Zaterdag 22 december 2007
Eerste lezing: 1 Samuël 1,24-28 [I 45]
Evangelie: Lucas 1,46-56 [I 46]


Inleiding  

Jezus zegt: als de mensen zeggen: Hier is uw God, hier is de Messias, gelooft het niet, gaat er niet heen, want als de Mensenzoon komt, als úw God komt, dan zal dat zijn als de opflitsende bliksem (Lc 17,23.24; vgl. Mt 24,23.26.27; Mc 13,21vv). Toch wordt er nu gezegd: Hier is uw God. We zullen het met Kerstmis opnieuw horen: "Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David. En dit zal voor u een teken zijn: …,” een teken van zijn goddelijkheid: “Gij zult een pasgeboren kind vinden, in doeken gewikkeld, liggend in een kribbe" (Lc 2,11.12). Dat teken is dus niet zijn heerlijkheid, nee, het is eerder zijn geringheid. Je hebt de grote glorie van God, van de grote God en je hebt de kleine glorie van God, van de kleine God. Van die kleine God willen wij zeggen: Hij is hier, Hij is binnen ons bereik. We kunnen Hem aanraken, we kunnen Hem zelfs doden. En dat Hij dat in liefde draagt, dát is zijn goddelijke glorie.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Bij haar bezoek aan Elisabeth sprak Maria:
“Mijn hart prijst hoog de Heer,
Van vreugde juicht mijn geest
om God mijn redder;
daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd.
En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig
omdat Hij die machtig is aan mij zijn wonderwerken deed,
en heilig is zijn Naam.
Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht
voor hen die Hem vrezen.
Hij toont de kracht van zijn arm;
slaat trotsen van hart uiteen.
Heersers ontneemt Hij hun troon,
maar Hij verheft de geringen.
Die hongeren overlaadt Hij met gaven,
en rijken zendt Hij heen met lege handen.
Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken,
gedachtig zijn barmhartigheid voor eeuwig
jegens Abraham en zijn geslacht,
gelijk Hij had gezegd tot onze Vaderen.”
Nadat Maria ongeveer drie maanden bij haar gebleven was,
keerde zij naar huis terug.

Homilie  

“Mijn hart prijst hoog de Heer. Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn Redder."
Maria barst uit in een jubelende, juichende vreugde. Het is de vreugde die over iemand kan komen als hij zichzelf heeft overwonnen, als hij dat wat hij zo vurig heeft verlangd en afgesmeekt, heeft losgelaten. Het is de vreugde die over iemand komt als hij gebeden heeft in overgave aan Gods wil.

Heeft men iets gekregen wat men nog niet heeft losgelaten, dan neemt men het gegevene in zijn bezit. Dan eigent men het zich toe als een bezitter: dat is van mij en dat wil ik graag zo houden. Maar omdat je nu eenmaal alles wat je hebt als mens ook weer moet afgeven, komt er over dat wat je je van de gaven van God hebt toegeëigend een schaduw te hangen. Een schaduw van: er is me iets gegeven, en straks pakken ze het me weer af. Loslaten moet je toch en daarom kun je ook niet echt dankbaar zijn als je krijgt wat je niet hebt gevraagd naar Gods wil. Je hebt het dan geëist, of liever: je was meer gefixeerd op dát wat je vroeg dan op de Persoon aan wíe je het vroeg. Je was zaakgericht en niet persoongericht. Ik wil dit, of ik wil dat.

Wat dit betreft kunnen we een voorbeeld nemen aan Hanna. God had haar schoot gesloten (1 Sam 1,5). Daarmee wordt eigenlijk gezegd dat haar onvruchtbaarheid werd beleefd in overgave aan God. Je kunt er moeite mee hebben, en ook zíj had het er moeilijk mee, maar ze aanvaardde het uit Gods handen. Ook haar man beleefde dat zo, want wanneer Elkana, haar man, "naar Silo ging om zich neer te buigen voor de Heer van de hemelse legerscharen en Hem offers te brengen, gaf hij aan zijn vrouw Peninna en aan haar zonen en dochters ieder een deel, maar aan Hanna, zijn andere vrouw, gaf hij nog een extra deel, want Hanna was zijn lievelingsvrouw, hoewel de Heer haar schoot gesloten hield" (1 Sam 1,3-6). En wanneer Hanna schreide omdat Peninna, haar mededingster, haar krenkte omdat de Heer haar schoot gesloten hield, zei Elkana: "Hanna, waarom schrei je? Waarom eet je niet en ben je zo bedroefd? Ben ik voor jou niet meer waard dan tien zonen?" (1 Sam 1,8). Elkana hield dus van Hanna, en niet als moeder van zijn kinderen, of omdat ze hem de vrucht van haar schoot kon geven, maar omwille van haarzelf, als persoon. Zo hield God van haar. En zo hield Hanna ook van God. Ze smeekte Hem een kind af, maar niet als iets om voor zichzelf te hebben, of om daarmee bijvoorbeeld haar mededingster in het huwelijk, Peninna, te kunnen aftroeven, zij smeekte om een kind als een teken van Gods persoonlijke welwillendheid voor haar. Ze smeekte letterlijk: "Heer, als Gij omziet naar de ellende van uw dienares en mij indachtig wilt zijn, als Gij uw dienares niet vergeet en haar een zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn hele leven aan de Heer afstaan" (1 Sam 1,11).

