Woensdag in het Paasoctaaf
Eerste lezing: Handelingen 3,1-10 [I 166]
Evangelie: Lucas 24,13-35 [I 167]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Juist die dag waren er twee van hen op weg naar een dorp,
dat Emmaüs heette en zestig stadiën van Jeruzalem lag.
Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen.
Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden,
kwam Jezus zelf op hen toe en liep met hen mee.
Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.
Hij vroeg hun: “Wat is dat voor een gesprek
dat gij onderweg met elkaar voert?”
Met een bedrukt gezicht bleven ze staan.
Een van hen, die Kleopas heette,
nam het woord en sprak tot Hem:
“Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem,
dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?”
Hij vroeg hun: “Wat dan?”
Ze antwoordden hem:
“Dat met Jezus de Nazarener, een man die profeet was,
machtig in daad en woord in het oog van God en heel het volk;
hoe onze hogepriesters en overheidspersonen
Hem hebben overgeleverd
om ter dood te worden veroordeeld
en Hem aan het kruis hebben geslagen.
En wij leefden in de hoop,
dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!
Maar met dit al is het reeds de derde dag,
sinds die dingen gebeurd zijn.
Zelfs hebben een paar vrouwen uit ons midden
ons in de war gebracht;
ze waren in de vroegte naar het graf geweest,
maar hadden zijn lichaam niet gevonden en kwamen zeggen,
dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad,
die verklaarden dat Hij weer leefde.
Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan
en bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden,
maar Hem zagen ze niet.”
Nu sprak Hij tot hen:
“O onverstandigen, die zo traag van hart zijt
in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben!
Moest de Messias dat alles niet lijden
om in zijn glorie binnen te gaan?”
Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten
wat in al de Schriften op Hem betrekking had.
Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen,
maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan.
Zij drongen bij Hem aan:
“Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde.”
Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven.
Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij het brood,
sprak de zegen uit, brak het en reikte het hun toe.
Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem,
maar Hij verdween uit hun gezicht.
Toen zeiden ze tot elkaar:
“Brandde ons hart niet in ons,
terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?”
Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug.
Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen.
Deze verklaarden:
“De Heer is werkelijk verrezen, Hij is aan Simon verschenen.”
En zij van hun kant vertelden wat er onderweg gebeurd was
en hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het brood.

Homilie
 

De Emmaüsgangers, zo heet het verhaal, vanwege het plaatsje waar ze naartoe liepen: "een dorp, dat Emmaüs heette en zestig stadiën van Jeruzalem lag." Maar dat was nu juist de verkeerde kant op. Ze liepen weg van Jeruzalem, ze keerden Jeruzalem de rug toe, ze liepen weg van de stad van lijden, dood en verrijzenis. Om Jeruzalem draait het hele evangelie van Lucas: het kleine evangelie van de kindheidsverhalen, met de opdracht in de tempel van Jeruzalem, met het verhaal van zijn achterblijven in de tempel van Jeruzalem en zijn teruggevonden worden in de tempel van Jeruzalem. En dan in het negende hoofdstuk die ingrijpende ommekeer van Jezus, toen Hij vastberaden zijn schreden richting Jeruzalem zette, een weldoordachte keuze. Heel het verdere evangelie bestaat uit verhalen van gebeurtenissen op de weg naar Jeruzalem, met de drie lijdensvoorspellingen als even zovele mijlpalen op die weg naar Jeruzalem.

