Overweging uit het boek “Mij geschiede naar uw woord”

                                    Meditaties bij de zondagsevangelies

 

ZESTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR B

 

UIT HET HEILIG EVANGELIE VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS

In die tijd voegden de apostelen zich bij Jezus
en brachten Hem verslag uit
over alles wat zij gedaan en onderwezen hadden.
Daarop sprak Hij tot hen:
“Komt nu eens zelf mee
naar een eenzame plaats om alleen te zijn
en rust daar wat uit.”
Want wegens de talrijke gaande en komende mensen
hadden zij zelfs geen tijd om te eten.
Zij vertrokken dus in de boot naar een eenzame plaats
om alleen te zijn.
Maar velen zagen hen gaan
en begrepen waar Hij heenging;
uit al de steden kwamen mensen te voet daarheen
en ze waren er nog eerder dan zij.
Toen Jezus aan land ging,
zag Hij dan ook een grote menigte.
Hij voelde medelijden met hen,
want zij waren als schapen zonder herder;
en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.
Marcus 6, 30-34

Bidden is ingaan op Jezus’ uitnodiging: “Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit.” De rust komt over ons wanneer wij ons onttrekken aan de velen die onze aandacht opeisen en wij Jezus een unieke kans geven Zich aan ons mee te delen. Dus eerst mijn geest laten rusten bij Hem.

Een paar passen voor de plaats waar ik ga bidden, staande een ogenblik me zijn aanwezigheid te binnen brengen, zijn waakzaam herdersoog op me laten rusten. Mij klein maken in een gebaar van eerbied.

De houding van het gebed aannemen, een houding die mij helpt me bewust te blijven van zijn waakzame, herderlijke zorg voor mij. Dat vraag ik dan ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik overzie de geschiedenis, opdat dit geheim beter aan mij kan geschieden: Jezus heeft zijn apostelen “twee aan twee” uitgezonden. Nu keren zij van die zendingsreis terug en brengen verslag uit van hun bevindingen, als van een stage, dat is: een voorlopige opdracht. Door de gaande en komende mensen kan Jezus hen onvoldoende opvangen. Hij vindt het nodig dat zij zich aan al die drukte onttrekken, zodat Hij de Enige is van Wie zij leven. Dat is ook wat de menigte mag meemaken: in de woestijn leven van Jezus alleen, die Zich openbaart als de herder die God in het vooruitzicht heeft gesteld. De woeste, onherbergzame oorden van mijn leven hebben een diepere zin. Ik moet daar niet van weglopen. Ook in het gebed kan mij leegte overkomen. Daarvan niet weglopen door bijvoorbeeld mooie gedachten te zoeken.

De plaats: vanuit de vele plaatsen waarheen zij waren uitgezonden, terug bij Jezus en samen met Hem in de eenzaamheid, een woeste, onherbergzame plaats. Ook de lege plaatsen in het eigen leven bezien, de plaatsen van het menselijk tekort, de onvruchtbaarheid.

De eigenlijke inzet van het gebed is een betere kennis te verkrijgen van Jezus Christus, onze Heer, van zijn heilig hart, door medelijden bewogen. Verlang ik daarnaar? Dat is dan zelf al een genade en een voorbode dat mij die bijzondere genade ook inderdaad gegeven zal worden. Tenminste als ik daar nu nederig om vraag.

In die tijd voegden de apostelen zich bij Jezus.

