Zaterdag in de derde week van Pasen
Eerste lezing: Handelingen 9,31-42 [I 196]
Evangelie: Johannes 6,60-69 [I 197]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die dagen zeiden velen van de leerlingen van Jezus:
“Deze taal stuit iemand tegen de borst.
Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?”
Maar Jezus,
die uit Zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden,
vroeg hun: “Neemt gij daar aanstoot aan?
Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen
naar waar Hij vroeger was...?
Het is de geest die levend maakt,
het vlees is van geen nut.
De woorden die Ik tot u gesproken heb,
zijn geest en leven.
Maar er zijn er onder u
die geen geloof hebben.”
Jezus wist inderdaad van het begin af aan
wie het waren die niet geloofden
en wie Hem zou overleveren.
Hij voegde er aan toe:
“Daarom heb Ik u gezegd
dat niemand tot Mij kan komen
als het hem niet door de Vader gegeven is.”
Tengevolge hiervan
trokken velen van zijn leerlingen zich terug
en verlieten zijn gezelschap.
Waarop Jezus aan de twaalf vroeg:
“Wilt ook gij soms weggaan?”
Simon Petrus antwoordde Hem:
“Heer, naar wie zouden wij gaan?
Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven
en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.”


Homilie  

Een bijna algehele aftocht. De grote massa ís al afgevallen, en uit de kleinere kring van zijn leerlingen hebben velen zijn gezelschap verlaten. Nu blijven er nog twaalf over. Eigenlijk is dat genoeg, want twaalf is niet zomaar een getal, maar het is het getal van de twaalf stammen, van de twaalf aartsvaders. Die twaalf zijn dus eigenlijk het hele volk. Dat hele volk, ieder van hen, maar ook ieder van ons, wordt voor de keuze gesteld. Wil je echt en wil je helemaal bij Hem horen? Want bij Mij, bij Jezus, is het: helemaal of helemaal niet, alles of niets. Dat is de moeilijkheid van er al bij horen. Waarom hoor je erbij? Ja, omdat je er nu eenmaal al bij hóórt. Maar dát er bij horen kan ook half, en wel zo dat je er innerlijk niet helemaal bij hoort.
Als er in een gemeenschap geen grenzen worden gesteld, als er geen regeltucht is, kunnen mensen uittreden zonder uit te treden. Ze kunnen helemaal van de oorspronkelijke geest vervreemd zijn, zonder dat ze daaruit de consequentie trekken en weggaan. Zo kan het zelfs voorkomen dat hele gemeenschappen, hele congregaties uittreden zonder uit te treden. De keuze moet dus steeds vernieuwd worden, of je er niet alleen van buiten maar ook van binnen, helemaal van harte, bij hoort. En óf je erbij hoort, óf je helemaal bij Hem hoort, kun je gewoonlijk merken aan het morren.

Eerst hadden de Joden gemord toen Jezus zei: Brood uit de hemel, dat ben Ik. "Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen" (Joh 6,35). Dat was een steen des aanstoots. Daarover werd gemord. Maar nu zijn het de leerlingen, de binnencirkel, die beginnen te morren en zich aansluiten bij een lange traditie van morren, van protest tegen God. In de woestijn morden de Israëlieten tegen God.

Wat is nu het aanstootgevende? 'Ergert jullie dat', vraagt Jezus, 'wat Ik gezegd heb over mijn vlees eten, mijn bloed drinken?' "Neemt gij daar aanstoot aan?" Hij neemt eerst een voor de hand liggende reden van ergernis weg: je moet dat natuurlijk niet vleselijk verstaan, op de wijze van kannibalisme, want "het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut.” … “De woorden die Ik tot u gesproken heb, over dat vlees eten, zijn geest en leven”, maar als je daar dan toch aanstoot aan neemt dan … “als jullie dan de Mensenzoon zien opstijgen naar waar Hij vroeger was ...?" Jezus maakt zijn zin niet af. Die zou je kunnen aanvullen met: wat zullen jullie dán wel niet zeggen? Hoe zullen jullie dán wel niet geërgerd zijn; wat zullen jullie dán wel niet morren? Dan zal de ergernis pas goed gestalte krijgen, vorm krijgen, want met het opstijgen van de Mensenzoon wordt bedoeld: zijn omhoog geheven worden aan het kruis, zoals Mozes eens de slang ophief.

Het schandaal is dat de graankorrel in de aarde valt en moet sterven om vrucht te kunnen leveren (Joh 12,24). Zo moest het met Jezus gaan. De ergernis van Jezus' koningschap is dat zijn troon de schandpaal is van een ter dood veroordeelde. Dat gaat er bij de mensen niet in. Dan steekt het gemor de kop op, en dat is het tegendeel van luisteren. "Deze taal stuit iemand tegen de borst." Wie kan daar nu naar luisteren? Wie wil dat woord nu horen? Dat is duidelijk een blijk van ongeloof, van ongeloof in Jezus en in zijn werk.

Maar het eindigt gelukkig niet met ongeloof. God zij dank! "Wilt ook gij soms weggaan?” … “Heer, naar wie zouden wij gaan?" Dat is een geloofsuitspraak! Ze zeggen niet: 'naar wie zou ik gaan?', of: 'we zijn nu eenmaal een groep die bij elkaar hoort.' Nee, het is echt een geloofsuitspraak. Want dit wij is het wij van de Kerk.
Eigenlijk zouden zij en ook wij uit elkaar moeten vallen. De Kerk in onze samenleving wordt door zoveel middelpuntvliedende krachten uiteen getrokken, dat ze eigenlijk niet kan overleven. Dat de Kerk het wel overleeft, dat wij hier zijn, komt niet door eigen kracht, niet door eigen verdiensten, maar dat komt doordat we worden bijeengehouden door Iemand buiten onze groep: door Jezus. "Gij hebt woorden van eeuwig leven." U trekt ons door alle verleidingen en dieptepunten heen.