Emmaüsgangers worden in dit verhaal Jeruzalemgangers. Ze worden door Jezus teruggehaald richting Jeruzalem. Nadat ze samen met Jezus een soort terugblik hebben gedaan naar de geschiedenis die zij niet konden verwerken, gaan ze uit zichzelf terug naar Jeruzalem.
Dat ze naar Emmaüs op weg gingen, weg van Jeruzalem, is niet het bijzondere, dat is het gewone. Zo was toch ook hun eerste reactie op Jezus' voorspellingen van zijn lijden in Jeruzalem: "De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der mensen … Zij begrepen die woorden wel niet - die voor hen omsluierd bleven, zodat zij het niet konden vatten - maar zij schrokken ervoor terug Hem hierover te ondervragen (Mc 9,31-32). Onmiddellijk daarop “kregen zij woorden over de vraag wie van hen wel de grootste was (9,34). Jezus gaat de richting omlaag, zij kiezen de richting omhoog. Jezus wil de kleinste zijn, zij hebben ruzie over wie de grootste is. En de derde lijdensvoorspelling: "Wij gaan nu naar Jeruzalem en daar zal de Mensenzoon aan de hogepriesters worden overgeleverd. Zij zullen Hem ter dood veroordelen ..." (Mt 20,17). Meteen daarop vragen de twee zonen van Zebedeüs aan Jezus om de ereplaatsen naast zijn troon van glorie. Toen de tien anderen dit hoorden werden ze kwaad op hen, Jezus gaat richting klein zijn, eerloos, slaaf worden en zij gaan richting groot worden, de eerste, de ereplaatsen. Geen wonder dus dat ze, nadat ze hadden meegemaakt wat Jezus voorspeld had, hetzelfde deden, weg van Jeruzalem, weg van Jezus' lijden en dood. Ze zetten er een punt achter. Hun vertrouwen is onherstelbaar geschokt, ze zijn gedesillusioneerd. Heel hun manier van doen en praten, hun manier van lopen, spreekt van depressie, een venijnige diepe depressie.

Hoe komt iemand die in een depressie verkeert, er weer bovenop? Hij moet praten. Maak van je hart geen moordkuil. Het moet eruit. En praten, dat deden de Emmaüsgangers. Drie, vier maal kort na elkaar staat er dat zij praten: "zij spraken over alles wat was voorgevallen ... terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden ... wat is dat voor een gesprek dat u met elkaar voert?" Maar praten op zich helpt niet. Het gaat erom met wíe je praat. Als degene met wie je praat dezelfde uitgangspunten heeft, zelf ook troosteloos is, dan help je elkaar alleen maar verder de put in. Zoek het in troosteloosheid nooit bij elkaar of bij jezelf. Zoek het bij Jezus. Want Jezus zoekt jou. Jezus laat hen het hele verhaal vertellen. Nog eens hetzelfde, maar nu aan een derde. Dan gebeurt er wat er in de communicatie altijd gebeurt: in het vertellen aan de ander, gaan zij het gebeuren zien door de bril van de ander aan wie zij het vertellen. Zij merkten bij het vertellen al iets bijzonders aan die vreemdeling. De ontvankelijkheid, het luisteren, het echt tot Zich laten doordringen van wat zij zeiden, dat verschrikkelijke verhaal, de onthutsing bij henzelf. Ten tweede: de rust waarmee Hij naar hen luisterde en waarmee Hij op het vertelde reageerde. Hij bleef er zo rustig bij. Toen zij het hele verhaal eruit hadden gegooid, verwachtten zij toch minstens een bevestigende reactie: wat verschrikkelijk! Dat had nooit mogen gebeuren! Maar het bleef stil. Stilte die is bedoeld om een openheid te scheppen voor de reactie van deze vreemdeling. Hij zei helemaal niet: 'wat erg!' 'wat vreselijk,' of: 'dat had nooit mogen gebeuren'. Integendeel, Hij zei: "onverstandigen die zo traag van hart zijt in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hadden! Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?"

Aan de hand van de Schriften, dat is de ervaring van het eigen volk, de verhalen van hun leiders in de woestijn, Mozes, en aan de hand van de profeten ten tijde van de ballingschap, liet Hij hen zien hoe zij hetzelfde hebben doorgemaakt en hoe zij dat lijden hebben gedragen, als een moeten van Godswege. En hoe dat dragen van het lijden de eigenlijke weg, de eigenlijk uittocht, de eigenlijke verlossing is.

Deze woorddienst wordt nu bezegeld in de eucharistie: Hij brak het brood en reikte het hun toe: "Dit is mijn Lichaam", gegeven, vrijwillig, teneinde toe. Dat is ons geloof: Jezus en wij op dezelfde weg.