Hanna wilde dus niet een kind voor zichzelf, of om een trotse moeder van kinderen te zijn en daar nu eens van te genieten, of om te overtroeven, nee, zij bleef klein, want zij beschouwde een kind als een teken van Gods persoonlijke welwillendheid voor haar. En toen zij een zoon had gekregen, gaf ze hem dan ook de naam Samuël, dat betekent letterlijk: ik heb hem van de Heer afgesmeekt (1 Sam 1,10).
Ze had dus veel meer gekregen dan een kind alleen. Ze had gekregen wat Maria heeft gekregen, die God dankte "omdat Hij welwillend heeft neergezien op de kleinheid van zijn dienstmaagd." Dát had Hanna gekregen: de welwillendheid van God en daarvan was Samuël een teken. Samuël was niet die welwillendheid zelf, zoals moeders hun kind kunnen verafgoden, nee, hij was een teken van de welwillendheid van God. Dat wilde Hanna dan ook graag zo houden: de welwillendheid van God in dat kind, verbonden aan haar kleinheid, aan haar onvruchtbaarheid, aan haar gebrek en aan haar smadelijke toestand. Bij Elkana voelde ze zijn liefde in haar gebrek. "Ben ik voor jouw niet meer waard dan tien zonen? (1 Sam 1,8), en dat voelde ze ook bij God, daarom zei ze: “Om deze jongen heb ik gebeden en de Heer heeft mij gegeven wat ik van Hem heb afgesmeekt. Daarom sta ik hem aan de Heer af. Zolang hij leeft, blijft hij aan de Heer afgestaan" (1 Sam 1,27.28). Ze beschouwde het niet als haar kind, maar het ging haar erom dat Gods welwillendheid bleef terwijl zij dat kind afstond.

Maria had de gave van het moederschap al afgestaan nog voordat zij het had gekregen. Het voorrecht van elk Joods meisje, de moeder te kunnen worden van de Messias, daarvan had zij afstand gedaan. "Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?" (Lc 1,34). En het eerste wat Maria deed, - we vieren dat op twee februari: de opdracht van het Kind in de tempel, - was haar eersteling afstaan, het aan God opdragen in de tempel. Ze geeft het aan God terug. Zo is het gedurende heel haar leven gebleven. Steeds weer nam Jezus het moederschap van haar af. Bijvoorbeeld door achter te blijven in de tempel. En toen zij radeloos zoekend Hem tenslotte gevonden hadden en vroegen: "Kind, waarom hebt Ge ons dit aangedaan? gaf Hij als reden: “Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?" (Lc 2,48.49). God is mijn Vader. Jullie zijn niet mijn vader en moeder. God is de enige van wie Ik ben.

Ook bij de bruiloft van Kana zegt Jezus tot zijn moeder: "Vrouw, wat is er tussen u en Mij?” als Maria tegen Hem zegt: “Ze hebben geen wijn meer" (Joh 2,3.4). Het lijkt er op dat Jezus haar steeds weer vernedert. Toch is dat niet een omlaag drukken, maar de plaats wijzen waar ze in de werkelijkheid staat: de plaats van de genade. Ook wij staan op die plaats. Uit jezelf heb je niets. Dus niet het lichamelijke moederschap is het eigenlijke, nee, je hebt het moederschap van de genade en daarvoor moet het lichamelijke moederschap je steeds weer worden afgenomen, of gerelateerd worden aan het geestelijk moederschap en dat blijft dus in de vernedering. "Wie zichzelf vernedert, wie op de plaats in het niets gaat staan, op de plaats van genade, zal worden verheven" (Mt 23,12; vgl. Lc 14,11; 18,14).
Zo is Maria de moeder geworden van God, en zo is zij het gebleven. Dat maakte die jubelende vreugde in haar los: "Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God, mijn Redder."