Overweging uit het boek “Mij geschiede naar uw woord”

                                    Meditaties bij de zondagsevangelies

 

NEGENTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR B

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS

De Joden morden over Jezus,
omdat Hij gezegd had:
Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald,
en zij zeiden:
“Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef,
en kennen wij zijn vader en moeder niet?
Hoe kan Hij dan zeggen:
Ik ben uit de hemel neergedaald?”
Maar Jezus sprak tot hen:
“Mort toch niet onder elkaar.
Niemand kan tot Mij komen,
als de Vader die Mij zond, hem niet trekt;
en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.
Er staat geschreven bij de profeten:
En allen zullen door God onderricht worden.
Al wie naar de leer van de Vader geluisterd heeft,
komt tot Mij.
Niet dat iemand de Vader gezien heeft:
alleen Degene die uit God is, heeft de Vader gezien.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
wie gelooft heeft eeuwig leven.
Ik ben het brood des levens.
Uw vaderen die het manna hebben gegeten
in de woestijn,
zijn niettemin gestorven;
maar dit brood daalt uit de hemel neer,
opdat wie ervan eet, niet sterft.
Ik ben het levende brood
dat uit de hemel is neergedaald.
Als iemand van dit brood eet,
zal hij leven in eeuwigheid.
Het brood dat Ik zal geven,
is mijn vlees,
ten bate van het leven der wereld.”  

Johannes 6, 41-51

Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem die mij te eten geeft. Ik hoef er niets voor te doen. Alleen maar komen en luisteren: “Komt allen die dorst hebt, hier is water; en gij, die geen geld hebt, komt, koopt koren en eet zonder geld” (Jes 55,1). Alles loslaten waarvan ik niet echt kan leven: “Waarom besteedt gij geld aan wat geen brood is? … Luistert aandachtig naar Mij en gij zult eten wat goed is, en uw honger stillen met uitgelezen spijs. Neig uw oor en komt naar Mij, luistert en gij zult leven; een eeuwig verbond zal Ik met u sluiten” (Jes 55,2-3).

Een paar passen vóór de plaats waar ik wil bidden, blijf ik staan en breng ik mij zijn tegenwoordigheid te binnen, zodat ik niet alleen hoor wát Hij zegt, maar me ook bewust ben van Wie ik dit hoor. Want het geheim is nu juist dat Hij niet alleen woorden zegt, maar zelf het Woord is; en dat Hij niet alleen spijs geeft, maar zelf de spijs ís. Ik kan mij dit onvoorstelbare nog het gemakkelijkste voorstellen door de blik omhoog te richten, naar de hemel waaruit het brood dat Jezus is, is neergedaald en steeds weer neerdaalt. Ik krijg dit brood dat Jezus is, van de hemelse Vader. In het besef van die huiveringwekkende afstand die God met zijn liefde overbrugt, maak ik een gebaar van eerbied.

Dan neem ik de houding van het gebed aan, een houding waarin eerbied en vertrouwen worden uitgedrukt, afhankelijkheid en ontvankelijkheid voor God. In deze houding vraag ik de genade dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik overzie als in vogelvlucht de geschiedenis van het geheim waarin Hij me wil betrekken. Na de broodvermenigvuldiging houdt Jezus, in samenspraak met de Joden, een rede over de betekenis van het wonder. Het wonder wilde een openbaring zijn van zijn wezen, van zijn betekenis voor ons: Hij is het brood en wel het echte brood, het brood waarvan je pas echt leeft.

In dit gedeelte van het gesprek spreken de Joden hun ergernis uit over het beroep dat Jezus doet op zijn goddelijke afkomst terwijl zij zijn aardse vader en moeder kennen. Jezus is hemels en aards tegelijk. Hij heeft een plaats in de hemel en een plaats op aarde. Om zo dicht mogelijk bij dit geheim te komen, moet ik mij de plaats voor ogen stellen: “de synagoge van Kafarnaüm” en de plaats waar ik gewend ben de eucharistie te vieren, de plaats waar Hij mij zijn “vlees” geeft “ten bate van het leven der wereld”. Daarom is Jezus aan het kruis hier ook een passende plaatsvoorstelling. Zie na blz. 504 en 936.