Waar zouden de apostelen anders naartoe moeten dan naar Jezus? Jezus was de reden van hun bestaan. Jezus was de inhoud van hun zending. Met Jezus valt of staat hun toekomst. De apostelen hadden geen ander doel om voor te leven dan Jezus. Samenkomen bij Jezus is dan ook de grondrichting van het evangelie. De leerlingen moeten bij Hem zijn, juist zoals de menigte: “Toen Hij enige dagen later in Kafarnaüm was teruggekeerd en men hoorde dat Hij thuis was, stroomde de mensen in zulk een aantal samen, dat zelfs de ruimte vóór de deur geen plaats meer bood, toen Hij hun zijn leer verkondigde” (2,1-2). Dat is kerk. Mensen kunnen allerlei redenen hebben om bij elkaar samen te komen. Gemeenschappelijke belangen drijven mensen naar elkaar toe. Men kan de ander zoeken omwille van de ander. Maar kerk ontstaat waar Jezus de band is van het samenzijn. Daarvoor moeten de banden die mensen met elkaar verbinden, ontdaan worden van hun dwangmatig karakter. Om bij Jezus te kunnen samenkomen, moesten de apostelen heel wat achterlaten: “hun netten”, “hun vader Zebedeüs met de dagloners” (1,18.20), “het tolhuis” (2,14). Zoals ook de menigte er heel wat voor moet laten om Jezus te ontvangen als spijs van het eeuwige leven. Bij elke kerkgang maken we zoiets mee: we komen naar de kerk in de groeperingen waarin wij gewoon als mensen samen zijn, soms hand in hand. Bij de kerk aangekomen, laten we elkaar min of meer los, om de band met Jezus de enige te laten zijn. Wanneer wij onze liefdesband met Hem hebben versterkt, worden onze verhoudingen met elkaar ook beter, liefdevoller, meer geïnspireerd door zijn liefde.

Eerst zijn het alleen de apostelen die zich bij Jezus voegen. Dan is het de menigte: “uit al de steden kwamen mensen te voet daarheen.” We weten waarop dit tenslotte zal uitlopen. Op de wonderbare broodvermenigvuldiging die door de evangelisten wordt beschreven op de wijze van een eucharistie-viering. In de eucharistie worden wij tot kerk gemaakt, tot het Lichaam van Christus. Wat moeten we doen om die eenheid met Hem te laten groeien?

… en brachten Hem verslag uit over alles wat zij gedaan en onderwezen hadden.

Bij iemand zijn is een persoonlijke vorm van samenzijn. Het is niet een ondergeschikt-zijn of een meer zakelijke vorm van bijeenzijn waarbij alleen bepaalde zaken aan de orde komen. In het bij elkander zijn van personen kan alles ter sprake komen. God interesseert Zich helemaal voor mij. Hij heeft interesse voor alles van mij: “Bij u is zelfs iedere haar van uw hoofd geteld” (Mt 10,30). Een goede manier om me in dit vertrouwen te oefenen, is mijn verstrooiingen tot gebed maken. Want iemand is nu eenmaal verstrooid met wat hem het meest ter harte gaat, waar hij vol van is. Als men eenmaal beseft  dat God weet dat men om iets bekommerd of verdrietig is, houdt het op een verstrooiing te zijn. Verstrooiingen zijn dingen die men nog niet “bij Hem” heeft gebracht.

Daarop sprak Hij tot hen: “Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit.” Want wegens de talrijke gaande en komende mensen hadden zij zelfs geen tijd om te eten. Zij vertrokken dus in de boot naar een eenzame plaats om alleen te zijn.

“Zelfs geen gelegenheid om te eten … zelfs geen tijd om te eten” (3,20; 6,31); dat is een bewijs van het succes van Jezus. Mensen kunnen aan het succes te gronde gaan, evenzeer als aan de mislukking. Men komt niet meer toe aan zichzelf, aan het verwerken van de opgedane indrukken. Roofbouw op de eigen kracht leidt tot een erosieproces van de levenssappen, met name van de verbondenheid met Hem voor Wie men dat allemaal doet. Vooral in het samen eten communiceerden de apostelen met Jezus en werden zij ook geestelijk met nieuwe kracht geladen. Het gewone maaltijd houden met elkaar, terwijl Jezus in hun midden was, had een diepere, religieuze betekenis: namelijk dat zij van Hem leefden. Die diepere betekenis van de gewone maaltijden wordt nu door Jezus benadrukt door ze naar een “eenzame plaats” te brengen, waar helemaal geen voedsel te vinden is; een plaats waarvan de apostelen later zullen zeggen: “Deze plek is eenzaam en het is al laat. Stuur hen weg om naar de hoeven en dorpen in de omtrek te gaan en daar eten te kopen” (6,35-36). Eenzaam is nog een te mooi woord, eigenlijk staat er: “woeste plaats”, een woestijnplaats, een barre, vijandige, mensonvriendelijke omgeving. Het is niet zozeer een bepaalde locale, als wel een theologische plaatsbepaling. Deze eenzame plaats is van dezelfde aard als de plaats waarheen Jezus door de Geest gedreven werd na het doopsel: “Terstond dreef de Geest Hem naar de woestijn” (1,12). Een plaats die op bijzondere wijze strijdtoneel was van de geesten, goede en kwade: de goede Geest die Jezus naar de woestijn dreef, en de boze geest die Hem op de proef stelde: “Veertig dagen bracht Hij in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld. Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten” (1,13). Daarheen lokt Jezus zijn apostelen en later de menigte, zoals eertijds door de profeet Hosea was voorspeld:

 “En daarom … weldra lok Ik haar weer naar Mij toe,
zorg Ik dat zij naar de woestijn gaat
en spreek Ik tot haar hart.
…Daar wordt zij weer gewillig,
zoals in de dagen van haar jeugd,
toen zij optrok uit Egypte.
Op die dag – zo luidt de godsspraak van de Heer –
zult gij tot Mij roepen: Mijn man!
Op die dag zal Ik een verbond sluiten, ten bate van hen,
met de dieren in het wild, met de vogels in de lucht
en met wat er kruipt op de grond.
Ik neem u als mijn bruid, voor altijd,
als mijn bruid, in recht en gerechtigheid,
in goedheid en erbarming,
als mijn bruid, in onverbrekelijke trouw:
dan zult gij de Heer leren kennen” (Hosea 2,16-18.20-22).

Zo was het in vroeger tijden, toen het Joodse volk rondzwierf in de woestijn en een leven leidde vol beproevingen van honger en dorst. Toen voorzag God daarin op wonderbare wijze, zo zou het nu weer gaan: in de woestijn worden de apostelen en de menigte gevoed: “allen aten tot zij verzadigd waren” (6,42).

Het is een voorafbeelding van de eucharistie. Als een belofte aan ons: wanneer wij zoiets als een woestijntijd moeten doormaken, bijvoorbeeld in een tijd van ziekte en wij als het ware worden afgesneden van het gewone leven dat wij alleen nog zien als waren wij een buitenstaander, dan kunnen wij aansluiting krijgen bij de diepere krachten van het leven, met Hem. In de verlatenheid is Hij ons nabij. In menselijke ongeborgenheid zijn wij in Hem geborgen. Zoiets kan ook een heel volk meemaken. Juist zoals de menigte toen door Jezus de woestijn ingelokt werd, zo kunnen ook vandaag hele volkeren in een woestijnsituatie terecht komen: oorlog, honger, terreur, onveiligheid, pola­risatie, discriminatie, kerkvervolging. Menselijk gezien zijn dat afschrikwekkende situaties. Maar God gebruikt ze als destijds de woestijn om de mensen af te kicken van het gewone leven met zijn afgoden en tirannieën:

“Dan zal Ik de namen van de Baäls uit haar mond verwijderen;
van hun namen wordt nooit meer gerept” (Hosea 2,19).

In de onbewoonbare woestijn woont God, in het onherbergzame worden wij in God geherbergd, in de verlatenheid is Hij ons nabij. Daarom zien wij hoe mensen vrijwillig de woestijn introkken en nog intrekken: in de kloosters, want wat zijn die anders dan gestileerde woestijnen, door mensenhanden en door de heilige Geest nagebouwde woestijn? Het is een soort heimwee van de mensheid naar God, of beter nog van Gods heimwee naar ons:

 “Het woord van de Heer kwam tot mij:
Ga, roep Jeruzalem toe: Dit zegt de Heer:
Ik denk terug aan de trouw van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidstijd,
hoe gij Mij zijt gevolgd in de woestijn,
het land waar niets wordt gezaaid.
Israël was heilig bezit van de Heer,
de eerste vrucht van zijn oogst” (Jer 2,1-3).

