heeft het hart opengemaakt, Hij heeft het hart snel gemaakt. "O onverstandigen, die zo traag van hart zijt." Het hart is als het ware tot nieuw leven gekomen. In de verlossing gaat het om je hart en dat hart is nu vol van kennis, vol van licht, zodat het ook in staat is om de duisternis waar te nemen, de duisternis van onze zonden en de gehechtheid aan onszelf.