Het gebed is een genade die je moet ontvangen. Je kunt die genade niet zelf pakken. Om de genade van het gebed te kunnen ontvangen, is een houding van ontvankelijkheid nodig. Dat is de zin van het vragen om de bijzondere genade: een innerlijke kennis van Christus onze Heer, een kennis die Hij in dit geheim aan de Joden heeft geopenbaard en nu ook mij wil geven.

De Joden morden over Jezus, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald, en zij zeiden: “Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, en kennen wij zijn vader en moeder niet? Hoe kan Hij dan zeggen: Ik ben uit de hemel neergedaald?”

Morren is de levenshouding van de mens die niet wil geloven, die zich niet gewonnen wil geven aan Gods leiding. De morrende mens voelt zich wel aangesproken door God, maar hij voelt er niets voor zijn aardse aanspraken op te geven. Het “morren” hoort thuis in de woestijn: “Het volk begon te morren tegen Mozes en vroeg: Wat moeten we drinken?” (Ex 15,24); “Toen ze in de woestijn waren, begon heel de gemeenschap van de Israëlieten te morren tegen Mozes en Aäron. De Israëlieten zeiden tegen hen: Waren we maar door de hand van de Heer gestorven in Egypte, waar we bij de vleespotten zaten en volop brood konden eten. Jullie hebben ons alleen maar naar de woestijn gebracht om al deze mensen van honger te laten omkomen” (Ex 16,2-3). Zo’n tegenvaller als de woestijn is ten opzichte van Egypte, zo’n tegenvaller is Jezus voor de Joden en nog veel erger. Jezus biedt Zichzelf aan als “levend water”, maar wat zij zien is een hulpbehoevende mens die zelf eens van dorst zal versmachten: “Ik heb dorst … Toen Jezus van de zure wijn genomen had, zei Hij: het is volbracht” (Joh 19,28.30). Hij presenteert Zichzelf als het levende brood, ze zouden nooit meer hoeven te hongeren. Maar ze zien alleen maar Jezus , “de zoon van Jozef”. De mensen vinden Jezus veel te aards, te nuchter, te ontnuchterend voor brood uit de hemel. Het “morren” vindt ook in mij plaats, wanneer ik opstandig ben over het verborgen karakter van Gods aanwezigheid in deze wereld, dat Hij het toelaat dat de kerk in de marge van het wereldgebeuren wordt gedrongen, dat Hij in het gebed, in de heilige Communie mij aan mijn eigen gevoelens overlaat, dat Hij mij niet over mijn gebreken heen helpt, enz.

Maar Jezus sprak tot hen: “Mort toch niet onder elkaar. Niemand kan tot Mij komen, als de Vader die Mij zond, hem niet trekt; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Er staat geschreven bij de profeten: En allen zullen door God onderricht worden. Al wie naar de leer van de Vader geluisterd heeft, komt tot Mij.”

Als je Jezus alleen met aardse ogen beziet, valt Hij tegen. Om werkelijk te kunnen doordringen in het beloofde land en het zolang te kunnen volhouden in de woestijn die Jezus voor de aardse en vleselijk levende mens is, daarvoor is het nodig je door de Vader te laten sturen. Jezus is Iemand bij wie je alleen maar kunt komen, als de Vader zelf het je ingeeft: “Niemand kan tot Mij komen, als de Vader die Mij zond, hem niet trekt” (Joh 6,44). Al wie naar de leer van de Vader geluisterd heeft, komt tot Mij” (Joh 6,45). “Niemand kan tot Mij komen, als het hem niet door de Vader gegeven is” (Joh 6,65). Met andere woorden, Jezus zegt: Ik ben niet aantrekkelijk. Eén keer zal Jezus van Zichzelf zeggen, dat Hij wél aantrekkelijk is: “Wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal Ik allen tot Mij trekken” (Joh 12,32). Aan het kruis. Als Jezus, menselijk gesproken, helemaal niets aantrekkelijks meer heeft, dan zal Hij allen tot Zich trekken met de kracht van zijn Vader. Dat betekent voor de omgang met Hem, dat men zich niet moet fixeren op wat men voelt of ervaart of denkt te kunnen begrijpen. Men moet zich alleen maar laten leiden door het geloof, door dat wat de Vader in iemand legt. Anders is men niet opgewassen tegen de ontnuchterende werking die er van zijn verschijning uitgaat: “Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef?” Lijkt dit niet op gewoon brood? Ze maken er zo niks van; er gaat zo helemaal niets van uit!

