Eerste lezing: Handelingen 4,13-21 [I 172]
Evangelie: Marcus 16,9-31 [I 173]
Inleiding
'De Heer heeft zijn volk een blijde uittocht gegeven; Hij heeft zijn uitverkorenen laten heengaan met vreugde.' Wat was daar nu zo verblijdend aan, behalve dan dat ze van een onderdrukkend regime waren bevrijd? Ze waren immers naar een ander regime overgegaan, namelijk: van dienaren van de Farao naar een volk dat God diende, een volk waarover God kon heersen als koning. Maar God heerst zó dat de menselijke waardigheid ongeschonden blijft, ja, dat de mens zelfs in zijn waardigheid groeit, door de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods. Je bent dus dienend kind van God, maar toch helemaal vrij. Een vrijheid waarin de diepste mogelijkheden van je menselijk wezen tot hun recht komen. Naar dát regime, naar die heerschappij zijn zij overgegaan en dát was de reden van hun blijdschap.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Nadat Jezus in de vroege morgen
van de eerste dag van de week verrezen was,
verscheen Hij het eerst aan Maria Magdalena,
uit wie Hij zeven duivels had uitgedreven.
Deze ging het vertellen
aan hen die zijn metgezellen waren geweest
en nu rouwden en weenden.
Maar toen die hoorden, dat Hij leefde
en door haar gezien was, geloofden zij het niet.
Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen,
toen dezen te voet op weg waren naar buiten.
Nadat dezen teruggekeerd waren,
vertelden ze het aan de overigen,
maar zelfs zij werden niet geloofd.
Later verscheen Hij aan de elf
terwijl zij aan tafel aanlagen.
Hij maakte hun een verwijt van hun hardnekkig ongeloof,
omdat zij geen geloof hadden geschonken
aan degenen die Hem gezien hadden, nadat Hij verrezen was.
Daarop sprak Hij tot hen: Gaat uit over de hele wereld
en verkondigt het evangelie aan heel de schepping.
Homilie
De hogepriesters, de oudsten van het volk en de schriftgeleerden stonden verbaasd toen zij de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen", hoorden we voorlezen in de eerste lezing. Verbaasd over het teken dat een lamme die zijn eigen benen niet kon gebruiken, nu springend en dansend de tempel binnenging als iemand die uiterlijk was bevrijd van de banden die zijn lichaam bonden. Maar toen de apostelen, op wier woord dit wonder was geschied door een beroep te doen op de Naam van Jezus, door de autoriteiten ter verantwoording werden geroepen, maakten zij nog een ander wonder mee: een bevrijding, een geestelijke bevrijding: vrijmoedigheid.
Over deze vrijmoedigheid van Petrus en Johannes stonden zij verbaasd als over een wonder. Het wás ook een wonder! Johannes en Petrus waren veranderd! Er was iets in hen opgestaan, de kleinmoedigheid voorbij. Want zoals zij zich eerst, voordat Jezus kwam, hadden opgesloten achter gesloten deuren uit vrees voor de Joden, een slaafse levenshouding hadden tegenover mensen, tegenover gezagsdragers, zo vrijmoedig waren ze nu. Luister hoe ze zeggen: "Het is voor ons onmogelijk om niet te spreken over hetgeen wij gezien en gehoord hebben. 'U hoort het zelf. Is het goed om aan de woorden van mensen meer te gehoorzamen dan aan de woorden van God?' Is het voor God te rechtvaardigen als wij meer naar u luisterden dan naar God?" 'Dat is voor ons onmogelijk. We staan onder een innerlijk dictaat, onder een innerlijk moeten, onder een inwendige stem.'
Dát is het verrijzeniswonder dat aan de apostelen is gedaan. De wonderen van het hart zijn zoveel groter dan de wonderen van het lichaam. En van dát wonder hebben ze getuigenis afgelegd. Niet door wat ze deden, maar door wat ze waren. Door wat ze waren gewórden: bevrijd, innerlijk bevrijd van vrees.
Verbaasd waren ze daarover. Misschien bent u zelf ook wel eens verbaasd geweest hoe u, op het moment dat u moest getuigen, dat aandurfde. Tegen die vrijmoedigheid van Petrus en Johannes en tegen de bijval van het volk waren de hogepriesters en de oudsten niet opgewassen. "Met het oog op het volk wisten ze niet hoe ze hen moesten straffen."
De kracht van God in de mensen, een geestelijke kracht, een innerlijke kracht, dat was het teken. Maar u weet: tekenen dienen om te kunnen geloven, maar het is nooit zo dat ze dwingen om te geloven. Dan zijn het geen tekenen meer, dan zijn het bewijzen. En het geloof laat zich niet bewijzen, het bewijst zichzelf.
In het evangelie worden ons ook zulke tekenen geschetst. Tekenen gedaan aan Maria Magdalena, aan die twee leerlingen die terugkeerden, aan de elf terwijl ze aan tafel aanlagen. Verhalen met woorden, maar nog veel meer gaat het om heel hun wezen, om heel hun uitstraling. Ze waren zelf verrezen, ze waren andere mensen geworden. Maria Magdalena was, nadat ze de Heer had gezien, anders geworden en dat straalde ze uit. En die twee Emmaüsleerlingen, u weet toch nog wel hoe die, al pratende met elkaar, uit Jeruzalem waren weggegaan, zó mismoedig, zó teleurgesteld, zó gedeprimeerd, zó down, dat die vreemdeling hen vroeg: 'Wat is er toch aan de hand met jullie? Waar hebben jullie het over?' En hoe ze met een bedrukt gezicht bleven staan en zeiden: "Wij leefden in de hoop dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen." Hoe al hun hoop was uitgeblust. Ze zagen het als het einde van alles. Er kan nooit meer iets van komen; de laatste hoop was hun uit handen geslagen. En hoe ze, na Jezus herkend te hebben, teruggingen naar Jeruzalem, veranderd, brandend, maar die anderen zagen die verandering niet, dat teken was voor hen geen bewijs, geen doorslaggevend bewijs.
Wat Jezus je doet, zal voor anderen een teken zijn. Het zal voldoende zijn voor anderen om te kúnnen geloven, maar het is nooit dwingend zodat ze wel móeten geloven. Wij brengen een mens tot geloof in Jezus' verrijzenis, tot de waarheid van het evangelie, door de woorden die wij spreken, door wat wij zeggen, maar daarbij is het inwendige getuigenis van wie wij zijn noodzakelijk.
Wie zijn we dan? Wij zijn geen mensen die het geloof verliezen als niemand meer gelooft, als niemand er meer iets in ziet. En dat dát ons niets doet, dat we het prima vinden om de enig overgeblevene te zijn, dat we daar heel rustig bij blijven. Díe rust is een geloofwaardig teken.
Ontvang Hem dan met grote eerbied als Hij straks zelf komt hier aan deze tafel, zoals Hij verschenen is aan de elf toen zij aan tafel aanlagen. Ontvang Hem met grote eerbied en Hij zal u zó overtuigen dat u ook overtuigend overkomt bij anderen.