Ik kan mij de woestijnsituaties te binnen brengen uit mijn eigen leven of in het leven van anderen en nagaan of ik daarin iets van die goddelijke mogelijkheden kan ontdekken.

Maar velen zagen hen gaan en begrepen waar Hij heenging; uit al de steden kwamen mensen te voet daarheen en ze waren er nog eerder dan zij. Toen Jezus aan land ging, zag Hij dan ook een grote menigte.

Nu niet zeggen: arme apostelen! Weg stille dag! Want Jezus heeft zoveel rust, dat Hij ook de menigte erin kan laten delen. Dat heeft Hij toch zelf gezegd: “Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken” (Mt 11,28). Jezus had gezegd: “En rust daar wat uit.” Dat is een belofte. De rust van Hem over me laten komen en niet verdergaan voordat die rust op me ingewerkt is. Zoals men voedsel kauwt, zo moet ik deze woorden kauwen als spijs van de hemelse Vader. Hoe dieper Hij mij kan aanspreken, des te beter kan ik anderen van dienst zijn. Dan spreek ik misschien dezelfde woorden, maar vanuit een diepere diepte, vanuit meer geloof. Dat is het verschil tussen een cursus en een tijd van gebed (retraite, meditatieviering): op een cursus leer je nieuwe dingen. In het gebed worden de dingen die je al wist, meer waar voor je; ze krijgen meer werkelijkheidskarakter voor je. Je wordt er zelf nieuw van. Je kunt ervan leven.

Wat is nu apostel zijn zoals Jezus? Mensen opnemen in dat rustgevende samenzijn met de Heer. Apostolaat is: mensen binnenlaten in die lege ruimte die er in iemand ontstaat, wanneer hij plaats heeft gemaakt voor God. In die immense ruimte in Zichzelf neemt Jezus nu de menigte op.

Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder.

Medelijden! Waarom medelijden? Er mankeert toch niets aan die mensen! Sommigen waren ziek en die genas Hij, maar met allen had Hij medelijden. Honger hadden ze nog niet, want pas tegen de avond is er sprake van voedseltekort. Dat medelijden is dus niet zomaar een menselijk gevoel. In Jezus welt Gods eigen gevoelen omhoog. Want: “zij waren als schapen zonder herder”. Dat kan niets anders betekenen dan dat zij mensen waren zonder God. Want: “Mijn herder is de Heer” (Ps 23,1). Jezus is een vreemde herder, een vreemde pastor. Hij ziet om zo te zeggen zijn parochianen de kerk binnenkomen: jong en oud, klein en groot, zwak en sterk, gezond en ziek, arm en rijk, hooggeleerd en niet onderlegd; maar niet alleen met de kleinen, de ouden van dagen, de zieken, de armen en zwakbegaafden heeft Hij medelijden, maar met iedereen. Trouwens, allemaal doen zij een beroep op het medelijden van God, wanneer zij de kerk binnenkomen: Kyrie eleïson: Heer, ontferm U. Precies hetzelfde woord als in: “Hij voelde medelijden met hen”. Het werd al in de alleroudste tijd gebeden, toen ze in de kerken van Rome nog Grieks spraken. Dat was toen de liturgische taal, zoals later het latijn. En toen ze van het Grieks overgingen op het latijn, hebben ze alles vertaald, maar dat Kyrie eleïson, Heer, ontferm U, dat hoefden ze niet meer te vertalen. Ze hadden het zo dikwijls gebeden, dat de Griekse klank hun vertrouwd in de oren was gaan klinken en zij een vertaling niet meer nodig vonden. Het “Heer, heb medelijden” welt op uit een besef van grondeloze zwakte en totale afhankelijkheid. Dat hoort bij de houding tegenover God. Wanneer God Zich in Jezus tot de mensen wendt, wordt “Hij door medelijden bewogen”: “Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder” (Mt 9,36). Dat is ons geloof: met onze grondeloze zwakte zijn wij veilig bij Hem.