“Niet dat iemand de Vader gezien heeft: alleen Degene die uit God is, heeft de Vader gezien.”

Hiermee wil een foutieve interpretatie van dat onderricht door God worden uitgesloten. God spreekt niet rechtstreeks tot de mens. Buiten de Zoon heeft niemand een rechtstreekse relatie met God: “Niemand heeft ooit God gezien; de Eniggeboren Zoon die in de schoot des Vaders is, Hij heeft Hem doen kennen” (Joh 1,18). Daarom kunnen wij het in onze verhouding met God niet zonder Jezus stellen. In Jezus hebben wij een rechtstreeks-onrechtstreekse relatie met de Vader: “Wie Mij ziet, ziet de Vader” (Joh 14,9). Jezus is het sacrament voor onze ontmoeting met God. Omdat wij in Jezus onmiddellijk met God verbonden zijn, hebben wij ook het leven van God: eeuwig leven.

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie gelooft, heeft eeuwig leven. Ik ben het brood des levens. Uw vaderen die het manna hebben gegeten in de woestijn, zijn niettemin gestorven; maar dit brood daalt uit de hemel neer, opdat wie ervan eet, niet sterft. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid.”

Wat God ons wil geven in dit brood dat Jezus is, wordt aangeduid met het woord “leven”, veelal met de toevoeging “eeuwig”, om daarmee de hemelse of goddelijke kwaliteit van dit leven aan te geven: “eeuwig leven” of “leven in eeuwigheid”. Elk mens heeft dus twee soorten levens: het gewone, aardse leven en het hemelse leven door de verbondenheid met Jezus. Het kan zijn dat iemand leeft in één opzicht en dood is in het andere: “gij ( de kerk te Sardes) hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood” (Apoc 3,1). Dan zijn mensen levend dood. De grote scheidslijn voor de christen is niet de dood, maar de vereniging met Jezus. Door de band met Hem heb je vóór en na de dood hetzelfde soort leven.

“Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.”

Het brood dat ons leven geeft, betaalt Jezus met zijn dood. Zijn vlees is offervlees: “Het Woord is vlees geworden” (Joh 1,14). Door zelf op aardse wijze te sterven, voorkomt Hij dat wij op geestelijke wijze sterven. Waar komt die grote vruchtbaarheid van zijn dood vandaan? Van het feit dat Jezus in zijn dood vrijwillig en uit liefde het allerlaatste geeft. De brandende vuur­oven van liefde waar God van alle eeuwigheid uit leeft, wordt voor de mens toegankelijk door Jezus’ dood. Wanneer wij van dit eucharistische Brood eten, wordt Jezus’ bestaanswijze en vooral Jezus’ sterfwijze ons eigendom.

Dit houdt in, dat wij ons niet door gevoelens van wrok, antipathie, weerzin, kwaadheid, afwijzing door anderen enz. laten leiden. Zo kan ook ons offer, in vereniging met Jezus’ offer, de wereld leven geven.

Het gebed met zorg afsluiten, zodat in de overgang naar het gewone leven niets van de gewonnen levenskracht verloren gaat. Een gesprek voeren  met Jezus, als vrienden onder elkaar. Ik mag met Jezus dezelfde intimiteit hebben als Hij met de Vader heeft: “Ik in hen en Gij in Mij” (Joh 17,23). Daarom ook altijd sluiten met een gesprek met de Vader. De Vader trekt mij naar Jezus. Jezus stuurt mij weer door naar de Vader. Bij de Vader mijn hart uitstorten. Een Onze Vader bidden.

Dan wat afstand nemen om beter te kunnen onderscheiden hoe ik door de verschillende geesten werd geleid:

1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen laat ik me leiden door een andere geest dan die van Jezus. Daar is gemor, onvrede. Ik luister dan naar andere stemmen dan die van de Vader.

2. Waar waren we wel bij elkaar? Waren er momenten dat zijn woorden er bij me ingingen?

3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Het is leeftocht voor onderweg, om de moeilijkheden van de komende tijd beter aan te kunnen.