Eerste lezing: Handelingen 4,13-21
Evangelie: Marcus 16,9-15
Inleiding
'De Heer heeft zijn volk een blijde uittocht geschonken, zijn uitverkorenen heeft Hij laten gaan met vreugde en jubel.'
Dat is eigenlijk iets opvallends. Want als volkeren een uittocht wordt gegeven, bevrijding uit hun onderdrukkend regime, uit hun economische armoede, als mensen op de een of andere manier uit hun onwaardig bestaan worden bevrijd, dan krijg je een nieuw regime, en een nieuwe onderdrukking. Meestal vallen ze daarbij van de regen in de drup en gaat de blijdschap om de bevrijding al spoedig over in droefheid om een nieuwe onderdrukking, een nieuwe heerschappij, waardoor ze er soms nog slechter aan toe zijn. Maar 'de Heer heeft zijn volk een blijde uittocht geschonken, zijn uitverkorenen heeft Hij laten gaan in vreugde', omdat ze van dienaren van de farao, een slavendienst, dienaren waren geworden van de Heer, een herendienst, zoals gisteren al gezegd is, waardoor hun menselijke waardigheid niet meer werd onderdrukt, maar zelfs tot volle ontplooiing kon komen.
Dat is ons heilig geloof, dat is ook wat er aan ons gebeurd is. We zijn opnieuw bevestigd in de dienst van de Heer onze God, en Hij geeft ons een nieuw hart en een nieuwe geest, kortom: een nieuw leven.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Nadat Jezus in de vroege morgen
van de eerste dag van de week verrezen was,
verscheen Hij het eerst aan Maria Magdalena,
uit wie Hij zeven duivels had uitgedreven.
Deze ging het vertellen
aan hen die zijn metgezellen waren geweest
en nu rouwden en weenden.
Maar toen die hoorden,
dat Hij leefde en door haar gezien was,
geloofden zij het niet.
Daarna verscheen Hij in een andere gedaante
aan twee van hen,
toen dezen te voet op weg waren naar buiten.
Nadat dezen teruggekeerd waren,
vertelden ze het aan de overigen,
maar zelfs zij werden niet geloofd.
Later verscheen Hij aan de elf
terwijl zij aan tafel aanlagen.
Hij maakte hun een verwijt van hun hardnekkig ongeloof,
omdat zij geen geloof hadden geschonken aan degenen
die Hem gezien hadden, nadat Hij verrezen was.
Daarop sprak Hij tot hen:
Gaat uit over de hele wereld
en verkondigt het evangelie aan heel de schepping.
Homilie
Hij maakte hun een verwijt van hun hardnekkig ongeloof." Niet van hun ongeloof, maar van hun hardnekkig ongeloof maakte Jezus de leerlingen een verwijt, omdat zij geen geloof hadden geschonken aan degenen die Hem gezien hadden, nadat Hij verrezen was. De eerste aan wie Jezus verschenen was in de vroege morgen van de eerste dag van de week, was Maria Magdalena. Toen zij van haar hoorden dat Jezus verrezen was, "dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden zij het niet."
Het was dan ook heel wat haar te moeten geloven op haar woord, haar getuigenis berustte eigenlijk alleen op de geloofwaardigheid van haar persoon. Nu wás ze ook wel geloofwaardig, want ze was veranderd, veranderd door Jezus, want er staat: "Uit wie Hij zeven duivels had uitgedreven." Op grond van wat Jezus aan haar had gedaan, was zij een betrouwbare getuige geworden, maar toch werd zij niet geloofd, ofschoon er nog een andere verandering was bijgekomen. Maria Magdalena was werkelijk een andere vrouw geworden. Ze straalde een zekerheid uit, een zekerheid die in haarzelf was ontstaan en die niet meer afhankelijk was van bevestiging of ontkenning door anderen. Ze moest van Jezus' verrijzenis getuigen of ze haar nu wilden horen of niet. Dat constateerde ze bij zichzelf.
In de eerste lezing hoorden we, hoe ook het Sanhedrin de leerlingen verbood nog ooit iets te zeggen of te leren met een beroep op Jezus' Naam. "Petrus en Johannes gaven hun echter ten antwoord: Oordeelt zelf of het voor God te rechtvaardigen zou zijn als wij meer naar u luisterden dan naar God. Het is voor ons onmogelijk niet te spreken over hetgeen wij gezien en gehoord hebben." Het getuigen komt van binnenuit, het maakte deel uit van hun wezen, van hun ademhaling, ze konden er gewoon niet mee ophouden. Al zouden ze willen, ze kregen het niet voor elkaar te zwijgen. Ze waren echt andere mensen geworden. Dat was ook de eerste indruk die de mensen van het Sanhedrin van hen hadden gekregen: "De hogepriesters, de oudsten van het volk en de schriftgeleerden stonden verbaasd toen zij de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen." Wat waren zíj veranderd! Veranderd van bange mensen, die de deuren gesloten hielden uit vrees voor de Joden, in vrijmoedige mensen, die iets weg hadden van een kind dat helemaal zeker is van de liefde van zijn ouders, dat zich helemaal aangenomen en bevestigd weet en daarom helemaal niet bang is voor straf of voor geweld. Zo waren de leerlingen als het ware opnieuw geboren, als vrijmoedige kinderen, met een zekerheid die God als een volwassen plant in hun hart had gepoot.
Mensen kunnen echt veranderen. Zo waren ook de Emmaüsleerlingen veranderd. Wat waren ze in eerste instantie uitgeblust en wanhopig, en hoe waren zij, die eerst zo traag van hart waren, niet veranderd. "Brandde ons hart niet in ons, constateerden ze zelf, terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften verklaarde? (Lc 24,32). Ze stonden onmiddellijk op, het moet midden in de nacht geweest zijn, en keerden naar Jeruzalem terug" om te getuigen van wat ze hadden meegemaakt; hun voeten hadden vleugels gekregen. Ze wisten zeker dat hun zekerheid in alle noden overeind zou blijven. Maar zelfs zij werden niet geloofd. Geen wonder dat Jezus hun een verwijt maakt van hun hardnekkig ongeloof, dat zij die verandering gewoon niet zagen, dat zij te doen hadden met andere mensen, dat Jezus hen door zijn verrijzenis anders had gemaakt.
Een ontmoeting met de verrezen Heer, daar wordt iemand anders van. Met veranderen daar bent u (de zusters van priorij Nazareth) uw hele leven mee bezig. Daar hebt u zelfs een gelofte voor afgelegd, de gelofte van bekering, van verandering, van verbetering van de zeden. Maar wij allemaal moeten andere mensen worden. Dat lukt je niet uit jezelf, dat is een onmogelijkheid, dat is zoiets als je aan je eigen haren omhoog trekken. Je moet eerst een punt vinden van waaruit je verandert, je hart zelf moet veranderd worden en dat kun je niet alleen. Maar dat hoef je ook niet alleen te doen. De leerlingen zijn veranderd door Jezus, door zich voor Jezus open te stellen en zo een nieuw hart en een nieuwe geest te ontvangen.
Dat is wat wij in ieder sacrament en in ieder gebed mogen doen. Dan ontstaat er een ontmoeting, een eenheidservaring met Jezus zelf. Dat wij dat ook nu weer opnieuw aan ons mogen laten gebeuren door ons hart ervoor open te stellen.