Geen gewoon menselijk gevoel: “ik heb met ze te doen”, maar in Jezus komt Gods eigen gevoelen voor ons naar boven. Het gaat in het evangelie niet om Jezus in de eerste plaats, maar om God de Vader die Zich in Jezus laat kennen. Jezus ziet in die mensen iets wat de barmhartigheid van de Vader in Hem wakker maakt. Jezus is de goddelijke herder, in Hem komt God zelf naar zijn kudde: “Want, zegt de Heer, Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen. Zoals een herder omziet naar zijn schapen, als die verstrooid zijn geraakt, zo zal ook Ik naar mijn schapen omzien en ze veilig terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en dichte duisternis … Ik zal zelf mijn schapen weiden en ze zelf een rustplaats wijzen, luidt de godsspraak van de Heer. Het verloren dier zal Ik zoeken, het afgedwaalde terughalen, het gewonde verbinden, het zieke sterken, de vette en sterke dieren bewaren; Ik zal ze weiden zoals het behoort” (Ex 34,11-12.15-16).

Dat doet Hij nu door Jezus Christus onze Heer en in de jonge kerk en in de kerk van nu. “Want”, zo bidt de kerk in de eerste prefatie van de apostelen, “Gij zijt onze eeuwige Herder: Gij laat uw volk niet eenzaam achter, maar blijft het in bescherming houden door uw heilige apostelen. Zo wordt uw kerk geleid door de herders die Gij hebt aangesteld om de plaats te bekleden van uw Zoon en de kudde voor te gaan die zij weiden.”

Mensen denken eraan hoe zij voor anderen (herder)zorg kunnen hebben, maar op de eerste plaats is het nodig, dat mensen zich door Hem laten verzorgen.
Pas als wij onszelf geborgen weten in de zorg van de Ander, kunnen wij op onze beurt voor anderen zorgen.

Je moet niet beginnen met apostolaat. Uit jezelf weet je nauwelijks waartoe je apostel, dat is “gezondene”, bent. Wanneer we voortijdig het gebed ontvluchten, is het de vraag of we in onze zorg wel Gods goedheid brengen. Hier past het de zorg van de Heer over mij te laten komen.

… en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.

Dat is zoveel als de woorddienst in de eucharistie. Die moet steeds voorafgaan. Want het gaat niet om wat wíj doen, maar om wat God doet. In de uitvoerige woorddienst legt Jezus uit, dat het God is die geeft. Ook in onze woorddiensten moet eerst helder gesteld worden dat niet wij het zijn die brood geven. In dat woord van God geschiedt God zelf. Jezus is immers het Woord van God. Het is dus niet zo: geen woorden, maar daden. Want Jezus’ woorden zijn zelf daden: “Het (evangelie) is een goddelijke kracht tot heil van ieder die erin gelooft” (Rom 1,16). In het gelovig luisteren naar het woord van God, geschiedt aan mij al de kracht van God. Met andere woorden: het woord van God is zelf al sacramenteel. Het bevat de genade (de kracht van God) die het aanwijst.

Aan het eind gesprekjes voeren met de apostelen, die met alles bij hun Meester terecht konden; met Jezus die de situatie van zijn apostelen zo zuiver aanvoelt. Jezus zelf leeft weer in een afhankelijkheidsverhouding ten opzichte van zijn hemelse Vader. Jezus herdert namens zijn Vader. Bij de Vader mijn hart uitstorten. Een Onze Vader bidden.

Van de gelegenheid van de langere gebedstijd gebruik maken om tot onderscheiding te komen:

Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen ben ik als een schaap zonder herder. Daar dool ik zelf wat rond, of ik volg menselijke herders door  hen naar de ogen te zien of naar de mond te praten.

Waar waren we wel bij elkaar?  Waren er momenten dat de zorg van mij afviel en ik mij bij herder Jezus geborgen voelde?

En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?

[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]